GOD IN DE LOGEERKAMER


Kortverhaal

KOLET JANSSEN 

Geef uw mening over dit artikel

Natuurlijk is het vreemd dat ik als zestigjarige vrouw zo goed kan opschieten met mijn buurmeisje Heleen van achttien. ‘Even kletsen met Marie’, zegt ze tegen haar moeder, en dan komt ze binnenvallen en praten we over van alles en nog wat. Over de verschillen tussen mannen en vrouwen bijvoorbeeld. Ik vind dat je een man zijn vrijheid moet laten. ‘Waarom zou een vrouw daar niet evenveel recht op hebben?’ roept Heleen dan verontwaardigd. ‘Mannen zijn daarin anders dan vrouwen’, zeg ik hardnekkig, maar we worden het nooit eens.

Ook over God hebben we het regelmatig. Voor mij is die er gewoon, bij alles wat ik in mijn leven doe en meemaak. Heleen weet niet goed wat ze van God moet vinden. Ze twijfelt of hij er is. Ze heeft er ook rare ideeën over, vind ik. Een poosje geleden hadden we het over klonen. ‘Daar ben jij zeker tegen, Marie’, veronderstelde ze. ‘Dat vindt jouw God vast niet goed.’ Ik haalde mijn schouders op. ‘Dat hangt er helemaal van af’, antwoordde ik. ‘Ik weet er niet veel van, maar als ze door dat klonenonderzoek een paar lelijke ziektes uit de wereld kunnen helpen, is God daar helemaal voor, denk ik.’ Heleen keek me nadenkend aan. ‘Jij weet altijd precies wat God denkt’, lachte ze. ‘Soms lijkt het wel alsof je hem in je logeerkamer hebt wonen!’ Ze zuchtte. ‘Ik wou dat mama er ook zo over kon praten. Ze gelooft wel in God, in tegenstelling tot papa, want als ik examens heb, steekt ze een kaarsje aan en ze gaat graag elk jaar naar dat bedevaartsoord hier in de buurt. Maar als ik er iets over vraag, begint ze gauw over iets anders. Haar God is niet om over te praten.’

Toch kan Heleen het best goed vinden met haar ouders. Vaak zie ik ze samen met haar vader de kruiswoordpuzzel uit de krant oplossen. Daar zijn ze allebei erg goed in. Met haar moeder kijkt ze soms naar van die stomme Amerikaanse films, waarin de spelers elkaar van die ongelooflijk voorspelbare antwoorden geven. Ze lachen zich dan samen slap en dat is heel gezellig. Ze kunnen ook wel serieuzer met elkaar praten. Maar Heleen klaagt erover dat ze altijd zo ‘ouderachtig’ reageren. ‘Als ik het louter theoretisch heb over hoe een alleenstaande vrouw best een kind kan opvoeden, begint mijn moeder meteen zenuwachtig heen en weer te lopen. In gedachten is ze dan al bijna bezig onze bovenverdieping opnieuw in te richten voor mij en de baby!’ lacht Heleen. ‘Hopeloos gewoon! En als ik zeg dat journalist zijn me best een leuke baan lijkt, schraapt mijn vader zijn keel en zegt voorzichtig dat het voor een vrouw wel een heel veeleisend beroep is. Altijd passen ze alles wat ik zeg op mezelf toe. Terwijl ik echt niet alleen maar over mezelf praat. Ik vind het juist leuk om over dingen te fantaseren die ik nooit zelf zou willen doen. Gewoon een beetje vrijblijvend. Maar met mijn ouders in de buurt is dat niet mogelijk!’

Dus praat ze met mij en met haar vriendin Rosanne. Met Rosanne bijvoorbeeld over jongens. Over hoe ze er moeten uitzien en hoe ze zich moeten gedragen. Daar kunnen ze eindeloos over doorgaan.

Met mij praat ze over het leven en over God. Heleen stoort nooit, want ik heb veel tijd. Mijn man is al twaalf jaar dood en mijn zoon woont met zijn vrouw in Engeland. Het klinkt vreemd, maar Heleen en ik zijn gewoon vriendinnen.

