KINDEREN VAN DE NACHT?
Spirituele evolutie van de na-oorlogse jongerengeneratie
| MARCEL VERHELST |
Een uittreksel
In de inleiding drukte ik mijn verbazing uit over een aantal ‘klassieke’ vragen die in de godsdienstles ‘uit het niets’ blijven opduiken. Daarmee bedoel ik vooreerst de totale onbekendheid met de kerkelijke cultuur, waarover desondanks nog enkele pikante details in de geesten blijven rondhangen. Maar steeds duidelijker blijken jongeren reeds aangekomen in een zeker nihilisme, dat volgens Gianni Vattimo de onvermijdelijke uitkomst moet zijn van het rationalisme en het positivisme die sinds de Verlichting toonaangevend werden, met het daarop geënte vooruitgangsoptimisme en de consumptie-economie. Het gaat bij jongeren niet om het filosofisch nihilisme, maar om een soort incapabiliteit – waaraan zij geen enkele morele schuld hebben - om het ‘hier en nu’ te doorbreken en zich te openen voor een levensbeschouwelijke optie, laat staan voor een andere dimensie die een religieuze gezichtseinder aan het bestaan kan verlenen. Met de reeds vermelde Tjeu van den Berk zou ik zeggen: de grote nacht is ingetreden. Vandaar de titel boven dit artikel. Let wel, er staat niet: "kinderen van de duisternis", want dat heeft een negatieve, moraliserende connotatie. Vele jongeren, voor wie het eigenlijke leven –het moet gezegd - zich ook tijdens het weekend en ’s nachts afspeelt, zijn er zich echt niet van bewust dat zij levensbeschouwelijk in een soort mentale nacht verkeren. Van den Berk pleit resoluut voor een mystagogische aanpak, om hen daarvan bewust te maken en hen vervolgens door rituelen van wedergeboorte en licht in te wijden in het symbolisch bewustzijn dat nodig is om "de derde werkelijkheid" van godsdienst en mystiek te ontdekken. Wel moet deze mystagogie vertrekken van de ‘hier en nu’-vragen en ervaringen van de jongeren en nièt van de geopenbaarde waarheden of de geloofstraditie. Zodat ‘de derde werkelijkheid’ weer relevant kan worden. Deze al te korte samenvatting doet afbreuk aan de meeslepende en zelfs vervoerende studie van de auteur, die het helaas pijnlijk laat afweten als het op praktische toepassingen aankomt (zijn hoofdstuk over het filmgesprek, dat hij als praktisch model aanbiedt, bevredigt niet). Ik vermeld het boek hier toch omdat het hoe dan ook stevig aan het denken zet. Want volgens van den Berk zitten wij met de jongerencatechese al jaren heel creatief te zijn op een trein… die in de verkeerde richting rijdt. Wij moeten niet zozeer uitleggen, verklaren en doceren, dan wel inwijden, oproepen en evoceren, vindt hij. Mijn benadering van de jongerenculturen, vanuit de maatschappelijke gebeurtenissen die op hen afkomen, om aldus te achterhalen wat hun dieperliggende levensvragen zijn, mag dan ook geen aanleiding zijn om de vertrouwde weg van een louter verbale en explicatieve geloofscommunicatie op te gaan. Deze benadering bracht aan de oppervlakte waaruit de ‘nacht’ van de jongeren bestaat. Om daarin licht te brengen, is méér nodig dan het gesprek en een eventueel hertaalde theologie. Jongeren hebben ronduit een nieuwe gemeenschap nodig, waarin (nieuwe?) symbolen en rituelen voor zichzelf spreken en de mystieke dimensie aanwezig stellen. Dit is een variante op het adagium dat ik reeds in mijn boek "Omgaan met jONg GELOOF" stelde: de beste jeugdpastoraal is… een andere volwassenenpastoraal. Geïsoleerde werkvormen die een geloofscommunicatie met jongeren beogen, schieten hun doel voorbij als zij niet uitgaan van een geloofsgemeenschap waarin jongeren zich thuis kunnen voelen en waarvan zij het lidmaatschap een natuurlijke en aantrekkelijke keuze vinden.
Het volledige artikel is te lezen in TGL 2000/4
Reageren
op bovenstaand artikel kan door onderstaand formulier in te vullen en op de knop
verzenden te klikken.
Indien gewenst, wordt uw reactie anoniem op de website geplaatst (als u het
vakje "Graag anoniem" aankruist). We vragen wel je bekend te maken aan
de TGL-redactie door het vak "Naam" in te vullen.