WEST-EUROPA ALS LABORATORIUM 


De dialoog tussen het Westen en de islam

(integrale tekst)

JOHAN LEMAN

Geef uw mening over dit artikel

De afstand tussen de verschillende beschavingen die aanwezig zijn in onze landen, lijkt door diverse recente gebeurtenissen toe te nemen. Zo ook de angst en het onbegrip. Is er wel een toekomst voor b.v. islam én christendom in het pluralistische Westen?

In zijn Clash of Civilizations ziet Huntington negen grote beschavingsclusters op geopolitiek vlak (S. HUNTINGTON, The Clash of Civilizations and the Remaking of World order, Londen, 1997. Zie ook J. LEMAN, On Islam in Belgium and Western Europe. Its Official Representation and its Internal Debate, Rome, 2002). In steden als Brussel, Antwerpen of Gent ziet men er minstens zes vertegenwoordigd, zij het in hun migratievariant. Dit zijn vooral het westerse, het islamitische en het Afrikaanse, en in mindere mate het Latijns-Amerikaanse, het orthodoxe en het Chinese wereldbeeld. Voor steden buiten België kan men er het hindoe wereldbeeld aan toevoegen. Van twee van de wereldbeelden uit Huntingtons lijstje zijn slechts sporen terug te vinden in onze grote steden, maar op een te afzijdige wijze, namelijk het boeddhistische en het Japanse. In zijn analyse benadrukt Huntington vooral de spanningen die op wereldvlak zullen rijzen uit de stellingname die het westerse, het islamitische en het Chinese wereldbeeld tegenover elkaar innemen. In West-Europa zal het vooral gaan om de onderlinge positionering van het christelijk westerse en het islamitische wereldbeeld. Het Afrikaanse en het Latijns-Amerikaanse wereldbeeld ziet Huntington politiek-strategisch niet echt meespelen, tenzij na een eventuele clash tussen de 'grote drie'. Mijn thesis is dat het in de migratie is, en vooral in onze grote steden, dat zich de lokale laboratoria bevinden waar men kan leren de clash te overbruggen of althans te milderen. Bijgevolg heeft West-Europa en dus ook de christenheid in het Westen een cruciale rol te vervullen. 

Brussel, onmiddellijk na 11 september

Onmiddellijk na 11 september 2001 hebben de Voorzitter van de Executieve van de Moslims van België en de Voorzitter van het Israëlitisch Consistorie een gezamenlijke verklaring bekend gemaakt waarbij zij de bevolking, en meer bepaald de gelovigen van hun eigen gemeenschappen opriepen tot vrede en onderlinge verstandhouding. Een maand later, op 11 oktober werd dit nog eens overgedaan op het Brusselse stadhuis, dit keer samen met de afgevaardigden van alle in België erkende levensbeschouwingen. Tengevolge van de onrust, in zowel joodse als islamitische gemeenschappen, door de escalatie van het conflict tussen de staat Israël en de Palestijnen, kwam er een voorstel van de Voorzitter van de Executieve van de Moslims van België. Hij wil op het Centrum voor Gelijkheid van Kansen een ontmoeting organiseren tussen vertegenwoordigers van de islamitische en van de joodse gemeenschappen. Er zal zowel over antisemitisme als over islamofobie nagedacht worden. Beide gemeenschappen zijn immers op dezelfde wijze slachtoffer van een historisch verankerde negatieve opstelling vanuit de Westerse samenleving. Islamieten en joden kunnen van elkaar leren en mekaar ondersteunen in hun verzet tegen deze negatieve houding. Nog een ontmoeting die hier een vermelding verdient: op 21 april vond op initiatief van het Groot Beschrijf en van het Molenbeekse regionale integratiecentrum Foyer, een debat plaats waarbij een lid van het Humanistisch Verbond, een theoloog van de christelijke kerk, een Joodse rabbijn en de islamitische moefti van Marseille samen discussieerden over de wijze waarop elk van hen zijn gemeenschap in een westers samenlevingsmodel ziet opereren. Er is een toename van soortgelijke initiatieven en een groeiende openheid van representatieve personen uit de diverse levensbeschouwingen. Daaruit blijkt dat wat elders in de wereld als een clash ervaren wordt, in West-Europa door sommigen niet uitsluitend als een mogelijke dreiging gezien wordt. Sommige verantwoordelijken binnen de migratie nemen ook initiatieven om die dreiging af te weren, en om de kloven te overbruggen. 