Niet lang na schooltijd stormt Heleen mijn keuken binnen. Haar gezicht staat strak en er stoomt iets donkers uit haar poriën. ‘Ik heb net thee gezet. Wil je een kop?’ vraag ik.

Haar hand wimpelt mijn simpele vraag weg. ‘Rosanne heeft een auto-ongeval gehad’, zegt ze hees. ‘Ze ligt in coma.’ Ik loop naar haar toe en leg mijn hand op haar schouder. ‘Mijn God, Heleen, wat erg!’ stamel ik geschrokken. Ze rukt zich los. ‘Niks God!’ roept ze uit. ‘Waarom heeft hij Heleen dan niet beschermd? Hij bestaat niet, die God van jou!’

Hij is niet van mij alleen, denk ik, maar ik antwoord niet. Heleen heeft verdriet en ze is bang, en dus schopt ze naar wie ze kan raken. Daar kan God wel tegen.

Ik schenk een kop thee in en zet hem vlak voor haar op tafel. ‘Vertel eens hoe het gebeurd is’, vraag ik. Heleen hangt een warrig verhaal op over hoe Rosanne op de fiets moest uitwijken voor een hond en zo geschept werd door een auto. God heeft er zo te horen niet veel mee te maken, denk ik, maar ik zwijg. ‘Ze moet beter worden, dat moet gewoon!’ zegt Heleen tenslotte. ‘Op zo’n stomme manier kan je leven toch niet eindigen?’ Ze kijkt me radeloos aan, omdat ze zelf best weet dat het kan: elke dag sterven er zoveel mensen een zinloze dood. Ik leg mijn hand op de hare. ‘Mensen zijn sterk’, zeg ik. ‘Rosanne zal vechten om te leven.’

‘Ja’, knikt Heleen.

‘Vind je het goed als ik voor haar bid?’ vraag ik.

Heleen kijkt me wantrouwig aan. Ze heeft net God de laan uitgestuurd en nu begin ik over bidden? ‘Denk je dat het helpt?’ vraagt ze stuurs. Ik haal mijn schouders op. ‘Wie weet?’ zeg ik. Ik kan het niet bewijzen. ‘Als je voor Rosanne bidt, denk je met liefde aan haar. Je stuurt de goede krachten in jou naar haar toe. Je vraagt God om hetzelfde te doen. Ik denk niet dat er daardoor een of ander medisch gegeven zal veranderen. Maar misschien geeft het haar eigen levenskrachten net dat duwtje in de rug, dat ze nodig hebben…’

‘Goede krachten’, mompelt Heleen. ‘Die heeft ze zeker nodig. Bid maar voor haar, Marie.’

‘Jij kunt het ook doen’, stel ik voor. Heleen trekt een gezicht. ‘God en ik kennen elkaar niet zo goed. Jouw gebeden hebben vast veel meer effect’, zegt ze. Met een diepe zucht staat ze op en loopt de deur uit. Haar thee laat ze onaangeroerd op tafel staan.

Om een uur of negen ’s avonds, ik heb net mijn lievelingsmuziek opgezet (Vangelis, daar word ik heerlijk rustig van), is Heleen er weer. Deze keer heeft ze goed nieuws, zie ik meteen. ‘Ze is uit coma!’ roept ze al van in de deuropening. ‘Ze heeft alleen een zware hersenschudding en twee gebroken polsen.’ Niet niks, denk ik, maar in vergelijking met bijna-dood verbleekt alles. Heleen ploft neer op een stoel alsof ze doodmoe is. En dat is ze waarschijnlijk ook. Niets is zo vermoeiend als intense gevoelens, herinner ik me. Dan lijkt het alsof je twee of drie levens tegelijk leeft.

