DE KNUSSE KNUFFELBEERSPIRITUALITEIT
Religieuze boeken en de prijzen die ze (niet) verdienen
(volledige tekst)
| IGNACE D'HERT |
Ze beklagen zich over de media, de mensen die de kerk willen promoten. Alleen de schandalen en de interne conflicten komen aan bod. Maar niet de serieuze informatie. Ook niet de inhoudelijk gedegen stukken. Ongenadig focust de camera op een (nu officieel) zieke paus, waar iedereen meewarig zit naar te kijken. Een zielig schouwspel inderdaad. En dan het zogenaamd ridiculiseren van religieuze symbolen in de reclame. Maria met blote borst op een affiche roept onmiddellijk de afkeurende commentaar op van KTRO-directeur E. Henau in De Morgen (4/11/00). Hij wordt prompt gecounterd door de commentaar van priester en columnist Staf Nimmegeers (7/11/00) omwille van de moraliserende toon.
Een kwestie van verlangen
Ze laten zich dus wel horen in de media. In de kerst- en nieuwjaarperiode was kardinaal Danneels opvallend veel op tv. Hij deed het in elk geval beter dan zijn confrater van Brugge die maar een zielig figuur sloeg, gevraagd naar een reactie op de open brief van de KSJ. Er is het ambitieus mediaplan van de (niet onbesproken) bisschop van Namen, mgr. Léonard: er wordt een internationaal centrum ‘Espace mondial’ opgericht dat een professionele omkadering moet bieden aan talentvolle cineasten, producers, regisseurs en andere mediamensen zodat zij de christelijke media in hun land op een modernere leest kunnen schoeien. Volgens het Vlaamse weekblad Tertio zou de KTRO-directeur de eerste voorzitter worden. Tertio - verantwoordelijke uitgever: E. Henau - is ook al een nieuw initiatief dat zichzelf "Christelijk opinieblad voor het derde millennium" noemt; het ging in februari 2000 van start.
Sinds 1980 is er ook de (tweejaarlijkse) prijs voor het religieuze boek in Vlaanderen. In 1998 werd deze toegekend aan Herwig Arts s.j. Het nawoord van het laatste boek van deze auteur: Een kwestie van verlangen. Over Spiritualiteit geeft ons een klein beetje zicht op de groep mensen die voor deze selectie verantwoordelijk is. Dat nawoord is de laudatio uitgesproken bij gelegenheid van de uitreiking van de prijs. Door – andermaal - E. Henau.
De media ‘maken’ het nieuws. Ze bepalen wat in de aandacht komt. Ze bepalen de sfeer die rond geloof, spiritualiteit en kerk gangbaar is. Zij beïnvloeden de gevoeligheden van mensen terzake. TGL doet uiteraard mee in het medialandschap. Ofschoon de middelen waar dit tijdschrift over beschikt heel bescheiden zijn, wil het ten aanzien van de sfeer die rond geloven en spiritualiteit gecreëerd wordt toch proberen een eigen stem te laten horen.
Spiritualiteit
Het mag dan verwondering wekken - gezien o.a. het bedenkelijk imago dat de officiële woordvoerders van de kerk laten zien - spiritualiteit zit duidelijk in de lift. De term dekt tegenwoordig evenwel verschillende ladingen. Op zich een interessant fenomeen dat allicht typisch mag heten voor de cultuur waarin we leven. Terwijl het laatste waardeonderzoek de kerksheid tot een historisch dieptepunt ziet dalen, blijkt de speurtocht naar zin en diepgang helemaal niet uitgestorven. Begrijpelijk dat het uitgevers van boeken op ideeën brengt. Een gat in de markt! Over typisch christelijke spiritualiteit hoor je nauwelijks wat. Dus! De openingszin op Arts achterflap luidt zelfverzekerd : "Wat is dat: echte spiritualiteit?"
Een dergelijke slagzin intrigeert. Toch maar verdacht wanneer iemand zich opwerpt als de vertolker van ‘echte’ spiritualiteit. Het staat uiteraard iedereen vrij zich thuis te voelen in welke spiritualiteit dan ook. Niemand kan echter vermijden dat er kritische vragen gesteld worden. Dat vormt zelfs een onderdeel van wat TGL onder spiritualiteit verstaat.
Verankering in de cultuur
Deze publicatie "Over spiritualiteit" presenteert een visie terzake die ingebed ligt in een religieuze cultuur waarvan de bloeiperiode in het verleden gelegen is. Er is nauwelijks aansluiting bij het actuele levensgevoel. Men zou nochtans mogen verwachten dat iemand wiens intellectuele kwaliteiten zo hoog geroemd worden, als de laudatio van E. Henau (pp. 160-164) doet geloven, zich daarvan bewust zou tonen en bijgevolg ruimte laten voor andere invullingen van spiritualiteit. Geen spoor daarvan. De recente evoluties die de auteur schetst moeten blijkbaar zijn alertheid voor het veranderd levensgevoel laten zien. Enige inspiratie voor een nieuwsoortige spiritualiteit blijkt hij er niet te vinden. Integendeel, de hedendaagse levenssfeer lijkt voor hem enkel een aanleiding om zijn visie nogmaals te herhalen (zie hoofdstuk VI).