Moslimbroeders versus pluralistische gelovigen

Een van de belangrijke discussies binnen de islam heeft met volgende cruciale vraag te maken: hoe moet de islam, een minderheidsgodsdienst, zich in Europa organiseren zodanig dat hij op termijn niet verdwijnt? Dit houdt twee opdrachten in: enerzijds beletten dat de islam op zich verdwijnt, anderzijds het authentieke karakter van de islam vrijwaren. Het is de angst van een aantal islamitische denkers in Europa, dat zich bij de islam eenzelfde privatisering en interiorisering van de islam zal voordoen als bij de christenen. In hun ogen kan dit een dubbel gevolg hebben: ten eerste leidt het tot een materialistische en ongodsdienstige samenleving; maar ten tweede krijgen de islamitische leefregels daarbinnen geen enkele kans. Dit wordt als nefast ervaren voor een godsdienst die een groot belang hecht aan 'levensstijl' en aan de juridische uitbouw van de gelovige praktijk. Het debat wordt verwoord door volgende thema's: het recht op diversiteit; en vervolgens het recht op behoud en juridisering van specifieke geloofsinhouden, d.w.z. kenmerken die elk lid van de groep geacht wordt te hebben. Twee groepen onderscheiden zich. De eerste groep noemt mensen in de tweede 'onbetrouwbare gelovigen', terwijl deze laatsten zichzelf als pluralisten zien. De tweede groep noemt de eersten 'moslimbroeders'. Opmerkelijk is dat beide groepen ervan uitgaan dat de verschillende opties kunnen gerealiseerd worden binnen het westers laïcaal-pluralistisch maatschappijmodel. Een eerste ideologisch standpunt, dit van de 'broeders', gaat uit van denkers die een uitgesproken, via duidelijke emblemen uitgewerkte, diversiteitsideologie aanhangen. Daarbij achten zij de sociale controle zeer belangrijk. Zij wensen aan het hoofd van de islamitische gemeenschappen een leiderschap dat erover waakt dat het kader vertegenwoordigd wordt door mensen die deze ideologie uitdragen en bewaken. Enkele voorbeelden: vrouwelijke leerkrachten islamitische godsdienst zijn, in deze visie, niet vrij om al dan niet een hoofddoek te dragen, maar 'zullen' hem dragen, op straffe hun job te verliezen. Mannelijke leerkrachten kunnen in de problemen komen als ze gezien worden bij het kopen van alcohol in een grootwarenhuis, of bij het drinken van een pint bier na de schooluren op café. Ander voorbeeld: het feit dat een vooraanstaand moslim in het land van herkomst een religieus huwelijk aangaat met een tweede, of zelfs met een derde vrouw, wordt niet afgekeurd, maar oogluikend aanvaard. Moslimgelovigen, waarvan men de oprechtheid en het geloof absoluut niet betwist, maar die een grotere vrijheid toestaan, worden minstens passief bestreden. De meeste aanhangers van de 'moslimbroeder'-ideologie profileren zich in deze rigide categorie. Leven in het westers bestel wordt door hen zelden in vraag gesteld, omdat zij de democratische maatschappij verkiezen boven de dictatuur. Een groot onderscheid moet echter gemaakt worden tussen de oorspronkelijke ideologie van de moslimbroeders en de latere bewegingen waar het concept van takfir (vervloeking) centraal staat. Tot de laatste rekent men o.a. het netwerk van Tunesische militanten dat sympathiseerde met de Talibaan-ideologie, en dat zich bewoog tussen Londen, Brussel, Milaan en Frankrijk. Beide hebben geen uitstaans met mekaar. De eersten veroordelen de houding van de tweeden, die immers geweld niet schuwen, waar de eersten strikt vredelievend zijn. Een tweede ideologisch standpunt wordt ingenomen door denkers die een internislamitische diversiteit binnen een westers pluralistisch kader voorstaan en een inschakeling van de islam verdedigen die in sterke mate vergelijkbaar is met die van de andere levensbeschouwingen, bijvoorbeeld het christendom. De 'broeders' ervaren hen echter als 'onbetrouwbaar'. Ook de 'pluralisten' vragen nochtans - en uiteraard - een volledige gelijkberechtiging en gelijkschakeling. Beiden staan de moderniteit voor, maar waar de 'pluralisten' die 'westers' interpreteren, zoeken de 'broeders' een niet-westerse, islamitische eventueel Europees-islamitische weg. Bij deze twee standpunten komen uiteraard meerdere gradaties voor. Doorheen dit intern Europees debat, speelt echter nog steeds, en de laatste tijd weer méér, de discussie mee van de invloed vanuit sommige landen van herkomst. Om het in termen van Huntington te stellen: deze landen, en niet in het minst Saoedi-Arabië, wensen de moslims in Europa nog steeds te zien als behorend tot hun civilization cluster. Saoedi-Arabië heeft de islam steeds als een van zijn belangrijkste diplomatieke instrumenten gezien. Het is dan ook duidelijk dat in een geopolitiek spel Saoedi-Arabië niet zomaar afstand zal doen van zijn invloed op de islamitische communauteiten in het Westen. Bij Turkije speelt een soortgelijke zorg mee, zij het met een andere finaliteit, nl. de schrik van de niet-islamitische Ataturk Staat dat zich buiten Turkije een antikemalistische, islamitische oppositie zou vormen . (Kemal Atatürk (1881-1938) is de stichter en eerste president van de republiek Turkije (1923). De grondwet van 1924 gaf hem grote bevoegdheden, die hij gebruikte voor een radicale hervorming van het oude Turkije naar West-Europees model. De politieke sociale overheersing van de islam verdween. In enkele jaren tijd schafte hij de Religieuze Wet en alle daarmee verbonden instelling af). Het interne debat in de moslimgemeenschappen is op het niveau van het ideologisch leiderschap nog lang niet beslecht. Uiteraard wordt de uitkomst van zo'n debat niet alléén door ideologen bepaald. Ik meen echter dat het geschetste beeld vrij waarheidsgetrouw is, ook al voelen de meeste moslims in ons land zich in de praktijk niet echt bij dit debat betrokken, of zijn ze er misschien zelfs niet van op de hoogte. Het geschetste beeld, met zijn drie assen: het Europese 'moslim broeder' perspectief, het pluralistische perspectief, en de al dan niet gevoelde invloed vanuit de landen van herkomst en vanuit Saoedi-Arabië, ligt mee aan de basis van de impasse die de gekozen Executieve van de Moslims in België al van bij zijn aanvang tot op vandaag lamlegt. 

