- Juffrouw,
Jezus is een homo! Met deze uitdaging opent een leerling de eerste
les die ik als docente LeVo (Levensbeschouwelijke vorming) geef aan het
Vmbo (Voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, vroeger heette dat de
lagere technische school en de huishoudschool). Dat het een bondige
samenvatting is van een aantal opvattingen en misvattingen over het vak
bij 15-jarigen, zal snel genoeg blijken in de lessen die volgen.
Mijn antwoord is eruit zonder na te denken:
- Ik weet het niet, jongen. Daar was ik
niet bij…
Een verbaasde blik is mijn beloning. Dus vol goede moed ga ik verder met
de discussie.
- Maar ik geloof niet, dat jij bedoelt
dat Hij het met mannen deed, of wel?
Nu heb ik ook de aandacht van de rest.
Er wordt wat gegiecheld en vragend gekeken. Dit is toch LeVo? Dit soort
taalgebruik verwachten ze blijkbaar niet.
Een andere leerling voelt zich nu ook geroepen om een steentje bij te
dragen.
- Nee, maar hij was gewoon saai. Hij was
zo braaf en deed nooit iets fout. Dat is toch niet normaal?
Ik zie wel hoe dit een punt is voor
jongens van 15 die bovenal stoer willen zijn en al een lange
schoolcarrière vol onvoldoendes achter de rug hebben.
- Ja, mensen hebben soms wel een hele
brave Hendrik van hem gemaakt. Maar denk jij dat het saai is als ze je
aan een kruis spijkeren? En denk je dat ze dat deden omdat Jezus zo’n
braverik was?
Er wordt wat gegrinnikt. Einde
discussie, de aandacht is weg. Ze wilden het namelijk helemaal niet over
Jezus hebben; ze wilden alleen even de juf testen.
LeVo of godsdienstles
Deze kleine interactie illustreert een aantal
zaken. Vooreerst: alle theorieën van de catechetiek ten spijt,
verbinden leerlingen LeVo nog altijd zonder aarzeling met het
christelijke geloof. Het is voor hen eigenlijk godsdienstles.
Vervolgens: geloof wordt automatisch geassocieerd met wereldvreemd
gedrag. Het is niet ‘normaal’. En tenslotte: ze komen zelden of
nooit in de kerk en toch zijn ze op de hoogte van haar zwakheden: een
afkeer van het lichamelijke en hypocrisie.
Het eerste punt besluit ik meteen aan te pakken. Ik wil ze duidelijk
maken, dat ik niet de christelijke leer kom opleggen. Dus vraag ik:
- Wat betekent het woord ‘levensbeschouwing’
eigenlijk?
- Ja, Jezus en God en zo …. proberen
ze nogmaals.
- Nee, jongens, het woord. Kijk daar nou
eens naar.
- Dat hebben we vorig jaar al gehad!
roept er eentje.
- O ja, en wat betekent het dan?
- Iets met zinvragen.
- En wat zijn zinvragen, dan?
- Ja, dat weet ik niet meer, hoor!
Goed, ik ga weer terug naar het woord,
hak het op het bord in twee stukken.
- Leven, dat weten jullie wel. Maar wat
betekent beschouwing? Ik beschouw.
Gefronste wenkbrauwen en stilte.
- Als ik nou zeg, "ik beschouw
Amsterdam als een fantastische stad", wat bedoel ik dan?
- O, dat je het leuk vindt!
- Dus, wat is dan levensbeschouwing?
- Dat je het leven wel leuk vindt!
brult er eentje.
Okay, ik ben te abstract geweest. Beginnersfout. Dus ik help ze.
- Nee, levensbeschouwing is hoe je het
leven beschouwt, wat je ervan vindt, hoe je er tegenaan kijkt. En ook
als je niet in God gelooft, heb je dus een levensbeschouwing. En daar
gaat het hier om, wat jullie mening is over het leven.
Tot zover willen ze me volgen.
Doorpraten over hoe een mens nou aan zo’n mening over het leven komt,
levert niet veel op. Ze hebben een mening van zichzelf, vinden ze. Dat
die verandert door de dingen die je meemaakt, daar zijn ze het nog wel
mee eens. Dat vrienden je mening mee vormen, vinden ze al veel minder
herkenbaar. Dat ouders en maatschappij er iets mee te maken hebben, is
al helemaal niet bespreekbaar. Over ideeën praten, kunnen ze niet goed.
