A.M. Van de Walle, Heverlee |
DE EERSTE DAG RONDLEIDING IN EEN RUST- EN VERZORGINGSTEHUIS
|
Een plek waar zo'n
honderd,
veelal zorgbehoevende, oude mensen
samenwonen, kent zijn eigen regels. Wie
zich daar voor het eerst in beweegt, begrijpt
niet steeds de onderliggende logica, maar ziet wel
scherper zaken die voor anderen gewoonte zijn geworden.
Ze hebben lang moeten wachten vooraleer ik in het rusthuis kwam werken.
En dat is voelbaar de eerste dag. Bij de rondleiding door het huis word ik
overal van harte welkom geheten. Niet dat iedereen mij graag ziet komen, ze
kennen mij trouwens niet. Maar de laatste maanden waren blijkbaar behoorlijk
zwaar voor iedereen. Ze zijn dus blij dat er eindelijk weer iemand aan het
hoofd van de dienst animatie en pastoraal staat.
Iedere maand maken ze hier een huiskrant die in alle kamers
rondgedragen wordt. Ik doe de ronde met één van de animatoren. Het is voor mij
een ideale gelegenheid om alle bewoners eens te groeten. Met honderd twintig
zijn ze. Ik krijg meteen als in vogelvlucht een zicht op het geheel. De
contacten zijn erg uiteenlopend. Niemand weet wie ik ben en wat ik bij hen kom
doen. Af en toe helpt de verwijzing naar mijn voorganger. Sommigen zien me
niet, horen me niet, begrijpen niet wat ik zeg. Bij velen is het op de kamer
ook erg stil. Ze liggen in bed of slapen in hun fauteuil. Elke kamer is anders.
Van onpersoonlijk kaal tot gezellig knus. Het valt mij op dat de kamers van de
mannen zo koud aandoen.
RUSTHUIS : WHAT'S IN A NAME?
Mijn eerste maand in het rusthuis zit er intussen op. Rusthuis is geen
goed woord. De vlag dekt de lading niet. Officieel heet dit een rust- en
verzorgingstehuis, verkort een RVT. Tot nu toe vind ik het zelf ook meer
gelijken op een verzorgingstehuis dan op een rusthuis. De honderdtwintig mensen
die hier wonen zijn oud -om niet te zeggen zeer oud- en bijna allemaal hebben
ze verzorging nodig. De dagelijkse handelingen die wij, valide en gezonde
mensen zo evident vinden, zijn hier hooguit nog als mogelijkheid overgebleven.
Irma kan nog alleen eten, Jules kan nog zelf naar het toilet gaan, Maria kan
zich nog zelfstandig wassen en omkleden. De meesten zijn voor deze gewone
dingen aangewezen op de zorg van een ander. In de eerste plaats het personeel.
Veel jonge mensen zijn het. Velen werken deeltijds, en onder hen zijn er ook
opvallend veel vrouwen -ook van de bewoners is drie op vier vrouw. Ik schat
dat er op honderd vrouwen slechts twee mannen werken. Zeker in de verzorging.
De directie is eenzijdig mannelijk en de technische ploeg ook. Onze dienst
animatie en pastoraal is uitsluitend vrouwelijk. Zolang we geen aalmoezenier
hebben zal dat zo blijven. Had ik het anders verwacht?
De bewoner staat hier centraal, dat heb ik al vlug door. Mensen wonen
hier. Meestal voor de rest van hun leven. Sommigen beseffen dat goed, anderen
willen dat niet weten. Wonen is meer dan ergens huizen. Wonen is een
comfortabel huis hebben met alles erop en eraan. Een plek voor jezelf met alle
intimiteit, een plek waar je met andere mensen samen kan zijn. Wonen is een veilige
plek, voor jezelf, voor mensen die je graag ziet.
ZONDER DREMPELS ?
