HET VERBORGEN BEKKEN VAN LEVEND WATER
Over spirituele draagkracht
(integrale versie)
| Edward BUYSSE |
|
Willen wij
het in onze verwoestijning met zijn spirituele en religieuze erosie en
leegte uithouden, dan moeten wij meer dan ooit tevoren opnieuw weten
waar het leven zich nu afspeelt. Je komt zo tot het besef en inzicht,
dat het vandaag cirkelt rondom twee sleutelwoorden: verdieping en
herstel van onze christelijke en religieuze geloofsgemeenschap.
En dat heeft alles te maken met het inzicht dat niet het eindpunt van
onze woestijntocht belangrijk is, maar wel onze tocht zelf. Het eerste
woord verdieping van eigen leven en roeping laat aanvoelen, dat
wij allen op dit moment van onze geschiedenis diéper moeten peilen en
boren om authentiek spiritueel leven te vinden. Het tweede woord herstel
van christelijk en religieus leven geeft aan dat zowel onze cultuur
als onze hele geloofsgemeenschap van jou en van mij vraagt om genezende
tegenkrachten. Het gaat er dus voor ieder van ons, christenen van
vandaag, om aan onze tijd van verwoestijning en vergrijzing een
persoonlijk antwoord te geven en wel vanuit onze binnenkant.
Bovenstroom en onderstroom Beelden zijn krachtiger dan woorden. Ze gaan tot over de grens waar woorden niet meer verder kunnen. Meer dan woorden laten beelden ons ten diepste voeling krijgen met werkelijkheden die schuilen in en achter de werkelijkheid waar wij dag in dag uit leven. Mystici, geestelijke schrijvers en dichters grijpen daarom altijd weer naar beelden om spirituele waarheden en werkelijkheden uit te drukken, die zij op een persoonlijke wijze zien of innerlijk ervaren. Zij roepen ze als met leven bezield op. Elke zee, ieder meer of beekje heeft zowel een bovenstroom als een onderstroom. De bovenstroom is de stroming van het water aan de oppervlakte tot op een grenslaag van enkele meters of centimeters naargelang diep of ondiep water. De bovenstroom stroomt altijd vlugger, is feller en onstuimiger dan de onderstroom. Alles wat zij in haar vaart tegenkomt, trekt en sleurt zij met zich mee. Haar vaart is werkelijk niet te stuiten. De onderstroom daarentegen is de stroming onder de grenslaag. Zulk een stroming is heel rustig, trekt of sleurt niets met zich mee en heeft geen hinder van wat bovenstrooms gebeurt. Van zodra er een storm opsteekt, zwemt de vis dan ook onmiddellijk naar de diepere laag van het water en laat bovenstrooms de storm zijn vrij spel spelen. In de onderstroom voelt de vis zich veilig. Hij kan er rustig heen en weer zwemmen. Hij weet, dat hij door de bovenstroom niet kan meegetrokken of meegedreven worden. Hoe laat Huub Oosterhuis het ons zingen? "Wek mijn zachtheid weer. Geef mij terug de ogen van een kind. Dat ik zie wat is, en mij toevertrouw." De vis? Hij vertrouwt zich toe aan het water van de onderstroom. De vis die wij zijn, leeft en zwemt thans in het water van verwoestijning en vergrijzing van christelijk en religieus leven. En boven ons aan de oppervlakte van het water, is er die bovenstroom: die buitenkant van verwoestijning en vergrijzing. Die buitenkant dreigt ons mee te sleuren en te brengen daar waar wij geen lucht meer hebben en wij uiteindelijk verstikken. Maar neen, zegt de vis, ik wil mij niet laten meedrijven door de bovenstroom Ik zoek mijn veiligheid, mijn sterkte en rust in de onderstroom van verinnerlijking en diepgang van leven en roeping. In de diepte van mijn binnenkant. De vis springt wel soms nog even naar de oppervlakte om voeling te blijven houden met de bovenstroom, maar niet voor lang. Zijn enige plaats en thuis is immers in de diepte van de onderstroom van verinnerlijking en diepgang. En zo zwemmen wij allen thans voor ons leven en roeping, zoals ooit de woestijnvaders en woestijnmoeders in hun tijd dat hebben moeten doen. Als je uiteindelijk er dieper op ingaat, ligt ons hele leven en onze roeping middenin die verwoestijning en vergrijzing van vandaag gespannen tussen bovenstroom en onderstroom, tussen buitenkant en binnenkant. Druppels doen ertoe Meteen zien we nu ook waar het grote gevaar schuilt voor onze christelijke verwoestijning: in een zeker dogmatische afstandelijkheid en onverschilligheid, verbonden met een veel te sterke beklemtoning van het doen aan onze buitenkant. Van het bijna eindeloos en afmattend redeneren over wat moét en niet mág en niet kán gedaan worden. Veel belangrijker is de persoonlijke inbreng vanuit onze eigen binnenkant. Vanuit ons persoonlijk