Het wordt ze al snel te abstract. Hun mening uiten ze in korte,
ongenuanceerde kreten. "Gewoon, omdat ik dat vind", is meestal
het laatste argument. Verder lijkt er ook een zekere angst te spelen dat
ze in de les iets zullen blootgeven van zichzelf, waarmee ze in de pauze
voor paal staan. Dat zie ik bijvoorbeeld gebeuren als ik ze voor de klas
een korte presentatie laat geven, waarbij ze niet meer hoeven te doen
dan 3 minuten hun eigen mening te formuleren over hoe belangrijk
uiterlijk is voor mensen aan de hand van een aantal vragen (Mag bloot in
de reclame?, Opmaken doe je dat voor jezelf of voor een ander? etc.). Ze
vinden dit doodeng. De grootste braniemakers worden het meest
zenuwachtig. Er wordt gemompeld en onhandig gedraaid voor de klas. Ze
willen niet praten. Nog niet? Eerst nog testen wat voor vlees ze in de
kuip hebben? Ik laat het voorlopig maar zo.
Geloven is wereldvreemd
Die eerste lessen lijken vaak meer op leeuwen
temmen dan diepe gesprekken over zinvragen.
Ik vraag me met verbazing af, wie verzonnen kan hebben dat theologie
hiervoor de juiste opleiding is. Meer heb ik geleerd van het opvoeden
van onze (grote) honden. Ze zijn altijd sterker en niet gevoelig voor
een goed gesprek. Maar wel voor wat je uitstraalt, wat je werkelijk
bedoelt, wie je bent. Ze willen dolgraag van je horen hoe het nu verder
moet, maar willen dat je die volgzaamheid verdient, dat je bewijst dat
je die waardig bent. Wat je van ze verlangt, moet ook passen binnen hun
belevingswereld, ‘normaal’ zijn. Ze vragen om een veilige ruimte
waarbinnen ze kunnen leven. Stevige grenzen, die stand houden ook als je
er met al je kracht tegenaan duwt. Vaste grond onder de voeten, geen
gezweef.
Keer op keer willen leerlingen van mij weten of ik geloof en dagen ze me
uit over het kruisje dat ik altijd zichtbaar draag. Mijn antwoorden zijn
eerlijk, maar zonder uitwijding. "Ja, ik geloof." Ik ga ook
niet in op de uitdaging. "Nee, ik wil geen nieuw kruisje. Ik ben
heel tevreden met dit." Een van onze pleegkinderen heeft eens
verbaasd opgemerkt, "Ga jij naar de kerk en jij bent zo vlot…"
Voorlopig is mijn enige bericht, dat ik geloof maar niet wereldvreemd
ben.
Het voelt alsof ieder woord dat ik zeg over geloof er een te veel is. Ze
houden me als haviken in de gaten. Gaan er in het begin van uit dat ik
uiteindelijk toch een braverd zal blijken. Een aardig voorbeeld: Een
groepje achterin zit verschrikkelijk te klieren. Ik haal de Bijbel uit
mijn tas en houd hem de lucht in. Ze kijken op. Ik vraag:
- Kennen jullie dit boek?
De hilariteit is enorm. Daar komt
eindelijk de aap uit de mouw: ze gaat het over Jezus hebben! Maar ik
vraag:
- Weten jullie hoe lang het duurt om die
over te schrijven?
Verder niks. Het wordt onmiddellijk
stil. Ik kan alleen maar laten zien dat ik hardop zeg "ik
geloof" en toch verstand heb van computers, woorden als shit
gebruik en ook nog eens gemeen uit de hoek kan komen. Dat ik kinderen en
een man heb, helpt ook. Dan ben ik in ieder geval geen oude vrijster,
want wie niet aan seks doet, is niet normaal voor vrijwel alle
pubers.
De boodschap zal moeten zitten in wie ik ben en niet in wat ik zeg. Ze
zijn heel erg gevoelig voor de authenticiteit van mijn gedrag. Ze willen
geen heilig boontje, ze willen geen hypocriet, ze willen niet iemand die
meteen met de andere wang klaar staat. Daarvoor hebben ze totaal geen
respect. Langzaamaan kunnen we af en toe ook een grapje maken over het
geloof. Zo was er op een dag wel erg veel onrust is in een bepaalde hoek
van de klas met veel uitroepen als ‘Jezus!’ en een enkele vloek. Ik
zei tegen ze dat er wel heel veel gebeden wordt en dat nog wel door
kinderen die zeggen dat ze niet geloven.
Geloof opleggen heeft geen zin. Ik kan alleen hopen dat er soms een
vraag komt. Dat doen ze alleen één op één of in een heel klein
groepje. Zo vraagt een meisje:
- Juffrouw, bidt U wel eens?
- Ja…
- Hoe vaak?
- Een aantal keren op een dag.
- Wat doet U dan?
- Dan praat ik met God.
- Wat zegt u dan tegen God?
- Nou, dat is tussen God en mij, wat wij bespreken.
- Mag niemand dat weten? Uw man ook niet?
- Nee.
- Juffrouw, ik ken ook een bidje.