Heleen kijkt om zich heen. ‘Heb je nog thee?’ vraagt ze. ‘Die van vanmiddag is al lang koud’, lach ik. ‘Maar ik heb iets veel beters. Iets voor speciale gelegenheden, als er iets te vieren valt.’ Uit de kast haal ik een fles Liebfraumilch en schenk ons allebei een glaasje in. Heleen bestudeert het etiket. ‘Jakkes,’ zegt ze na een poosje, ‘willen ze ons doen geloven dat dit Maria’s moedermelk is?’ Ik schiet in de lach. ‘Mensen die al hun hele leven in God geloven, maken er soms ook grapjes over’, leg ik uit. ‘Dit is zo’n grapje.’

‘Mag je wel lachen om je geloof?’ vraagt Heleen sluw. ‘Het is altijd gezond om regelmatig met jezelf te lachen’, antwoord ik. ‘Met je geloof net zo goed als met de rest.’

Heleen drinkt een slok en sluit haar ogen. ‘Lekker’, zegt ze. ‘Nu Rosanne beter wordt, kan ik misschien toch in God geloven’, zegt ze voorzichtig.

‘En als ze het niet had gehaald?’ vraag ik bot.

Heleen schudt haar hoofd. ‘Dat zou niet eerlijk geweest zijn’, zegt ze hardnekkig. Ik glimlach weemoedig. Waar is de tijd dat ik ook vond dat alles eerlijk moest zijn? En dat God daarvoor moest zorgen?

‘Het leven is niet eerlijk’, zeg ik kortaf. ‘Het is niet eerlijk dat mijn man gestorven is op zijn negenenveertigste.’ Heleen kijkt me verrast aan. Zo kent ze me niet. Maar ik glimlach alweer. ‘Toch denk ik niet dat het Gods schuld was’, zeg ik. ‘De wereld is niet volmaakt. Er gebeuren verschrikkelijke dingen. Wij mensen maken er soms ook een potje van. Maar we kunnen ook veel goeds doen, gelukkig.’

Heleen knikt. ‘Je bedoelt dat Rosanne gevallen is door de schuld van mensen. Maar dat ze ook dankzij de zorg van mensen weer beter is geworden.’

‘Dat ook’, zeg ik. ‘Je mag de schuld niet te gauw op God steken.’

Heleen neemt nadenkend een tweede slok van haar Liebfraumilch. ‘Maar wat als Rosanne niet beter was geworden? Als er zomaar opeens een einde was gekomen aan al het goede en vrolijke in haar? Dan zou alles wat ze tot nu toe is geweest, opeens zinloos zijn geworden…’

‘Wie zegt dat?’ roep ik uit. ‘Zou jij haar ooit vergeten zijn? Zouden haar ouders haar ooit hebben willen missen? Elk leven heeft zin, en dat hangt niet van de lengte af!’

Heleen denkt na. ‘Maar als zoiets niet de schuld van God is,’ zegt ze, ‘en hij ziet het toch allemaal gebeuren, dan moet het wel heel moeilijk zijn om God te zijn.’

‘Dat denk ik ook’, lach ik. ‘Gelukkig heeft hij heel wat mensen die zijn armen en voeten willen zijn.’

Heleen lacht ook. ‘Dat heb ik ooit ergens gelezen: God heeft geen handen dan de onze’, zegt ze. ‘Maar voorlopig heb ik mijn handen nog voor iemand anders nodig.’

Ik kijk haar vragend aan.

‘Voor Rosanne’, legt ze uit. ‘Ik zei je toch dat ze twee gebroken polsen heeft?’

Ik kijk haar na als ze even later de deur uitloopt. God heeft in haar een dapper stel handen. Ook al heeft ze een hoofd vol vragen.

 


Bekijk reactie(s) op dit artikel
Bekijk reacties


Reageren op bovenstaand artikel kan door onderstaand formulier in te vullen en op de knop verzenden te klikken.
Indien gewenst, wordt uw reactie anoniem op de website geplaatst (als u het vakje "Graag anoniem" aankruist). We vragen wel je bekend te maken aan de TGL-redactie door het vak "Naam" in te vullen.


Geef uw mening over dit artikel

Naam :

Graag anoniem

Emailadres :

Geef eventueel een titel aan uw reactie :

Tik hier de tekst van uw reactie :