Deze publicatie hoort thuis in het soort religieus discours waarvoor mensen die op zoek zijn naar spiritualiteit hooguit de schouders kunnen ophalen. Het werkt vooral onverschilligheid in de hand. Meer nog, het wekt weerzin omwille van de betweterigheid die er voortdurend in doorklinkt. Enkel wie het vertrouwde geloofsmodel van vroeger nog eens bevestigd wil horen zal hier zijn gading vinden.
Enige openheid zou nochtans in het huidig klimaat waarin zoveel mensen zoekende zijn, de dialoog met andere levensbeschouwingen kunnen bevorderen. Ik wil in wat volgt enkele verbindingen leggen met een andere recente publicatie, afkomstig uit humanistische hoek. Bepaalde vragen die daar gesteld worden kunnen een actueel boek over spiritualiteit niet onberoerd laten.
Op zoek naar zin
Ik noem enkele weerstanden die opgeroepen worden door het uitgesproken besef van de meerwaarde van een gelovige visie die uit het boek van H. Arts spreekt. Er is om te beginnen het simplistisch gebruik van de correlatiemethode.Daarmee wordt, simpel gezegd, de methode bedoeld die er in bestaat het menselijk bestaan zo open te leggen dat het gezien wordt als een vraag naar zin en vervulling waar de goddelijke openbaring als antwoord op aansluit. Er is natuurlijk een en ander voor te zeggen dat de mens een wezen is dat zijn vervulling niet bij zichzelf vindt. De mens is op zoek naar geluk. Geen twijfel. Zeggen dat alleen God het antwoord is op die nood is echter een stap te vlug. Veel te vlug. Arts laat geen gelegenheid voorbijgaan om op een vrij nonchalante manier de meerwaarde van de gelovige levensvisie te poneren ten aanzien van de ongelovige. Irriterend is dat. Enkele citaten zijn toch wel erg sprekend in dit verband. Zo luidt het: "De(ze) mogelijkheid tot geluk is in de ogen van de gelovige veel groter, duurzamer en vollediger dan in de ogen van de ongelovige. Deze laatste zoekt zijn geluk immers noodgedwongen 'op korte termijn', binnen het bestek van zijn aardse leven. Een geluk dat dus uiterlijk met de dood in het niet verzinkt" (50) En nog: "Evenmin als Anna O. beseft de goddeloze wat (of wie) hij mist. Zoals Freuds patiënte heeft ook de goddeloze een fundamenteel verlangen verdrongen: het verlangen naar God. De huidige verdringing van het verlangen naar het Transcendente, Absolute of Goddelijke heeft vanzelfsprekend niets te maken met een preuts puritanisme, maar alles met een eenzijdig materialisme." (51)
Dit soort neerbuigende opmerkingen klinkt voortdurend door. Is dit geen blindheid voor het feit dat het atheïsme voor heel wat mensen een bewuste, rationeel doordachte optie is, waar moreel hoogstaande keuzes gemaakt worden en waar het zoeken naar diepgang en spiritualiteit helemaal niet afwezig is, integendeel. Het gelijk naar zich toehalen zoals H. Arts doet, is een immuniseringsstrategie voor de vragen die het atheïsme en agnosticisme te stellen hebben aan gelovigen. Een open dialoog zou juist een uitzuivering kunnen betekenen ten aanzien van bepaalde vormen van godsgeloof die mensen vervreemd hebben zowel van hun zelfontplooiing als van hun verantwoordelijkheid.
Confrontatie met lijden en angst
Wat heeft voor gelovigen God met het lijden te maken? De vraag kan niet ontweken worden. J. Kruithof stelt ze vanuit de onverenigbaarheid van de verschillende eigenschappen die aan God worden toegekend, met name zijn almacht en zijn algoedheid. Deze kunnen niet samengaan. Ze zijn in evidente tegenspraak met de realiteit van zoveel menselijk lijden. H. Arts staat een groots schema van harmonisering voor ogen. Veel problemen ziet hij niet. "Het christelijk geloof verklaart het lijden niet op een rationele wijze. Het doet iets veel belangrijkers: het helpt de mens zijn lijden te begrijpen als een middel tot grotere persoonswording en geestelijke verdieping."(113) Wordt deze verklaring als onvoldoende ervaren, dan worden de grote middelen ingezet, met name het beroep op eschatologische motieven: "God wil niet het lijden; God wil veeleer een wereld waarin mensen zich kunnen vervolmaken met het oog op een volmaakt en tijdloos geluk. Gods schepping - waarin goed en kwaad met elkaar vermengd blijken - werd door God bedoeld als het ideale milieu waarin mensen zich kunnen vervolmaken met het oog op hun eeuwige bestemming. Mocht deze eeuwige bestemming - dus de verrijzenis - een illusie zijn, dan zou het lijden een noodlot zijn, dat als een tragedie slecht afloopt." (114) Ook voor het overwinnen van de bestaansangst is, volgens de auteur, het geloof in God hét probate middel (Hoofdstuk VIII).
