dan verliefdheid.
Want verliefdheid, daar gaat het over en daar
vvindt het geen doekjes om. Het bezingt de liefde tussen een joods
meisje en een joodse jongen. Dat meisje wordt gesitueerd in de tijd van
Koning Salomo. Deze koning dong naar de hand en naar het hart van het
meisje, dat tijdelijk aan het hof verbleef. Maar al de luxe van dat hof
deed haar nooit haar eerste minnaar vergeten. Uiteindelijk moest de
koning erkennen dat hij de strijd verloren had en het meisje kreeg
verlof om terug te keren naar haar land en haar beminde.
Ik ben grootgebracht in een tijd waarin
verliefdheid niet bestond of in elk geval volledig werd verdonkeremaand.
In de kloosterschool waar ik verbleef, waren alleen maar mannen en
jongens. Ergens leefden nog wel wat zusters. Die hadden de zorg voor de
keuken en de ziekenboeg. Maar zij woonden in een geheimzinnig achterhuis
en waren bovendien gehuld in zoveel draperieën en hoofddoeken, dat je
niets te zien, laat staan te betasten had. Ik ben dus groot geworden
zonder ooit echt verliefd te kunnen raken, behalve in wat dromen of
fantasieën, maar die waren meer voedsel voor de biecht dan voor mijn
eigen hooglied. Daarom maakt het mij huiverig om over verliefdheid iets
te zeggen. Toch wil ik het wagen om over verliefdheid iets te mompelen;
ik ben uiteindelijk niet de eerste noch de enige die spreekt als een
dwaas: groten zijn mij voorgegaan.
Erotiek als deel
van het leven
Over verliefdheid dus twee, misschien wel
aanvechtbare bespiegelingen.
In het gedicht komen woorden voor als:
"zoenen, samen slapen, mooi meisje, hals en wangen, borsten, ogen,
wimpers, o dat ik in zijn armen lag, omhelzen, haar in lokkende golven,
lippen, je hemd uitgetrokken, vlammen, liefde sterk als de dood,…"
Een hele waterval van erotiek, een litanie van lichamelijkheid.
Wat is dat: erotiek, eros? Bij de oude Grieken
was erotiek, de grote Eros een god. De Sophia, de wijsheid, had bij hen
met de Eros te maken. De wijsheid is daar een Geliefde, een Vrouw met
een hoofdletter, 'une belle Dame'. Wij mogen haar het hof maken, hoofs
om haar hand dingen. 'Ik zocht de Wijsheid' is hetzelfde als 'ik zocht
mijn lief'. Er is iets erotisch in dat dingen om wijsheid.
Wij hebben ons lang verbeeld dat eros iets voor
achterkamers is, iets voor de vinger op de mond en een blos op je
wangen. De oude teksten zijn daar prikkelender over, zij verdoezelen
niets, en zij weten van de noblesse en de heerlijkheid van het lichaam.
Een mens is mooi, durven zij zeggen, hoe jong of hoe oud ook. Het is
heerlijk om 's zomers op een terrasje te kunnen zitten en onverzadigd te
kijken naar al dat moois dat om je heen flaneert. Die ervaring, die
zachte opwinding heeft een louterende werking, de Grieken noemden dat:
katharsis. Het zien van en het ordenen in beelden van allerlei,
geheimzinnige en soms even opwindende gevoelens, - dit kan een mens niet
alleen niet missen, dat maakt hem of haar pas echt tot mens. Is het hier
in de Dominicuskerk 's zomers als de zon ons warmt, niet opener en
paradijselijker dan 's winters met al die truien en sjaals en
regenjassen? Het Hooglied leert ons, dat de wereld van huid en haren is
en van borsten en lendenen en dat het goed is zo, dat dit genot is en
genade.
Verliefdheid
is een ander naam voor het eeuwige
Over het tweede dat ik wil zeggen, ben ik nog
beschroomder. Wie de teksten en vooral het tussen-de-woorden van de
Schriften durft te proeven, kan geen andere conclusie trekken dan deze:
in het geloofsinstinct van de heilige boeken heeft verliefdheid een
naam. Die wordt voor het eerst uitgesproken ergens bij een braambos, in
de onverhulde natuur, en die luidt: ik ben er voor jou. 'Ben', 'zijn' is
in de Schriften nooit abstract of wijsgerig, het is altoos een relatie:
zijn naar iemand toe; niet zomaar bestaan, maar gekeerd zijn, omgedraaid
zijn naar iemand toe. in de Schriften is verliefdheid een andere naam
voor de Eeuwige. God zelf is de Verliefde bij uitstek, die achter een
boom loert naar Zijn liefje, en dat liefje - god betere 't - ben ik. God
is weg van mij, en van jou, van iedereen. Een diepzinniger en verhevener
beeld dan dat van een verliefde God is sindsdien nooit meer gevonden. De
Schrift en met name het Hooglied is daar zeer stellig over en zonder
dralen.
Ik vermoed dat zij gelijk hebben. Wij zijn
wonderbaarlijke wezens. Wij noemen onszelf Jantje of Pietje of Marietje,
maar in feite zijn wij een optelsom van wat eindeloos veel mensen aan
ons, aan mij en aan jou hebben gedaan. Mijn werkelijke leven is niet
deze bloedsomloop of wat er allemaal binnen dit vel gebeurt. Mijn
werkelijke leven zit in het ingaan en uitgaan buiten mijzelf, in het
woorden spreken naar iemand toe of in het toegesproken of soms gestreeld
worden door iemand. Mijn waarachtige leven ligt buiten mijn lijf, het is
osmose met mensen, ik leef pas echt als ik bij de ander ben of zelfs in
de ander en die ander in mij. De Schrift zegt onverbloemd: dat is de
Eeuwige. Dat je niet bij jezelf kunt zijn, maar voortdurend en soms
onweerstaanbaar getrokken wordt en trekt naar iemand anders. Erotiek is
een vinger van die Goddelijke aantrekkingskracht. En als ik het zie of
tast of alleen maar droom, is de Eeuwige in mij doende. God zij daarom
geprezen en gedankt voor de kus en de streling en de oogopslag en de
schouderklop en de verwondering en de warmte. Ik vermoed, maar ik durf
het nauwelijks zeggen: Hij is nergens zo aanwezig als daar.