Integratie, een must?

Het advies van Huntington bestaat erin de idee te laten varen dat er zoiets zou bestaan als universeel geldende waarden of universeel geldende levensbeschouwelijke inzichten. Wat betekent dit echter voor de maatschappijordening, b.v. in Europa? Geldt ook hier dat men diversiteit moet accepteren en eerder naar gemeenschappelijkheden dan naar universaliteit dient te zoeken? Op dit punt is Huntington behoudender. Uit zijn bespreking van de immigratie blijkt duidelijk dat hij vasthoudt aan het specifiek westers wereldbeeld. Het betekent voor hem dat diegenen die ingeweken zijn zich naar het westers wereldbeeld dienen te schikken, zoals ook de Mexicaanse inwijkelingen dit moeten doen in de VS. Anders komt er een onevenwicht in de verhouding tussen de beschavingen op wereldvlak. Dit betekent niet dat de moslim migranten christen moeten worden, maar wèl dat zij zich in het westerse waardepatroon en in het democratisch laïcaal-pluralistisch maatschappijmodel dienen te schikken. In die zin dienen ze de band door te knippen met het maatschappijmodel uit de islamitische beschavingssfeer. Dit standpunt van Huntington lijkt in grote mate overeen te komen met de standpunten van de beleidsvoerders en de publieke opinie in het Westen. Het sluit bovendien het meest aan bij wat hierboven beschreven staat als het pluralistisch islamitisch integratiemodel. Wat volgens Huntington totaal afgebouwd moet worden, is een islamitisch integratieconcept dat zijn voornaamste referentie blijft zoeken in landen buiten Europa. Waar hij ook absoluut geen plaats voor ziet, zijn ideologieën van het moslim broeder type, zelfs niet van het Europese pacifistische type. Hij meent dat geïnstitutionaliseerde groepskenmerken een elementaire integratie in het maatschappelijke systeem in de weg staan. Wordt toch op beide punten toegegeven, dan wordt het Westen in het machtsspel van de geopolitieke verhoudingen verzwakt, aldus de logica van Huntington. De principes die dit standpunt schragen lijken me overigens in grote lijnen correct.

