DE VLINDER IN MIJN HOOFD
Heil bij het doen van huisbezoek
(integrale versie)
| MIRJAM SCHUILENGA |
Als klein meisje heb ik ‘danken’ veel makkelijker gevonden dan ‘bidden’. Voor jezelf bidden om iets, dat vond ik moeilijk. Bidden in het groot kon ik wel weer beter: bidden voor vrede in Vietnam, bidden voor de hongerslachtoffers in Biafra. Danken kon ik meestal om veel kleinere dingen: de dingen in mijn eigen belevingswereld: het goede cijfer dat ik haalde voor een repetitie of dat ik mijn handschoenen weer gevonden had die ik kwijt was. Bidden en danken hebben beide met heil te maken. Je bidt om het heil dat je mist of je dankt voor het heil dat je ervaart. In mijn eigen ervaring als klein meisje betreft het gebrek aan heil de grote zaken des levens en de aanwezigheid van heil de kleine zaken in mijn persoonlijke leven.
Het ervaren van heil heeft iets intiems. Er valt moeilijk over te praten want vaak is het heel erg privé en ook kwetsbaar. Toch lijkt het me een uitdaging om heil te signaleren buiten de privésfeer om. Het gaat daarbij om het onderzoeken van de ervaring van aanwezigheid van heil (in de privésfeer) en de vermeende afwezigheid van heil (in de openbare sfeer).
De vraag naar heil als blokkade
Sinds kort hebben we de vraag naar heil georganiseerd in ons werk en de vraag daarmee meer in de openbare sfeer geplaatst. Waar is in ons werk sprake van heil? Deze vraag hebben we toegespitst op de ontmoetingen die we hebben met mensen in armoedesituaties. Samen met twee collega's werk ik bij het 'Z3 Project Tegen Armoede' van de stichting Zingeving en Emancipatie door Gerechtigheid' (ZEG). Deze stichting is het initiatief van een aantal religieuze orden en congregaties. We organiseren inleidingen, workshops en activiteiten voor gelovige en kerkelijk betrokken mensen om hen daarmee te informeren en te betrekken bij de Nederlandse armoedeproblematiek. Daartoe werken we samen met organisaties van uitkeringsgerechtigden en bezoeken mensen in armoedesituaties. De samenwerking en het bezoekwerk is niet alleen bedoeld ter ondersteuning maar vooral ook om onze eigen deskundigheid van de armoedeproblematiek te bevorderen. We willen niet over uitkeringsgerechtigden lezen in kranten, rapporten en statistieken maar we willen de verhalen van hen zelf horen. We willen ook met ze optrekken en met ze samenwerken om zo een bijdrage te leveren om de kloof tussen rijk en arm te overbruggen.
Het probleem binnen de hedendaagse postmoderne verstaanshorizon is dat de begrippen 'rijk' en 'arm' zo groot en massief klinken. Mijn ervaring is echter dat ik het niet kleiner kan maken dan het is. In een rijk en welvarend land als Nederland is er een grote groep mensen die gedwongen is op of onder de armoedegrens te leven. Er is een groeiende tegenstelling tussen arm en rijk. Steeds meer mensen hebben toegang tot rijkdom maar een grote groep mensen ervaart geen welzijn en welvaart. Tijdens een huisbezoek trof ik een jonge bijstandsvrouw die met het statiegeld van lege flessen op het einde van de maand nog wat boodschappen kon doen. Voor haar is een kwartje geen restgeld, maar een belangrijke bron van inkomsten.
Hoe kun je nu in een context van heilloze armoede de vraag naar heil organiseren? En waar komt die behoefte überhaupt vandaan? Om de eerste vraag te kunnen beantwoorden moet ik allereerst op de tweede vraag ingaan: waar komt de behoefte om heil te signaleren vandaan?