zwemmen in die onderstroom van verinnerlijking en diepgang. En als dat zo niet is, dan verwatert ons christelijke of religieuze leven en vormt het een bedreiging voor de spirituele vruchtbaarheid van onze gezamenlijke woestijntocht. Ik heb helemaal niets tegen het doen en evenmin tegen het zoeken naar en het bespreken van mogelijke verbeteringen en oplossingen. Wat ik enkel maar wil benadrukken is dit: al ons doen aan de buitenkant verschrompelt onherroepelijk, indien het niet onophoudelijk een hernieuwde inspiratie ontvangt vanuit een contemplatieve onderstroom. Zoniet loopt het het gevaar te verworden tot gewoon instrument van de bovenstroom in plaats van orgaan te zijn van herstel en spiritueel reveil van christelijk en religieus leven. Als we rustig en aandachtig rondom ons kijken, zien we heel goed dat christelijke en religieuze erosie en leegte van alle kanten hun vinger naar ons uitsteken. In eerste instantie gaat daar een soort van verlammende werking van uit en geeft het ons een beklemmend gevoel. Willen we die verlamming en dat beklemmend gevoel doorbreken en komen tot een meer positieve houding tegenover deze situatie, dan moeten we die heel rustig en realistisch onder ogen durven en kunnen zien. En dat betekent: onze verwoestijning en vergrijzing aanvaarden als een realiteit. Aanvaarden betekent voor mij niet het aanvaarden van iets als een lot. Protest en verzet mogen ook aanwezig blijven bij zulk een aanvaarden, ja, worden er hopelijk zelfs door verdiept. Zulk een aanvaarden heeft dus niets te maken met fatalisme, met het hoofd zomaar in de schoot te leggen. Het is eerder uiting van een actieve levenshouding. En dan is er nog iets, dat we evenmin uit het oog mogen verliezen. In de verwoestijning en vergrijzing van onze christelijke en religieuze geloofsgemeenschap van vandaag, overkomt ons eigenlijk niets vreemd . In de loop van de geschiedenis van onze geloofsgemeenschap, hebben al eerder talloze christenen een tocht door de woestijn moeten afleggen. En als tegenreactie op de verwoestijning van hun tijd, waren ook zij aangewezen op de genezende tegenkrachten van hun binnenkant: verinnerlijking en diepgang van eigen leven en roeping. Zij zagen het als een druppel in de zee van hun wereld en geloofsgemeenschap van toén: zonder die druppels, wisten zij, is de zee niet compleet! Woestijnwinst In India zeggen ze dat de slang haar oude huid niet van zich af scheurt. Op het juiste tijdstip en na een pijnlijk uitzuiveringsproces aan haar buitenkant, schudt de slang haar huid los, zoals je uit een jas glijdt. De slang moet die uitzuivering gewoonweg aan zich laten gebeuren: alleen op die voorwaarde krijgt ze een heel nieuwe huid. Op dezelfde manier worden wij allen door onze verwoestijning en vergrijzing uitgezuiverd, gelouterd. Loutering, uitzuivering hoort bij verwoestijning en vergrijzing. In elke vorm van woestijn vindt iets plaats van desintegratie, van een beproeving van oude zekerheden en van een loslaten van valse pretenties en illusies. Een uitzuivering van alles wat niet authentiek of echt waardevol is. Dat veroorzaakt altijd pijn, zoals bij de slang voor haar nieuwe huid, maar op voorwaarde dat wij het echt willen ondergaan levert het ook altijd winst op: woestijnwinst. Als we geduldig doorzetten, zien we gaandeweg de winst van het verlies. Als iets echt waardevol is, zal het immers in deze uitzuivering vast en zeker overleven. Waarom dan zouden we onze christelijke verwoestijning en vergrijzing niet eens vanuit dát gezichtspunt van woestijnwinst bezien? Misschien is het nog niet zo slecht dat onze christelijke en religieuze geloofsgemeenschap weer zoals in het allereerste begin wordt teruggebracht tot een marginaal verschijnsel, een beweging ergens aan de onderkant van de samenleving zonder macht en pretenties: opdat op deze wijze haar dienstknechtgestalte weer kan oplichten en ook haar onvoorwaardelijke mededogen. Misschien is het wel goed om een tijdlang weinig te hebben om op terug te vallen, opdat we weer zouden leren inzien dat ons geloof en onze roeping geen bezit is van ons, maar wel een geschonken vertrouwen van Jezus waar wij op in mogen gaan. Misschien is het wel goed om een tijdlang leegte en spirituele verschraling mee te maken, opdat we misschien op den duur heel andere waarden zouden ontdekken dan die waar we zolang bij hadden gezworen. Breuklijnen vragen herbronning Met de dag dringt het dieper en dieper tot