Inbedding van de islam in het Westen

Wie Huntingtons clusters of civilization overloopt, merkt al gauw dat hij de Afrikaanse en de Latijns-Amerikaanse clusters onderscheidt van de westerse. In Afrika lijkt de alomtegenwoordigheid van het christendom niet op te wegen tegen de tribale identiteiten en tegen een zich langzaam ontwikkelende Afrikaanse identiteit. Het verschil tussen het Westen en Latijns-Amerika schijnt de auteur vooral te plaatsen in het feit dat het Westen zowel katholiek als protestants was en Latijns-Amerika enkel katholiek (zonder Reformatie), én met integratie van indiaanse elementen. Om deze drie civilizations af te bakenen lijkt niet zozeer de actualiteit van het geloof belangrijk, maar een reeks historische gebeurtenissen. Verder in de tekst wordt echter plots wèl - althans het sociologisch – christen zijn zeer belangrijk om de geopolitieke machtsverhoudingen te bespreken. Daar worden alle christenen samengeteld en vergeleken met de te verwachten demografische evoluties bij de moslimbevolking. Afgezien van het feit dat zulke prognoses op lange termijn zelden juist blijken te zijn, kan op twee zwakkere plekken gewezen worden in het betoog van Huntington. Een eerste is dat de voorgestelde clusters van civilizations veel poreuzer zijn dan hij het over het geheel van zijn betoog laat blijken. Dit lijkt erop te wijzen dat andere factoren dan de sociologisch-religieuze minstens zo belangrijk zijn, zoals b.v. inkomensongelijkheid of commerciële wederzijdse afhankelijkheden. Een tweede opmerking is dat geloven, als actief engagement van een levende groep mensen, sterk onderbelicht blijft. Een postmoderne christelijke theologie, waarbij men zowel de eigenheid van de christelijke traditie als de antropologische gelijkwaardigheid van de verschillende godsdiensten tot zijn recht wil laten komen, kan er geen probleem mee hebben om Huntington te volgen in zijn oproep om de diversiteit van de zingevingsystemen te accepteren. Wel zal de christen vermoedelijk een universeel karakter willen blijven toekennen aan de uniciteit van de in zijn geschiedenis gegeven openbaring, zoals ook de moslim dit zal doen met zijn openbaring. Dit hebben islam en christendom met elkaar gemeen en maakt hen verschillend van de joodse godsdienst. Voor de moslims gaat in de landen van herkomst met deze openbaring een juridisch geregeld levens- en maatschappijproject samen. Dit zorgt ervoor dat de aanvaarding van de moslims in een laïcaal-pluralistische wereld in principe gemakkelijker uitvalt voor christenen, dan voor een aantal moslims die nog aansluiting zoeken bij de islam zoals zij die gekend hebben in hun land van herkomst. Wèl is doorheen de geschiedenis van de moslims reeds meermaals gebleken dat zij een enorme flexibiliteit en bekwaamheid tot aanpassing aan nieuwe maatschappelijke situaties te zien geven. Deze flexibiliteit gaat historisch gezien zo ver, dat sommigen ronduit stellen dat er eigenlijk geen specifiek politiek project uit de islam af te leiden valt. Wat islamitisch is, is niet de concrete vorm van het politiek bedrijf, maar het feit dat de wetgevende macht aan God toebehoort. En hier schuilt natuurlijk een probleem. Dit kan zowel zeer rigide als zeer soepel geïnterpreteerd worden. Het thema van de interpretatie is dan ook ontzettend belangrijk in de islam. Het moet mogelijk zijn dat een westerse islam zijn inbedding vindt in onze samenleving, zonder dat dit de positie van het Westen geopolitiek verzwakt. Er is integendeel kans tot een dialoog waarbij beide wereldbeelden, christendom en islam, niet alléén gemeenschappelijke inhouden ontdekken, maar zelfs in een religieuze win-win situatie komen te staan. Mogelijk (her)ontdekken ze onderbelicht gebleven aspecten van het eigen wereldbeeld. Zo kunnen zekere vormen van mystiek van de islam vruchtbaar zijn voor het christendom, en vormen van 'zorg voor de ander' van het christendom voor de islam. Dit kan maatschappelijk een win-win situatie creëren voor het Westen, dat toch nood heeft aan enige input van buitenaf en aan een nieuwe bezieling. Ik weet dat ik de actualiteit niet méé heb om deze thesis te poneren. Maar wie bereid is de huidige gebeurtenissen in een historisch kader te plaatsen, kan de these ook niet zomaar van tafel vegen. De dialoog kan tenslotte geopolitiek voor het Westen interessant zijn. We ontwikkelen dan in eigen schoot modellen die dienstig zijn voor het aangaan van nieuwe loyaliteiten en voor het afbouwen van historische vijandsbeelden. Dit kan tot een grotere aanvaarding leiden van het Westen in de ogen van andere civilizations. Een actief gelovende christen zal er overigens niet aan voorbij willen gaan dat de economische ongelijkheid een belastende factor is voor een vreedzame geopolitieke oplossing op termijn. Zo'n ongelijkheden wegen ongetwijfeld zwaarder door dan Huntington in zijn boek ter sprake brengt. Lokaal, in West-Europa, ligt ondertussen een integratie van vertegenwoordigers uit de allochtone gemeenschappen, en dus ook uit de sociologische islam voor de hand. En dit in alle politieke partijen, in de vakbonden en bij het patronaat. Dit proces is volop aan de gang. In deze microkosmossen kunnen vooroordelen afgebouwd worden, aan beide zijden.

