MEER ONENIGHEID DAN EENSGEZINDHEID
Vaticanum II, kerk
en politieke gemeenschap
(tekstfragment)
| RUUD HUYSMANS |
De katholieken in onze landen zijn veranderd. Zij zijn maatschappelijk gaan delen in de algemeen verbreide cultuur. Daarin komt het op het individu aan om te kiezen en zijn of haar eigen waarden en normen uit te vinden en vast te stellen. Daar kennen wij de grote woorden voor van individualisering, afname van de betekenis van sociale, dragende verbanden zoals milieu, familie, kerk, school en buurt, emancipatie uit van boven komende, voorgeschreven regels, kortom van toegenomen subjectiviteit. Het menselijk subject is meer dan vroeger ontwerper van zijn opvattingen en meningen geworden, genoopt als hij om uit de veelheid van mogelijkheden zelf een voorlopige keuze te maken. Bijna in elk doopgesprek hoor je als pastor de verleiding om het kind niet te laten dopen, zodat het later zelf vrij zal kunnen kiezen. In of beter ten aanzien van de kerk heeft zich een tweedeling ontwikkeld. Uit het Concilie kwam de kerk, meer dan in de eeuwen daarvoor, te voorschijn als gemeenschap van gelovigen. Zij was niet meer allereerst een organisatie van mensen, strak geleid door een kerkelijke overheid van paus, bisschoppen en priesters. Toch is dat begrip van gemeenschap, van communio, zoals dat later genoemd werd, in de kerkelijke verhoudingen en in het bewustzijn van katholieken in onze noordwest Europese cultuurkring niet vlees en bloed geworden. De encycliek Humanae vitae van Paus Paulus VI in 1968, die kunstmatige voorbehoedsmiddelen afwees, sloeg een diepe wonde in het vertrouwen van katholieke leken en pastores in de pauselijke kerkleiding. Mede daardoor hanteert sinds de zestiger jaren van de vorige eeuw, al kort na Vaticanum II, de gemiddelde katholiek het onderscheid tussen de kerk als instituut en de kerk als geloofsgemeenschap. Het eerste staat op afstand van hem, is vaak vreemd en onbegrijpelijk geworden, het tweede is hem dierbaar. Het instituut wordt meestal geplaatst in de kerkleiding van paus, Romeinse Curie en sommige bisschoppen. De gemeenschap wordt ervaren in de kerk aan de basis, in de parochies en de geestelijke centra. Deze tweedeling is in het bewustzijn gebleven.
De hervorming van het kerkelijke recht na het Concilie, door paus Joannes Paulus II voltooid met het kerkelijke Wetboek van 1983, heeft die tweedeling niet kunnen veranderen. De hiƫrarchische inrichting van de kerk is en blijft sterk in handen van het pausschap, van de afzonderlijke bisschoppen en van de parochiepastoors. Zij bepalen de koers en zijn daarbij sterk van elkaar afhankelijk en aan elkaar onderworpen. Er zijn wel inspraakorganen van ondergeschikten gekomen, zoals de synode van bisschoppen, de diocesane raden en de parochieraden. Maar hun invloed hangt heel sterk af van wat de paus, de bisschop of de pastoor toelaat, van hun openheid. En vele, belangrijke kwesties worden niet van te voren aan die inspraakorganen voorgelegd, laat staan daar doorgesproken.
De integrale versie is te lezen in TGL 2005/4
Reageren
op bovenstaand artikel kan door onderstaand formulier in te vullen en op de knop
verzenden te klikken.
Indien gewenst, wordt uw reactie anoniem op de website geplaatst (als u het
vakje "Graag anoniem" aankruist). We vragen wel je bekend te maken aan
de TGL-redactie door het vak "Naam" in te vullen.