DE GEKANTELDE STEEN


Een meditatie bij Genesis 28,10-22

(integrale versie)

JUUT MEIJER 

Geef uw mening over dit artikel

Wat is het eigenlijk voor steen, waarvan gezegd wordt dat Jakob er zijn hoofd op neerlegde. Was het een hoofdkussen, of lag die steen daar vooral om bescherming te bieden, om wilde dieren mee op afstand te houden in de nacht, om belagers mee te lijf te gaan zonodig. Als het donker is en je bent alleen, kun je dat maar het beste doen misschien.

"Eens lag ik neer, versteend van kou" klinkt in een lied dat die steen min of meer vereenzelvigt met Jacob zelf. Hijzelf lag daar als een steen. Helemaal verhard en angstig verschanst achter een versteende huid. Te opgejaagd, te angstig. Een geharnast mens, die voorgoed zijn onschuld en argeloosheid kwijt is. Bang voor zijn eigen broer, die hem achterna zit.

    Verhalen vol tragiek

Toch kom ik tegelijk niet los van dat beeld van die steen als een plaats om je hoofd te ruste leggen. Die vluchteling die hier onderweg is, uitgeput en onzeker om wat komen zal in de vreemde - doodmoe zoekt hij een plaats om een ogenblik tot rust te komen. Waar hij zich veilig weet.

Ik hoorde een lezing over vluchtelingen waarin een pleidooi werd gehouden voor een theologie van de gastvrijheid. Om al die mensen die hier en elders meer en meer vergeefs aankloppen, terwijl wij allemaal toch dezelfde aarde bewonen. En ook: om die ene mensenzoon voor wie ooit ook geen plaats was in de herberg, die met zijn vader en moeder vluchten moest voor een Romeinse dictator die kinderen wilde doden. Van wie, als hij toen niet elders onderdak had gekregen, niemand hier waarschijnlijk had gehoord. Dan was er geen christendom geweest, geen kerk.

Daar ligt Jakob. Een van een tweeling. In de moederschoot gingen ze al zo tegen elkaar tekeer, dat gezegd werd: het zijn dan ook twee naties, die uiteengaan, waarvan de een de ander ondergeschikt zal zijn. Zoals wel vaker in de Schrift, gaat het in dit verhaal niet alleen om bloedverwanten in de letterlijke zin, individuen, de ene mens die het aflegt tegen de andere - het gaat ook over de geschiedenis van Gods volk onderweg. Dat scheurt en verdeeld raakt, niet bij machte is haar kinderen bijeen te houden, ze verkoopt (Jozef naar Egypte), ze verliest in hongersnood of ballingschap. Rachel die bij de profeet Jeremia weent om haar kinderen omdat ze er niet meer zijn. Verhalen vol echte tragiek dus. Van groot verdriet en soms net als nu - van veel liegen en verzwijgen.

Waar bedrogen wordt met een geitenbokje of linzensoep. Waar de zucht naar consumptie en macht het elk moment zomaar kan winnen: waar hele volken elkaar de rechten ontstelen en daarmee veel zegen.

In de schoot van z'n moeder pakte hij al de hiel van z'n broertje alsof hij het eerste geboren wilde worden, wordt van Jakob gezegd. De hielenlichter, voor wie het een obsessie werd zijn broer dat eerstgeboorterecht te ontfutselen. Tot het lukte in ruil voor een bord soep. Esau, die z'n tijdelijke honger graag stilt en die zo uit handen geeft wat van blijvende waarde is. En als Jakob, gehuld in de kleren en de geuren van zijn broer Esau, zijn oude blinde vader dan ook nog beweegt hem de zegen te geven, kan hij maar beter zover mogelijk van huis gaan. In plaats dat hij iets moois verworden heeft, is angst zijn deel. De hielenlichter wordt zelf op de hielen gezeten door zijn broer. Zo lichtzinnig als de een zijn eerstgeboorterecht uit handen geeft, neemt de ander het aan. Weet Jakob wel dat dat recht niet alleen mooi is om te hebben, maar dat hij daarmee ook een verantwoordelijkheid op zich laadt. Het brengt ons bij nog een betekenis van de steen, namelijk de steen waarmee een herder zijn kudde de weg wijst. Die hij weggooit in de verte en als de schapen horen waar hij neerkomt weten ze waar ze heen moeten gaan. De steen die ook de Tora is, het woord dat zich een weg baant uit onvrijheid en verdrukking naar een wereld van vrede en recht.

