|
|
EDITO Johannes XXIV of Escrivá I? - Jos VANDIKKELEN -
|
|
Vijfentwintig jaar trouwe
dienst. Dat is het minste wat je kan zeggen naar aanleiding van het jubileum van
Johannes-Paulus II. Kranten, tijdschriften, radio- en tv-programma’s brengen
analyses in deze en gene richting. Meteen duiken er ook speculaties op omtrent
de opvolging. Gezien de lamentabele gezondheidstoestand van Karol Wojtyla vinden
de meeste commentatoren vijfentwintig jaar wel voldoende. In één adem krijg je
een pallet aangeboden van problemen, aberraties, fouten, mistoestanden,
fundamentalistische standpunten waarmee de (voornamelijk West-Europese) kerk
worstelt. Vaak is de teneur dat Johannes-Paulus III, Paulus VII, Johannes XXIV,
Escrivá I (naar Josemaría Escrivá de Balaguer, stichter van het Opus Dei, die
in sneltreinvaart door Johannes-Paulus II heilig verklaard werd) of hoe de
nieuwe paus zich ook zal noemen - voor Maria I is het allicht nog wat vroeg - de
taak heeft om wat krom is recht te trekken. Hij zal moeten doen wat
Johannes-Paulus II heeft laten liggen: de katholieke kerk binnenloodsen in de
eenentwintigste eeuw.
Sinds religieuze journalisten in de algemene berichtgeving een uitstervend (uitgestorven?) ras zijn, blijkt de commentaar gespeend van veel kennis ter zake. Natuurlijk is de katholieke kerk hiërarchisch georganiseerd, met aan het hoofd één paus. Maar een troonswissel alléén, zelfs als ‘de nieuwe’ een groot hervormer zou zijn, brengt geen soelaas. De huidige discussies schieten dan ook vaak aan het doel voorbij. Natuurlijk is het niet onbelangrijk wie op de Petrusstoel terecht komt, veel belangrijker is echter door wie die man omringd wordt en vooral of er ruimte zal zijn opdat de ervaringen, verzuchtingen en hoop van de gelovigen onderaan de kerkelijke piramide kunnen doorstromen. Als er de voorbije vijfentwintig jaar in de West-Europese katholieke kerk iets veranderd is, dan toch in de eerste plaats in de parochies, zieken- en bejaardentehuizen, scholen, jeugd- en sociale organisaties, … Ik neem mijn eigen parochie als voorbeeld. Vooreerst: ‘mijn’ parochie is niet meer de kerkgemeenschap waar ik territoriaal toe behoor. Ik heb mijn parochie zelf gekozen. In die parochie is de laatste priester een tijdje geleden met pensioen gegaan. De parochie ‘draait’ nu helemaal op leken. Twee zijn er deeltijds tewerkgesteld (één wordt door het bisdom betaald voor zijn pastorale opdracht in de parochiefederatie, voor een ander wordt het loon opgehoest door de parochianen zelf), de rest van de werking wordt gedragen door enkele honderden vrijwilligers. Voor deze gang van zaken is de afgelopen decennia de basis gelegd. En kijk… het werkt. Ik heb een goed oog in de mix van mensen die er verantwoordelijkheden dragen en hun zorg voor de diversiteit onder de parochianen, voor de ondersteuning van de vele medewerkers, voor de nood aan vorming, voor de openheid en dialoog, voor de kwaliteit van pastoraal en liturgie enz. Daarbij doet zich m.i. de laatste jaren een opvallende verschuiving voor. Waar een tiental jaar geleden de kritiek op het kerkinstituut vaak hard klonk, is die er nu veel minder. Een teken van gelatenheid? Neen. Het is geen ‘thema’ meer. Er wordt bijna geen energie meer aan besteed. De overtuiging heerst dat de keuzes die nu gemaakt worden de enig mogelijke zijn. In eer en geweten wordt er nagedacht en overleg gepleegd, met véél eerbied voor de traditie. En vervolgens worden de stappen gezet die nodig zijn opdat de parochie anno 2003 een plek van Leven is en blijft. Eenzelfde evolutie lijkt zich voor te doen op het niveau van het vicariaat (mijn aartsbisdom is, omwille van de taalproblematiek verdeeld in vier vicariaten). Laatst werd er, in het kader van het lopende pastoraal project, feest gevierd. Ik waande me op een Acht-Meimanifestatie (de jaarlijkse, massaal bezochte, bijeenkomst van de inmiddels opgedoekte Nederlandse koepel van kerkkritische organisaties) : een agora vol met infostands, een centraal podium, vele werkwinkels, mensen die met bussen aangevoerd werden. Kortom een sfeervol, enthousiasmerend gebeuren. Maar wél georganiseerd door de diensten van de hulpbisschop, dus de structurele kerk zelf. (En er waren nog verschilpunten: het publiek was beduidend jonger dan op een Acht-Meimanifestatie en de kerkkritische stem was minder expliciet aanwezig.) Dit getuigt er naar mijn aanvoelen van dat ook dié kerk aan het bewegen is. Wil ze blijven bestaan, dan moet ze wel haar oor te luisteren leggen bij de parochies, en de mensen die daar verantwoordelijkheid opnemen ondersteunen. Dit lijkt me de evolutie zoals die zich in mijn parochie in Herent en in mijn vicariaat Vlaams-Brabant/Mechelen voltrekt. Natuurlijk is het niet allemaal rozengeur en maneschijn, een kritisch constructieve opstelling blijft noodzakelijk. Het wordt een ramp wanneer de volgende paus ervoor kiest zichzelf Escrivá I te noemen. En toch ligt niet hier de essentie. Die ligt bij u en mij, daar waar we, in verbondenheid met velen, en in de tijd waarin we leven, gestalte geven aan de droom van God, aan onze droom. |
|
Reageren
op bovenstaand artikel kan door onderstaand formulier in te vullen en op de knop
verzenden te klikken.
Indien gewenst, wordt uw reactie anoniem op de website geplaatst (als u het
vakje "Graag anoniem" aankruist). Het is wel noodzakelijk je bekend te maken aan
de TGL-redactie door het vak "Naam" in te vullen.