Niemand zal ontkennen dat een gelovige levensvisie ook een psychisch heilzaam effect kan hebben. Dat is nogal voor de hand liggend. Daarmee biedt men echter geen oplossing voor de toch reëel bestaande dramatische kant van het leven waarbij de levenszin van mensen fundamenteel kan worden aangetast. In zo’n situaties bieden dergelijke platitudes geen soelaas. Er zijn mensen die niet in staat zijn om zich aan iets of iemand toe te vertrouwen. De geruststellende verwijzing naar God als diegene die geborgenheid biedt, klinkt ongeloofwaardig.
De godsvraag opnieuw aan de orde
Er zijn niet alleen het vertrouwen en het geloof. Ook andere levenshoudingen komen voor. Het lijkt de auteur nauwelijks enige beschouwing waard. Dat daarmee fundamentele vragen ontweken worden, blijft buiten het gezichtsveld. Spiritualiteit lijkt enkel te vinden bij gelijkgezinden, niet in dialoog met eerlijk zoekende andersdenkenden. Zo wordt het gelovig taalspel steeds meer een ‘wereld op zich', een eigen discours, dat steeds minder op het leven inhaakt.
Het weze gezegd dat de visie die H. Arts hier voorstelt met betrekking tot lijden en angst niet (meer) representatief is voor de hoofdstroom van het huidig theologisch denken. Over het algemeen is de geloofsreflectie in deze materie gekenmerkt door schroomvolle omzichtigheid. De confrontatie met het massale onrecht en het immense lijden dat we in onze dagen zoveel duidelijker te zien krijgen, legt een respectvol zwijgen op. Daarbij is elk getheoretiseer ongepast. De man Job wordt in herinnering geroepen. De intuïtie die in de negatieve theologie ligt ingebed, komt opnieuw ter sprake. Over God kunnen we eigenlijk geen affirmatieve uitspraken doen. Je kunt beter proberen het mysterie respectvol te evoceren door een opeenvolging van negaties (dit en dat is het niet). Het nieuwe theologisch klimaat wordt gekenmerkt door grote omzichtigheid. Niet door forse bevestigingen van wie of wat God is.
Kloosterroeping
Vanuit de opdeling van de werkelijkheid in natuur en bovennatuur, zoals deze vroeger gangbaar was, vloeien een aantal consequenties voort voor de manier waarop men zich de relatie tussen God en mens voorstelt. Dit komt op een uitdrukkelijke wijze aan bod waar Arts het heeft over de roeping tot het religieuze leven. Het heet dat God mensen kan roepen tot deze vorm van religieus leven waar dit rationeel gezien niet zomaar te verdedigen is. Omdat God wel beter weet (aldus de auteur!). Het eigen discours dat daaruit volgt, is duidelijk voelbaar in het volgend citaat: "Maar wijst het niet op een acuut gebrek aan geloof, wanneer men bij het beoordelen van een kloosterroeping zo eenzijdig de nadruk legt op wat de geroepene wist of niet wist, alsof God zelf intussen niet wist waarom Hij dit meisje ogenschijnlijk zo vanzelfsprekend tot zich riep? (... ) De echtheid van een roeping - en bijgevolg de plicht tot trouw - is niet gebaseerd op een nauwkeurige kennis van sociale, psychologische en karakterologische omstandigheden, hoe noodzakelijk deze ook mogen wezen, maar op het Mysterie van Gods roep." (99-100) Je waant je in de jaren vijftig. Of vroeger. Enig gevoel voor de theologische vraagstelling die door de secularisatie is opgeroepen is gewoon niet omtrent. Het ziet er opnieuw naar uit dat Gods wegen zich helemaal niets gelegen laten aan de inzichten die gegroeid zijn in de menswetenschappen. Vroom klinkt dat. Er bestaat inderdaad een spiritualiteit die zich liever afzijdig houdt van dit soort vervelende vragen en vooral op zoek is naar geborgenheid en veiligheid. Het knusse knuffelbeergeloof. Het kent zelfs een heropleving in bepaalde nieuwe vormen van lekenspiritualiteit en in bepaalde religieuze gemeenschappen. Ik kan me indenken dat een bepaald type mens zich aangetrokken voelt tot dit soort spiritualiteit. Het is niet een spiritualiteit die midden in het leven wil staan, maar één die de confrontatie met de vandaag levende vragen liever vermijdt.