    'Aartsengelen'

En dan krijgt Jakob een droom. Met een interessant vertaalprobleem. Een ladder, waarvan onduidelijk is of hij vanaf de aarde naar de hemel wordt opgericht, of uit de hemel naar Jakob wordt neergelaten. Engelen, die de ladder op en af gaan. Bovenaan God zelf. De engelen gaan eerst op, en dan af - "moet dat niet andersom zijn" vroegen rabbijnen zich af. "Nee", zeggen anderen, "zeker niet, want het land van belofte waar Jakob verkeerde, wordt door Gods engelen nooit verlaten". Daarom beginnen ze nooit anders dan beneden en klimmen ze op tot God om altijd weer af te dalen naar de mensen. "Misschien waren zij wel aartsengelen", wordt óok gezegd: Michael (wie is als God), Gabriel (God is kracht), Uriel (God is licht) en Rafael (God die heel maakt). Al is er ook een minder romantische uitleg, die zegt: "God laat Jakob hier de grootmachten uit Israëls geschiedenis zien: Egypte, Assyrië, Babylon en Perzië, Edom (dat zijn de nazaten van Esau): ze komen op en groeien in macht, beklimmen 52 treden van de trap, of 70, of over de 100 en gaan ook gelukkig weer naar beneden, maar telkens zoals de geschiedenis ons leert worden ze opgevolgd door een andere macht.

"Had Jakob zelf niet die trap op kunnen gaan", hebben sommigen zich afgevraagd - had hij het maar gedaan, dan waren hemel en aarde voorgoed met elkaar verbonden geweest.

Maar zover zijn we nog niet.

Als Jakob wakker wordt, heeft hij, hoe het ook zij, iets gezien. Zoals je het soms kunt hebben, dat in een droom iets je aangereikt wordt dat te denken geeft, dat verhelderend is, dat - zij het in soms raadselachtige beelden - losse stukjes in je leven verbindt. In Jakobs geval: hem weer met God verbindt. Hij die zich zo verlaten voelde en alleen, die zo diep gevallen is - hij ziet wat hij niet zag: God was op deze plaats. Precies in zijn ellende.

God zelf die zich verbindt met mij, precies waar ik ben. Zo zwaar als ik me voel, van de gevolgen van mijn daden, van alles wat ik met me mee tors, van mijn uitzichtloosheid. Een steen kan nog een woonplaats zijn voor God, een steen kan de richting wijzen.

     Een woonplaats in de nacht

En dan kantelt Jakob die steen en zet hem overeind. "Deze plaats wil ik gedenken", zegt hij. Hij giet olie uit over de steen, want hij zegt: "deze steen is, wat ik in mijn vertroebeling niet heb gezien: een poort naar de hemel, een huis van God. Waar ik tot rust kom, wie ik ook ben. Die mij - in grote zinloosheid - de zin doet zien van mijn bestaan. Die mij, zelf een steen, zalft met olie. Die, zelfs mij, bewonen wil."

Zoals een paar jaar geleden achterin in mijn kerk een plek werd ingericht om stil te zijn en te gedenken, een kaarsje aan te steken, waarvoor mensen uit mijn gemeente eigen stenen meebrachten. Die voor hen iets betekenen. Als een teken van diens aanwezigheid onder ons ook in dat huis. Ze liggen er nog steeds.

Het is het verhaal van God zelf die wonen wil onder de mensen. Overal waar ze zijn. Juist daar zich een woonplaats zoekt, waar het donker is, als het nacht is. Waar ik niet slapen kan. Waar geen schuilplaats lijkt te zijn. Zoals een kind ooit geboren in het donkerste van de nacht, waarvoor ook geen plaats was. In een wereld al even verstoken van vrede. Zo is het ook hier. God die een woonplaats zoekt in Jakobs nacht.

En dan wordt het morgen. En Jakob zegt: "als het dan zo is, dat God met mij wil zijn op de reis die ik onderneem en mij voedt en beschermt en ongedeerd doet terugkeren, dan zal die God mijn God zijn. Dan verlang ik niet anders dan dat die God mijn God is." Moge het zo zijn.

De vaste TGL-rubriek 'werkSchrift' (waarin deze bijdrage geplaatst werd) komt tot stand in samenwerking met de Dominicuskerk in Amsterdam. Klik hier voor:



Reageren op bovenstaand artikel kan door onderstaand formulier in te vullen en op de knop verzenden te klikken.
Indien gewenst, wordt uw reactie anoniem op de website geplaatst (als u het vakje "Graag anoniem" aankruist). We vragen wel je bekend te maken aan de TGL-redactie door het vak "Naam" in te vullen.


Geef uw mening over dit artikel

Naam :

Graag anoniem

Emailadres :

Geef eventueel een titel aan uw reactie :

Tik hier de tekst van uw reactie :