De vraag naar heil is een godsdienstige vraag. Het lijkt me voor de hand liggend dat veel theologen impliciet of expliciet de vraag naar heil stellen. Zoals een arts bezig is met genezingsprocessen, zo houdt een theoloog zich bezig met heilsprocessen. De vraag naar verlossing van lijden staat immers centraal in de christelijke geloofstraditie. In die zin is het een voor de hand liggende behoefte van een theoloog om heil te thematiseren.
De vraag naar heil mag echter niet te snel gesteld worden. In feite moet ik als theologe al mijn wantrouwen mobiliseren bij die behoefte aan heil. Een behoefte, een vanzelfsprekend verlangen kan namelijk vervorming van de werkelijkheid teweeg brengen. Met andere woorden: wat je wil horen kan een vervorming teweegbrengen in wat je kan horen. Je wil op zoek gaan naar heil, terwijl bijvoorbeeld in een gesprek met een ander het woord 'heil' niet gevallen is. Het vereist een interpretatie van de theoloog om in het verhaal van de ander die geen theoloog is heil te signaleren. In hoeverre eigen je je daarmee het verhaal van de ander toe? De ander kan denken: 'waar heeft die theoloog het over', en zal zich niet meer in het zelf vertelde verhaal herkennen. Wanneer dat gebeurt, is mijn theologisch verlangen naar heil juist een blokkade in de receptie van verhalen van mensen in armoede.
Een luistermethode
Door de jaren heen is vanuit die zelfkritische vraag binnen het project waarin ik werk een methode ontwikkeld om zo zuiver mogelijk als theoloog om te gaan met verhalen van de ander. Binnen het team analyseren we onze gesprekken minutieus. We maken daarvan een herinneringsverslag. Daarmee krijgt onze herinnering een materialiteit in de vorm van een verbatim, een ontmoetingsverslag. In de analyse van die verslagen stellen we onszelf de volgende vragen. Wat heb ik geleerd van de ander, waarin ben ik veranderd in visie, denkbeelden en overtuigingen? Door zo te werk te gaan ben jezelf onderwerp van het gesprek. Juist in die zelfkritische confrontatie vindt er een verschuiving plaats in je eigen verstaanshorizon. Bepaalde vanzelfsprekendheden komen aan het licht in de herinneringsverslagen.
Het gebeurt regelmatig dat ik luister naar verhalen waarin veel lijden voorkomt. Armoede veroorzaakt lijden: mensen voelen zich buitengesloten, ze hebben hoofdpijn van het piekeren, ze zien het niet meer zitten. Zo'n verhaal doet je wat, het raakt je en voor je het weet ga je in dat lijden mee. Je weet niets te zeggen, er zijn stiltes. Maar soms gebeurt het dat je die stiltes juist wil vermijden door vragen te stellen of opmerkingen te maken. Soms ben je ongemerkt toch op zoek naar iets positiefs, een sprankje hoop. "Wat is je toekomstperspectief? Heb je steun aan de buurt? Denk je niet dat een belangenorganisatie van uitkeringsgerechtigden je kan helpen? Heb je nog een boodschap aan de politiek?"
Het zijn min of meer vragen naar heil die ik in zo'n gesprek stel maar waar ik me niet van bewust ben. In een intensieve exegese van een herinneringsverslag binnen mijn team komt een dergelijke vanzelfsprekendheid naar voren. Het lijden van de ander roept in mij onbewust vragen naar heil op. Het is noodzakelijk om me daar bewust van te zijn. Dergelijke inzichten zijn nodig in het zuiver luisteren naar de ander. De ander communiceert lijden terwijl ik in mijn vragen naar iets van heil zoek. Hoor ik dan wel wat de ander zegt?
Blijkbaar hebben sommige vragen die ik stel te maken met mijn behoefte om het aanwezige lijden op te lossen. De kans is groot dat mijn eigen behoefte om heil te willen bewerken groter is dan het ontvankelijk luisteren naar het lijden van de ander. Dit communiceren van heil komt voort uit de behoefte iets te willen betekenen voor de ander, je wil iets doen om het lijden van de ander op te heffen.