De-etnicisering als groeikans

Wie de bijbelse geloofsgeschiedenis doorbladert, merkt al gauw hoe belangrijke stappen in de zoektocht naar God en bij de uitbouw van de geloofsinvulling en van de gemeenschapsvorming, steeds samengegaan zijn met momenten van de-etnicisering van het geloof. Van een extended family geloof (Abraham), is de gemeenschap geëvolueerd over de stam (Jacob, Ruben, Dan ... ), en de federatie van stammen (Juda en Israël), naar het nieuwe Israël, dat niet langer de etnisch-joodse gemeenschap was. De etnische emblemen, besnijdenis en sabbat, werden opengebroken. De ark en de tent gingen ten tijde van het Messiaanse profetisme van Jezus staan voor waarden als de zorg voor de arme, voor degene die geen bescherming meer heeft omdat hij zijn gemeenschap verlaten heeft en onderdak komt zoeken in een nieuw land. Deze waarden zijn in hun genialiteit wellicht niet universeel erkend, maar dwingen toch minstens universeel moreel respect af. De beslissende de-etniciseringen vonden plaats rond de ballingschap, in het contact met de andersgelovigen, en ten tijde van Jezus en de evangeliën, in volle hellenisme, alweer in confrontatie met andersdenkenden. Telkens werd zo'n periode aangevoeld als een crisis. Telkens is het geloof er her-ijkt en verrijkt uit naar voren gekomen. Er is geen reden waarom wij ook vandaag ons geloof niet in volle vrijheid en luciditeit zouden her-ijken aan de diasporasituatie, waarin we als gelovigen opnieuw terecht gekomen zijn.

Her-ijken in dialoog

Mijn volgende bedenking sluit hierbij aan. Her-ijken betekent ook in gesprek gaan en oprecht met open geest dialogeren, zonder schrik voor de eigen schaduw noch voor die van de ander. Een dialoog die zich opdringt, is deze met de islam. Diegenen die beweren dat de islam niet veel bereidheid tot dialoog toont vandaag, hebben het waarschijnlijk niet bij het verkeerde eind. Maar dit hoeft nog geen reden te zijn om de dialoog niet aan te gaan. Het is een dienst die men zichzelf, maar ook de islam, bewijst. De islam heeft immers ook nood aan goed theologisch debat, dat nog iets anders is dan discussies over de punten en de komma's van de Sharie'a (de islamitische wet). Dit zou niet eens zo nieuw zijn. Tot in 1300 is er een goed theologisch debat gevoerd. Ik denk aan het werk van Johannes van Damascus, van Thomas van Aquino en van vele anderen. Beide religies hadden er baat bij zich voortdurend ter discussie te stellen om de ander van antwoord te kunnen dienen. Een actueel debat tussen beide religies vertrekt best uit de invalshoek van de dogmatiek. Het zou ook vandaag een maatschappelijk vruchtbare discussie kunnen zijn, die een belangrijke waarde zou kunnen hebben voor het samen-leven in het Westen. Ik meen ooit gelezen te hebben dat één van de grote frustraties van Prof. Mohammed Arkoun geweest is dat de Nederlandse overheden zijn voorstel niet opgenomen hebben om een degelijke Islamitische Academie in Nederland uit te bouwen. Mijns inziens heeft hij gelijk. Het is een zware vergissing dit te onderschatten. Wellicht moet een katholieke universiteit het vandaag tot een van haar taken rekenen om dit interreligieus debat te voeden, niet om mekaar te ontzien, of om per se vriendelijk te zijn, maar om aan beide zijden steengoede en dus kritische theologie te brengen. Het maakt deel uit van het respect voor diversiteit zoals het Westen dat op de hoogtepunten van zijn traditie gekend heeft.

Diit artikel is te lezen in TGL 2002/3. Dit nummer kan online besteld worden.



Reageren op bovenstaand artikel kan door onderstaand formulier in te vullen en op de knop verzenden te klikken.
Indien gewenst, wordt uw reactie anoniem op de website geplaatst (als u het vakje "Graag anoniem" aankruist). We vragen wel je bekend te maken aan de TGL-redactie door het vak "Naam" in te vullen.


Geef uw mening over dit artikel

Naam :

Graag anoniem

Emailadres :

Geef eventueel een titel aan uw reactie :

Tik hier de tekst van uw reactie :