Leven na de dood
Van atheïsten en agnostici die zich in het gesprek over geloofsthema’s wagen, mag je verwachten dat ze op de hoogte zijn van de geëvolueerde visies terzake - dat geldt natuurlijk des te meer voor een geloofsverdediger als H. Arts. Ter informatie mag erop gewezen worden dat de actuele visies die hieromtrent circuleren in kringen van gelovigen in geen geval kunnen samengevat worden onder de hoofding van de 'onsterfelijkheid van de ziel'. De uitdrukking komt niet eens voor in de officiële geloofsbelijdenis. Ofschoon het ontegensprekelijk lange tijd in veel gepopulariseerde vormen van geloofsoverdracht op die manier is doorgegeven. En het is ook waar dat de onsterfelijkheid van de ziel voor Vaticanum I (1870) nagenoeg een vaststaand feit was. Maar dan ligt er reeds een hele periode achter ons die ons verwijdert van de bijbelse geschriften, waar die visie zeker niet dominant is.
Daarom is het ook zo spijtig dat we bij Arts geen gedegener visie beluisteren. Volgend citaat geeft de algemene toon aan waarmee hij over verrijzenis spreekt: "Hoezeer men het historisch karakter van Christus' verrijzenis de laatste jaren ook op de helling moge geplaatst hebben om dit gebeuren tot een louter symbolisch of existentieel verhaal af te zwakken: in de verrijzenis heeft Christus de dood niet alleen onschadelijk gemaakt maar ook ten volle gevaloriseerd als een topmoment van het menselijk bestaan. Wat de moderne heiden taboe verklaarde, is voor de christen de aanloop geworden naar het hoogfeest van Pasen." (127) Gesprek en verduidelijking zouden veel kunnen bijdragen tot een uitzuivering van de christelijke geloofsovertuiging. Het zou vooral de banalisering van het paasgeloof kunnen vermijden, waardoor de sfeer van gelovige overgave ontaardt tot een zeker weten. Het zou ook een uitdaging kunnen betekenen voor exegeten en
theologen om de fameuze uitspraak van Paulus die zo vaak en gretig door bepaalde mensen geciteerd wordt, kritisch te bevragen: "Indien wij enkel voor dit leven onze hoop op Christus hebben gevestigd, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen. Maar zo is het niet! Christus is opgestaan uit de doden, als eersteling van hen die ontslapen zijn" (1 Kor. 15, 19-20). Men heeft binnen kerkelijke kringen altijd van hoog tot laag beweerd dat het hier niet zomaar om een of ander geloofspunt gaat naast zoveel andere. Neen, het betreft hier werkelijk de essentie, heet het. Daarom juist is kritisch onderzoek en duidelijke communicatie hier op zijn plaats. Dat lijkt me een uitdaging, vooral omdat men in bepaalde kringen de neiging vertoont om de Paulustekst op een bijna fundamentalistische manier er bij te halen.
Het autonome, vrije denken
Bij Arts’ stijl wil ik niet langer dan nodig stilstaan. Zowat om de halve bladzijde citeert Arts een filosoof, theoloog of een of ander geleerde. Meestal met een enkele zinsnede. In veel gevallen kon die net zo goed afkomstig zijn van Piet Janssens of Maria Vandevelde. Of de uitspraak "niemand wordt geboren zonder culturele bagage" (84) meer gewicht krijgt omdat ze afkomstig is van P. Ricoeur is mij niet zo direct duidelijk. Met dit kaliber van citaten worden vele bladzijden in het boek van Arts gevuld. Het werkt vooral irriterend omdat op die manier een indruk van geleerdheid wordt geëtaleerd die inhoudelijk nauwelijks een toegevoegde waarde heeft. Of keren we terug naar de scholastieke auctoritas-argumentatie? (wat gezagsvolle figuren ooit hebben gezegd moet gerespecteerd worden, meer nog, het kan als argument in een betoog worden ingeroepen). Laten we ons maar door atheïsten en agnosten de waarde van het autonome, vrije denken in herinnering brengen.
De manier waarop de media geloof en spiritualiteit aan de orde stellen roepen nieuwe geloofsverdedigers van het kaliber van Ernest Henau in het leven. Maar of zij het christendom een dienst bewijzen door boeken als dat van Herwig Arts media-aandacht te schenken is maar de vraag.
Reageren
op bovenstaand artikel kan door onderstaand formulier in te vullen en op de knop
verzenden te klikken.
Indien gewenst, wordt uw reactie anoniem op de website geplaatst (als u het
vakje "Graag anoniem" aankruist). We vragen wel je bekend te maken aan
de TGL-redactie door het vak "Naam" in te vullen.