Tot zover iets over de methode van luisteren waarbij de vraag naar heil niet te snel gesteld mag worden. Laat de stilte de stilte zijn. Wanneer heil te snel gezocht wordt als oplossing zonder het lijden serieus te nemen dan is dat geen heilzame weg. Daarom mag je als luisteraar die in solidariteit het lijden van de ander aanhoort niet voortdurend interveniëren met vragen en opmerkingen die vanuit een eigen behoefte verwijzen naar heil. Dan zijn de vragen naar heil een blokkade in het luisterproces. Vanuit die optiek is de houding die ik hierboven heb beschreven niet heilzaam. Elke theoloog, elke pastor en elke diaconaal werker zou zijn/haar luisterhouding hierop kunnen toetsen.
Vanuit een zelfkritische methode kan heil vervolgens gethematiseerd worden. Met schroom omdat je ondanks al je theologische bagage bescheiden moet zijn in het benoemen van heil op cruciale momenten in het leven van mensen. Maar anderzijds met lef omdat je heilsmomenten, hoe klein ook, niet onbenoemd mag laten. Heil moet je durven articuleren want juist vanuit de (h)erkenning bestaat het ook. Die heilsmomenten kun je koesteren en je er aan laven om zo weer verder te kunnen. Daarom is het belangrijk om heil binnen een zelfkritische methode te articuleren.
Hulpvragen als uitgangspunt
Binnen de hierboven geschetste zelfkritische methode komt naar voren dat heil niet iets te maken heeft met 'iets kunnen doen voor de ander', met andere woorden: heil is geen functioneel fenomeen. Te vaak wordt in het circuit van maatschappelijk geëngageerde theologen oplossingsgerichtheid gekoppeld aan vooruitgang. Je wil iets doen, je wil hulp bieden, lijden verlossen, heil brengen. Daar kunnen mensen immers gelukkiger van worden, je kan ze vooruit helpen. Ervaringen van heil spelen zich echter af in een vrije ruimte. Heilsmomenten zijn momenten van genade waardoor spontaan iets kleins plotseling oneindig groot wordt. Ik wil dat illustreren aan de hand van een gesprek dat ik onlangs had met een gezin uit Afghanistan tijdens een van mijn huisbezoeken. De tegenstelling tussen aanwezigheid en afwezigheid van heil gaat daarin schuiven. In dit huisbezoek komt ook nadrukkelijk naar voren dat ik iets ga doen voor deze mensen. Dit 'doen' komt niet zozeer voort uit iets dat ik 'wil', maar heeft als materialiteit de concrete hulpvragen die uit dit gezin zelf voortkomen. In zoverre probeer ik mij af te stemmen op de vragen die zij stellen. Ik probeer mee te denken en draag oplossingen aan zonder een eigen heilsoffensief na te streven. De hulpvragen die zij stellen vormen hier de materialiteit van mijn hulp. Deze wijze van iets doen voor de ander kan je vergelijken met het roeren in een pan soep. De theoloog Jan Voshaar gebruikt deze beeldspraak om daarmee gevraagde hulp te illustreren: je roert niet in een pan met soep omdat je het zelf wil, omdat het je eigen keuze is, maar omdat de soep bijna kookt. Je moet wel roeren anders kookt de soep over. De soep is de materialiteit die de handeling van het roeren bewerkstelligt. Zo kunnen hulpvragen ook bepaalde handelingen bewerkstelligen.
De ontmoeting met een Afghaans gezin
Tijdens mijn huisbezoek in een Hengelose wijk bel ik aan bij een huis en een meisje van ongeveer dertien jaar doet open. Ze is op blote voeten. Ik stel mij voor en ik mag binnenkomen. Ik vraag of ik mijn schoenen moet uitdoen maar dat hoeft niet.