mij door dat de verwoestijning en vergrijzing van christelijk en religieus leven waarin wij thans leven voor ons een tijd is, waarin wij, wellicht méér dan ooit tevoren, op zoek moeten gaan naar het essentiële, naar het meest wezenlijke en blijvende van ons christenzijn, naar het verborgen bekken van levend water. Dit is werkelijk de tijd om de vijgenboom in de tuin van ons leven en onze roeping te onderzoeken en te zien of hij vruchten draagt. Als hij alleen maar de grond dreigt uit te putten, kan ik maar hopen te herontdekken hoe ik de grond eromheen weer vruchtbaarder moet maken. Ernaar op zoek gaan gaat gepaard met loslaten en laten wegvloeien van heel veel bijkomstige dingen die ook hun zin, nut en betekenis hebben gehad. Het is duidelijk dat ieder van ons thans voor de uiterst dwingende noodzakelijkheid staat van een diepgaande herbronning van eigen leven en roeping. Wat is die herbronning nu precies? Het betekent dat ik in mijn leven en roeping van vandaag op zoek ga naar mijn authentiek geestelijke wortels, naar mijn spirituele 'aarde' en die als het ware door een zeef giet om zo te onderscheiden tussen kaf en koren, hoofd- en bijzaken, inhoud en verpakking. Om zo te komen tot een uitzuivering van mijn manier van zijn en doen, spreken, denken en handelen, zodat die weer gaan aansluiten bij de oorspronkelijke en bevrijdende bedoeling van Jezus zelf. Dat vraagt van mij niet zozeer vaardigheid dan wel wil en moed om me open te stellen voor kritiek én zelfkritiek. Het vraagt van mij spirituele draagkracht. Het is en blijft mijn diepste overtuiging dat een christelijke en religieuze herbronning in een tijd van breuklijnen dwingender is dan ooit. In een cultuur van christelijke en religieuze verwoestijning en vergrijzing, waarin heel diep geestelijk geladen woorden leeglopen, aloude vormen en tekenen niet meer aanspreken en verwaaien, verwarring om zich heen grijpt, in zulk een tijdsklimaat geldt het dubbele gebod dat aan elke herbronning verbonden is: de kern stevig vasthouden en de manier van spreken over die kern onderwerpen aan een authentiek én eigentijds proces van herwaardering. En die kern is: de verrezen en levende Jezus en alles wat rondom hem en zijn boodschap van liefde en vrede draait. Zulk een herbronning, vermoed ik, zou wel eens dieper en radicaler kunnen en moeten zijn dan wij nu nog denken. Van dood naar verrijzenis De mannen en vrouwen die, zoals onze vis, thans zwemmen in het water van verinnerlijking en diepgang van leven en roeping, verrijzen tot niéuw leven. Zij doen het meestal en voorlopig kleinschalig, in kleine groepen waarin hun geloof in Jezus levend wordt gehouden. In het netwerk van contacten tussen mensen van over de hele wereld en geloofsgemeenschap: een netwerk dat groeiende is. In het zich aftekenen van een soort wereldgeweten in bijvoorbeeld organisaties als Amnestie International, Greenpeace of de antiracismebewegingen. In basisgroepen en in de vrouwenbeweging. In leerhuizen en cursussen of in het zoeken naar nieuwe vormen van meditatie en gebed. In buurtwerk, in de opvang van vluchtelingen en medelanders. In de gewone trouw aan mensen en in de emancipatie van de homo's. In het conciliair proces en in wereldwinkels. In de gelijkheid tussen man en vrouw. In de energie van en in de belangrijke rol die ouderen spelen. In allen die anderen laten gedijen in liefde. In allen die tegen de stroom op durven roeien en durven protesteren. In allen die ondanks alles gestalte geven aan het geloof dat wij niet machteloos zijn omdat er al eens Iemand in ons midden is opgestaan, voortleeft en ons voorgaat in onze woestijntocht. Het getuigenis van zulke mannen en vrouwen bestaat erin, dat zij ons laten zien dat de woestijn bij uitstek de plaats is om van dood te komen tot verrijzenis. Het is een moeilijke weg die zij gaan, en niet altijd loopt het langs goed gebaande wegen. Soms lijkt het zelfs alsof zij op een zijspoor lopen en voorlopig is dat nog zo. Maar zij houden vol, zij zwemmen verder. En al zwemmend, zoals onze vis in zijn onderstroom, zingen zij hun paaslied voor de verrezen en levende Jezus . |
| © TGL - 2002 |
Reageren
op bovenstaand artikel kan door onderstaand formulier in te vullen en op de knop
verzenden te klikken.
Indien gewenst, wordt uw reactie anoniem op de website geplaatst (als u het
vakje "Graag anoniem" aankruist). We vragen wel je bekend te maken aan
de TGL-redactie door het vak "Naam" in te vullen.