Er wordt wat gegeneerd gegiecheld. Het
gebedje krijg ik niet te horen. De buurvrouw neemt het gesprek over.
- Leest u vaak in de bijbel?
- Nou, ik heb pas nog proefwerk over de bijbel gehad, dus ik heb er de
laatste tijd veel in gelezen.
- Bij mijn oom doen ze dat altijd voor het eten, dat vind ik stom. Doet
u dat ook?
- Nee, ik bid nooit voor het eten.
- Bij mijn oom zijn ze ook heel streng en zo.
Hoe hard lijken wij soms ons best te
doen om onze jeugd af te schrikken!
Leerprogramma
De lesmethode die we gebruiken, lijkt zich
bewust van deze gevoeligheid van de jeugd, maar weet vervolgens niet zo
goed raad met deze situatie. De hoofdstuktitels verraden het ongemak: 1.
Uiterlijk en schoonheid; 2. Arm en rijk; 3. Relaties; 4. Dood; 5. Sport
en tenslotte 6. God. Ieder onderwerp wordt vooral vanuit de
psychosociale hoek benaderd. (Is het goed voor je uiterlijk als je veel
rookt?, Vind jij dat de inkomens eerlijk verdeeld zijn?, Wat vind je
ervan dat kinderprostitutie bestaat? en Vind jij het belangrijk om goede
vrienden te hebben?) De auteurs weten niet goed hoe ze nu die zinvragen
aan de orde kunnen stellen. Er is steeds een klein gedeelte gewijd aan levensvragen
bij het betreffende onderwerp, zoals Maakt geld gelukkig? Er
wordt vaak een aantal meningen over een bepaalde kwestie gegeven, die
dan getypeerd worden als de mening van Ankie (feministe) en Wendy
(christen). Het is allemaal nogal ongenuanceerd en het christelijke
perspectief is apologetisch met zinnetjes als "Vroeger dachten
christenen heel negatief over het lichaam … Moderne christenen zien
dit anders … Het lichaam is iets positiefs."
God is een klein hoofdstukje aan het einde van het boek. Daar kun je als
docent gemakkelijk omheen. ("Geen tijd meer aan het einde van het
schooljaar.")
Kerk en traditie
Van geïnstitutionaliseerd geloof moet de
hedendaagse jongere niets hebben. Deze veelgehoorde conclusie uit de
theologie wordt keer op keer gedemonstreerd. Van hun opvoeders lijken ze
alleen een waslijst van zwakheden van de kerk meegekregen te hebben
zoals: de regels zijn streng; het is allemaal veel te serieus; we mogen
geen plezier hebben; seks is verboden. Illustratief is de volgende
conversatie over Jezus:
- Juffrouw, ze zeggen dat u door Jezus bevredigd wordt,
neemt een jonge Marokkaan het woord.
Ik geef eerlijk toe, hier moet ik toch even van slikken.
De spreker voelt zich ook op glad ijs en voegt eraan toe,
- Ja, ík niet hoor, maar dat zeiden ze
in de pauze.
Het wordt erg stil in de klas. Vol
spanning wacht men af. Ik besluit erop in te gaan.
- M., Jezus is nu al zo’n 2000 jaar
dood. Dat weet je toch?
Hij mompelt aarzelend van wel, kan niet
peilen waar dit naartoe gaat.
- Zie ik eruit alsof ik ouder dan 2000
jaar ben?
- Nee.
- Nou, dan heb je het antwoord.
- Ja maar, ík zei dat niet, zegt hij
nog maar eens voor de veiligheid.
- Geef het dan maar door aan wie het wel
zeggen.
Met dit
minimale antwoord is men tevreden. Weer ging het uiteraard niet over
Jezus, maar over het incasseringsvermogen van de juf die beweert dat ze
iets ziet in het geloof.
Ze hebben de neiging om te antwoorden binnen de context. LeVo is braaf.
Dus als het LeVo-boekje vraagt: wat vind je het belangrijkst: je
uiterlijk of je innerlijk, zeggen ze braaf het innerlijk om vervolgens
de buurvrouw onmiddellijk voor de gek te houden over haar uiterlijk. Die
oneerlijkheid wil ik doorbreken. Ik zeg dan wel eens: "En nu
even doen alsof dit geen LeVo is. En dan zeggen wat je echt vindt."
LeVo gaat over het leven. Dat is niet ideaal. Dat is niet
overzichtelijk. Je eigen weg vind je alleen maar zoekend en tastend.