In de woonkamer zit haar vader op de grond met een glas thee in zijn hand naar een buitenlands tv-programma te kijken. De moeder van het meisje doet een hoofddoek om. Samen met een oudere dochter gaat ze naar de keuken en ze komen beiden even later de woonkamer in met thee en twee schalen: eentje met zelfgebakken koekjes en een schaal met rozijnen en toffees. De twee grote schalen worden vlak voor mij neergezet. Ik ben ongeveer drie kwartier op bezoek en hieronder volgt een deel van het verbatim dat ik gemaakt heb naar aanleiding van mijn gesprek met de beide dochters van 13 en 15 jaar. Zij zitten op stoelen naast mij terwijl de ouders beiden op de grond zitten. Het geluid van de tv heeft de vader inmiddels uitgezet.
De dochters vertellen dat het gezin uit Afghanistan komt en dat hun vader nu zes jaar in Nederland woont. Het gezin bestaat uit tien personen; de drie oudste kinderen wonen zelfstandig in Den Haag en de ouders wonen met de vijf jongste kinderen in Hengelo. Drie jaar geleden heeft de moeder zich vanuit Afghanistan samen met de jongste kinderen bij de vader gevoegd in Hengelo. Het gezin leeft van een uitkering. Ze hadden zich graag in Den Haag gevestigd maar dat is te duur. In de eerste jaren van de gezinshereniging heeft de oudste zoon het gezin veel geholpen. Maar nu woont hij te ver weg.
Meisje, 13 jaar: "Mijn vader woont nu zes jaar in Nederland en hij heeft nog steeds geen paspoort. We willen voor onze ouders dat zij een paspoort krijgen, maar we weten niet hoe dat moet. Onze ouders kunnen de taal niet zomaar leren. Dat kunnen wij wel want als kind gaat dat makkelijker. Maar wij willen graag taalles maar krijgen die niet. Zij zeggen: jullie leren het wel op school. Maar thuis leren we de taal niet want wij kennen verder niemand."
Ik heb ook een folder bij me van het Platform voor Uitkeringsgerechtigden. Zij weten misschien ook wat meer op dat gebied en kunnen je doorverwijzen" (Ik geef haar de folder).
Ik: "Maar er bestaan taallessen voor mensen die hier pas komen wonen".
Meisje, 13 jaar: "Wel voor volwassenen, maar niet voor kinderen".
Ik: "Dat is gek (ik kom daar niet uit). Ik vind wel dat je het heel goed spreekt voor iemand die pas drie jaar in Nederland woont."
Meisje, 13 jaar: "Ja, maar schrijven, grammatica dat is moeilijk".
Ik: "Je zou eens kunnen proberen om bij de supermarkt een advertentie op te hangen met de vraag of iemand je taalles kan geven."
Meisje, 15 jaar: "In de supermarkt?"
Ik: "Ja, daar heb je vaak een prikbord en daar kun je gratis advertenties ophangen. Wie weet of dat lukt. Zelf heb ik pas geleden een advertentie opgehangen voor een oppas voor mijn zoontje en daar is toen op gereageerd.
Meisje, 13 jaar: "Waar is dat?"
Ik: (De wegenkaart van Hengelo pak ik erbij) "Dat is in deze straat, achter het station".
Meisje, 13 jaar: "Zou je met ons daarheen kunnen gaan?"
Ik: "Dat zou zo meteen wel kunnen want dan moet ik naar het station. Je kunt wel met me mee fietsen." Dan laat ik je zien waar het is. (Daar reageert ze niet op.)
Meisje 15 jaar: "Ik zou wel een baantje willen, dan leer je het ook snel en dan hebben we ook meer geld. Als ik uit school kom dan ga ik toch alleen maar slapen."Ondertussen zitten de ouders op de grond samen een pretje te delen; ze lachen naar elkaar en stoten elkaar plagerig aan. De sfeer is warm en vrolijk. De dochters hebben een vrolijke en spontane uitstraling wat in contrast is met hun moeilijke positie.
Meisje, 13 jaar: "Waarom krijgen onze ouders geen paspoort? Wij krijgen het wel en waarom zij niet?"
Ik: (ik denk hardop) "Tja, ik weet niet precies hoe het zit maar er is sinds kort een inburgeringsverplichting. De regering is de laatste jaren veel strenger geworden.
