Het ‘sicut erat’-gevoel
(column)
| Piet Hoogeveen |
Met studenten logeerde ik enkele dagen in
de Norbertijnenabdij van Averbode. Van daaruit bezochten we diverse
kerken, abdijen en begijnhoven in de wijde omgeving als onderdeel
van een kleine studiereis. In het bijzonder de begijnen en hun
hoven, deze ‘cities of ladies’ hadden onze interesse. We bespraken
de opkomst ervan en de snelle verspreiding in de dertiende eeuw. We
gingen de motieven na achter deze vrouwenbewegingen en de mogelijke
verklaringen van de naam ‘begijn’ die niets te maken heeft met de
ketterse stroming van de Albigenzen, en al evenmin is afgeleid van
de heilige Begga, maar mogelijk wel van doen heeft met het prevelen
of murmelen van gebeden.
In de abdij prevelden we zelf ook het nodige af, want tijdens de
metten en completen stonden we in het koor samen met de witheren. Ik
moest wel wennen. Het langzame ritme van zingen, het weggezakte
Latijn van het Salve Regina, ik struikelde regelmatig over mijn tong
en raakte van de wijs.
Maar wat me de meeste moeite kostte waren
de psalmen in het Nederlands op je nuchtere maag. Die nemen echt
geen blad voor hun mond. De roede van Gods toorn werd niet gespaard,
want toevallig troffen we net psalm 78 waarin niet alleen de
Egyptenaren, maar ook de kinderen Israëls er van alle kanten van
langs krijgen als God zelf uit zijn slaap verrijst.
Maar op het eind is er dan de pleister op de wonde: alle
luidruchtige wreedheid wordt weggenomen in het kalmerende ‘eer aan
de Vader, de Zoon en de heilige Geest’, zoals het was in het begin
...’, of liever nog in het Latijn: ‘sicut erat in principio ...’ Die
paar woorden geven me altijd een grote rust. Ze verbinden me met
iets dat oneindig veel groter is, met zoals de Anglicaanse liturgie
dat noemt: ‘world without end’. De wereld is niet God. Het is
omgekeerd: God is wereld, waardoor we zijn bepaald en bevrijd, het
voorgegeven objectieve, het ons omgevende en dragende.
Ooit wilde ik een groot warenhuis binnengaan. Voor mij zag ik een moeder met een kind van een jaar of vijf. De elektrische glazen toegangsdeuren gingen open. De moeder passeerde de deuren, maar het kind treuzelde en de deuren sloten zich weer. Het kind liep snel naar zijn moeder, maar de deuren gingen niet open. "Je moet eerst teruggaan", riep zijn moeder van achter de gesloten deuren. Maar de jongen begreep dat aanvankelijk niet. Die wilde zo snel mogelijk naar zijn moeder. Het heeft nog wel eventjes geduurd voor hij er achter kwam dat hij wat stapjes achteruit moest gaan, wilde de deuren opengaan. In ons spreken over God lijken we soms op dat kind. We willen te snel. We moeten eerst een stukje achteruit, dan gaat het mysterie open. Religieuze taal is nooit recht toe recht aan. Het is taal met omwegen. Lange, soms onbegrijpelijke psalmen eerst en dan pas word je toegelaten tot het ‘sicut erat’-gevoel waarbij de haartjes op mijn arm overeind komen.
Lees de columns van Piet Hoogeveen in TGL
2007/4