Ze komen vrijwel nooit in de kerk en de meest elementaire termen uit
onze traditie zijn onbekend. "Een apostel, wat is dat?" Soms
lukt het me om op dat vlak gewoon wat informatie te verstrekken,
bijvoorbeeld wanneer ik ze meteen de eerste weken een werkstukje laat
maken over de herkomst en de betekenis van hun naam. "Mijn naam
betekent niks; het is gewoon een naam", is de gangbare mening. Ik
zoek klassikaal de betekenissen van hun namen op. Dat heeft hun
belangstelling. Een kort bijbelverhaal als je genoemd bent naar de
hoofdpersoon vinden ze toch wel interessant. Dus vertel ik over Jacob en
Esau, over apostelen en martelaren. En ze luisteren. Zo lang ik het maar
kort houdt en in niet-orthodoxe woorden. Het is tenslotte best wel stoer
om genoemd te zijn naar iemand die ze levend geroosterd hebben of
van wie de kop is afgehakt.
Wat ze ook goed lijkt te doen, is het feit dat ze genoemd worden, voor
mij een naam krijgen en daarmee gezien worden. Als vertegenwoordiger van
het geloof ben ik toch geïnteresseerd in hun echte leven.
Dit blijkt ook wanneer ik een opstel over jezelf invoer als
strafmaatregel tegen teveel kletsen. Ik krijg prachtige en eerlijke
opstellen en daardoor even contact met de meest notoire druktemakers. Zo
vraagt een leerling verontwaardigd aan een ander:
- Hoe weet de juffrouw dat jij een
brommer hebt?
- Daar heb ik al vier opstellen over geschreven. En ze wilde ook de foto’s
zien.
Het geeft me een kans om even te raken
aan een aantal van de 250 levensverhalen die op de donderdag en de
vrijdag mijn leven insloffen en er weer uitrennen zodra de bel gaat. En
mij doet het ook goed om individuen te zien in plaats van een
bloeddorstige meute, want zo doen ze zich graag voor.
Spiritualiteit?
Het zijn geen abstracte denkers en ook geen
wereldverbeteraars, deze kinderen. Niet de leiders en de wetenschappers
die de context maken. Ze kunnen alleen meebewegen in de grote stroom. En
die gaat via internet en commerciële televisiezenders. Daar ligt hun
werkelijkheid van alledag. Ze zijn geworteld in een vaak gebroken gezin
met een laag inkomen in een samenleving die consumptie verwart met
geluk. Een samenleving die geen of nauwelijks een boodschap heeft aan
kerk, traditie en een persoonlijke God; dat is hun grond. Hun
interesses zijn op het eerste gezicht louter binnenwerelds. De aarde
lijkt hun enige grond, hun ware houvast.
Oppervlakkig gezien lijkt het verspilde moeite om ze lastig te vallen
met levensbeschouwing en al zeker met geloof. Ze lijken nooit enige
levensvraag te stellen. "Juffrouw, wij doen metaaltechniek. Daar
heeft levensbeschouwing toch niks mee te maken!"
Het woord spiritualiteit komt niet in hun vocabulaire voor. Gelukkig
maar, anders zouden ze zich er acuut tegen verzetten. Toch zoeken ze
naar meer dan bezit en plezier. Allereerst ligt dat op een meer
psychologisch vlak. Ze willen iemand zijn, gekend zijn. Ze willen
veiligheid. Ze willen bevestiging dat ze aardig zijn, dat ze er mogen
zijn. Maar soms raakt dat aan het spirituele: ze willen zich verliezen
in een groter geheel. Ze zoeken een grond die dieper en steviger is dan
de wereld. Maar die grond zal niet los mogen staan van die aarde. Ze
willen niet zweven, ze zoeken houvast. Ze kennen het verlangen naar opgaan
in, maar ze hebben niet de woorden gekregen om verder te gaan dan
het opgaan in een ander mens. Verliefdheid, dat kennen ze goed. Vooral
de meisjes zijn heel open over hun gevoelens. Hun liefdesgedichten gaan
over eenheid, trouw, eeuwigheid en geluk. En daar willen ze heel graag
over praten, zolang de context maar niet wereldvreemd is.
Toch zou ik ze zo graag een heel klein beetje laten voelen van God. Zijn
Liefde voor hen. Eigenlijk wil ik ze ook wel vertellen hoe belangrijk
Hij voor mij is, zonder dat mij dat saai maakt en zonder dat ik daardoor
opeens allerlei rare dingen moet doen. Eigenlijk zou ik ze willen
zeggen dat er helemaal niks of niemand stoerder is dan God. Dat Hij de
minst saaie is die ik in mijn leven heb ontmoet. De Enige ook die ze zal
aanvaarden al kunnen ze niet goed leren en al zijn ze niet populair in
de klas. Een ook die zelfs hen nodig heeft. Hoe? Ik houd
de wacht. Waak over het lesprogramma en het huiswerk, waak als ik de
kans krijg over hun omgangsvormen en wacht mijn kans af om het te zeggen
met of zonder woorden. En verzucht soms: "De Geest waait waar die
wil".
|