Jullie zouden eens kunnen informeren bij een bureau voor rechtshulp, wat de rechten van je ouders zijn. Heb je een telefoonboek dan zoek ik het adres op."Ik realiseer me dat ik de meisjes te jong vind om zich met deze zorgen te moeten bezighouden. Toen ik 13 jaar was overleed mijn vader, schiet het door mijn hoofd. Maar ik had de tijd voor verdriet en hoefde me niet met allemaal praktische zorgen bezig te houden. Ik bel voor informatie maar ze zijn in gesprek. Ik beloof de dochter van 13 die hierin het meest vasthoudend is dat ik terugbel om de informatie door te geven.
Meisje, 13 jaar: "Kan het Platform voor Uitkeringsgerechtigden ook helpen voor een paspoort?"
Ik: "Nee, maar zij kennen wel iemand die als advocaat werkt. Hier heb je nog een folder van een andere organisatie, 'Hint'. Jullie hebben een uitkering, maar daarbuiten heb je recht op extra financiële ondersteuning. Bijvoorbeeld een gratis bibliotheekkaart. Met lezen kun je de taal ook leren. Weet je wat, ik bel wel even met het Hint-team en vraag of een van hen langs kan komen. Als ze van het Hint-team terugbellen moet ik wel even jullie naam" (ik noteer hun familienaam). "Wat zijn jullie voornamen?"
Meisje, 13 jaar: "Prawana".
Meisje 15 jaar: "Fatana".
Ik: "Prawana en Fatana, wat prachtig! Hebben die namen ook nog een betekenis?"
Jongere dochter: "Prawana betekent vlinder".
Ik: "Toen mijn zoontje geboren werd hadden we een vlinder op zijn geboortekaartje. Hebben jullie allemaal van die mooie namen?"
Het meisje van 13 jaar noemt de namen van al haar zussen en broers achter elkaar, het klinkt als een gedicht.
Ik: "Ik ga weer weg en zal vragen aan het Hint-team om met jullie contact op te nemen."De ouders staan op van de grond en ik krijg een hand. Ik bedank hen voor hun gastvrijheid en ze laten me alle vier uit. Als ik de hoek om ben rent de jongste dochter op blote voeten achter me aan en roept me. Ze zwaait met iets in haar hand. Ik ben de wegenkaart van Hengelo vergeten en die komt ze me brengen. Ik zeg dat ze kou vat maar ze zegt vrolijk dat dat niet zo is.
Even later zit ik in het inloophuis te praten met een vrijwilliger van de thuiszorg die ook taallessen geeft aan vluchtelingen. Ik vraag hem of kinderen buiten school geen extra taallessen kunnen krijgen. Hij zegt dat er een aparte schakelschool is, maar dat hij niet weet of deze kinderen daar naar school gaan. Maar elk gezin krijgt wanneer ze zich hier in Hengelo vestigen een contactpersoon toegewezen van de Thuiszorg. Die moet hen daarop wijzen. Ik vraag me af waar het misloopt en ik besluit om ook contact op te nemen met de thuiszorg.
Brengt hulp heil?
In dit gespreksfragment komen de praktische vragen en mijn praktische hulp nadrukkelijk naar voren. Ik kan concreet iets betekenen voor dit gezin.
Het gezin verkeert in een positie van machteloosheid en sociaal isolement. Ik neem contact op met de Thuiszorg en het Hint-team en vraag om begeleiding voor dit gezin, ik neem contact op met het bureau voor vluchtelingen en vraag om informatie over het verkrijgen van een paspoort. Een paar weken later sta ik opnieuw bij hen op de stoep en blijkt dat zij nu door een vrijwilliger van de Thuiszorg intensief worden begeleid. Maar brengt deze hulp heil?
Tijdens mijn huisbezoeken aan dit gezin constateer ik een kloof. Mijn gemakkelijke toegang tot instanties contrasteert met hun moeizame tocht door een bureaucratisch moeras. Mijn financiële positie contrasteert met hun armoedepositie. Na afloop van een huisbezoek neem ik al die contrasten mee. Het is een realiteit die mij onrustig maakt. Die onrust houdt me in beweging.
Ik maak deel uit van een grotere beweging van mensen die zich willen solidariseren met mensen in de marge. Een beweging die zich wil engageren voor meer gelijkwaardige verhoudingen tussen mensen, voor meer herverdeling van financiële middelen, meer verbondenheid tussen burgers zonder onderscheid in eersterangs of tweederangs burgers. Maar dat betekent nog niet dat ik deel uitmaak van een beweging van zogenaamde heilbrengers tegenover een grote groep gedepriveerden aan wie heil gebracht zou moeten worden. Heil heeft niet zozeer met solidariteit te maken, waarbij er gevers en ontvangers zijn, waarbij er mensen zijn die zich solidariseren en er mensen zijn die solidariteit ontvangen.
Ervaringen van heil spelen zich af in een vrije ruimte, tussen mensen in een wederkerig proces waardoor bepaalde momenten plotseling eeuwigheidswaarde krijgen. Die momenten waren er in mijn ontmoeting met het Afghaanse gezin. Er was sprake van heil in hun gastvrijheid, in het zien van de ouders die op de vloer zitten en samen een pretje delen, in het schilderijtje van een vlinder aan de muur, in de namen van de dochters die Prawana en Fatana heten en in het moment dat Prawana me op blote voeten achterna rent om me iets terug te geven dat ik vergeten ben. Dat zijn heilige momenten waardoor ik me ineens niet meer zo moe voel, waardoor mijn tas niet meer zwaar is en de kou buiten niet meer koud is.
Heilsmomenten zijn momenten van genade waardoor iets kleins plotseling oneindig groot wordt. Prawana wordt even een heilige, haar familie een gedicht ondanks de context van heilloze armoede.
De vlinder in mijn hoofd
Te vaak wordt in het circuit van maatschappelijk geëngageerde theologen hulp als heilzaam gezien. Je wil iets doen, je wil hulp bieden, lijden verlossen. Je bent dan onbewust bezig met je eigen wens om heil te bewerken waardoor je de heilsmomenten niet herkent die zich werkelijk voordoen, heilsmomenten die er zijn in je werk, in de publieke sfeer, in de profane werkelijkheid.
Ik keer tot slot terug naar het kleine meisje dat ik vroeger was. Het meisje dat placht te bidden voor het heil in de wereld en dat dankte voor haar eigen heil. Op die manier kun je als volwassene niet meer in de wereld staan. Alsof er een heilloze buitenwereld is tegenover een eigen heilvolle binnenwereld. Ook binnen een heilloze context van armoede zijn er momenten van heil die niet door jou als geprivilegieerde bemiddeld kunnen worden maar die spontaan ontstaan. Plotseling ervaar je dan dat heil niet in de toekomst ligt maar dat heil reeds gebeurt. Heilsgeschiedenis betekent dat er reeds heil geschiedt in het hier en nu, in het triviale en het alledaagse. Daarom moeten we als maatschappelijk georiënteerde theologen de vraag naar heil durven stellen juist in niet vanzelfsprekende contexten. De vraag naar heil stellen buiten de privésfeer om, buiten het vooruitgangsdenken om, binnen de geseculariseerde, profane werkelijkheid van alledag.
Nu ik dit schrijf zie ik weer in gedachten het hollende meisje op blote voeten. Dat is de materie van heil. Het effect is dat ze nog steeds als een vlinder in mijn hoofd dwarrelt.
Reageren
op bovenstaand artikel kan door onderstaand formulier in te vullen en op de knop
verzenden te klikken.
Indien gewenst, wordt uw reactie anoniem op de website geplaatst (als u het
vakje "Graag anoniem" aankruist). We vragen wel je bekend te maken aan
de TGL-redactie door het vak "Naam" in te vullen.