Meestal zijn mensen hier alleen. Omdat ze altijd alleen geweest zijn, omdat hun partner gestorven is of zelf zorg nodig heeft, omdat de zorg niet meer door eigen kinderen of familie kan opgenomen worden. Ze zijn alleen, maar het is een open huis. Er zijn geen voorgeschreven bezoekuren, de deur staat altijd open. Behalve op de dienst voor demente bewoners. Daar gaat de deur niet vanzelf open. Langs de buitenkant moet je enkel op een knop duwen, van binnenuit werkt het met een code. Hier leven mensen in een andere orde van tijd en ruimte. De ruimte van hun straat, hun woning, hun bed en zetel geven hen een veilig gevoel. Het is opvallend rustig op deze dienst. Ook al kijken ogen je soms verwarrend aan of klampt iemand zich verlangend aan je vast. Het is een vreemde wereld voor mij. Er is een drempel die ik over moet. Zolang ik niet meer weet over de wereld van deze mensen voel ik mij niet veilig. Niet dat ik schrik heb, het is meer een gevoel van onzekerheid. Ik kan niet terugvallen om mijn automatische denkpatronen en gedragsmechanismen. Hier is een andere logica aan de orde, of beter gezegd, hier heerst een andere orde. Een oneindigheid zonder grens. Ik moet hier mijn weg nog vinden.
NIEUWE WOORDEN,
NIEUWE WERKELIJKHEID
Ik leer hier veel nieuwe woorden of gekende woorden krijgen een nieuwe
inhoud. De mensen in deze sector gebruiken ze dagelijks, voor mij onthullen ze
elke keer een ongekende realiteit. Het zijn meestal termen uit de verzorging :
een zitschaal, een korrelbanaankussen, maaltijdbegeleiding, zitcomfort,
teutbekers,...
Ik dacht ook dat ik wist hoe een rolstoel eruit ziet. Nog nooit heb ik
zoveel soorten rolstoelen bijeengezien. En evenveel variaties in voeding, incontinentiemateriaal,
hulpmiddelen om te zitten, te liggen of te staan. Het is alsof hier elke
bewoner zijn eigen stel accessoires heeft. Ieder mens is verschillend, dat weet
ik, maar hier krijgt iedere persoon ook de zorg die hem of haar het beste past.
Het is de veruitwendiging van de visie van dit huis. Voor mij, een leek in het
vak, gaat een ongekende wereld open.
Er zijn ook woorden die taboe zijn. Er zijn hier geen patiënten, alleen
bewoners. Bejaardenhelpers zijn er ook niet, alleen verpleegkundigen en
verzorgenden. Sommige uitdrukkingen krijgen ook een andere inhoud. Mensen
hogerop brengen bijvoorbeeld. In mijn ervaring klimmen mensen zelf hogerop, op
de maatschappelijke ladder of in een bedrijf. Dat iemand een ander hogerop
brengt kan misschien wel maar ik heb het nog weinig zien gebeuren, toch niet
zonder een heel klein tikkeltje eigenbelang erbij. In dit huis brengen ze
mensen hogerop. Als een bewoner onderuit gezakt is, in haar stoel of in haar
bed, dan helpen verzorgenden haar hogerop. Ze schuiven haar naar boven of
zetten haar rechtop opdat ze beter zou zitten of liggen.
BELANGLOZE INZET
Bij de verkenning van mijn werkterrein in dit huis horen ook de
vrijwilligers. Ze doen allerlei werk: boodschappen, strijken, administratie,
maaltijdbegeleiding. Velen vind ik terug in de ‘pastorale’ sector : ze brengen
de mensen naar de kapel, zingen in het zangkoor, dragen de communie rond, lezen
voor in de mis, zetten alles klaar voor de viering. Een grote groep houdt ook
de cafetaria open, gaat met de bewoners mee op uitstap of helpt bij allerlei
activiteiten in huis.
Er is ook wat ik zou noemen een ‘harde kern’. In elke vereniging kom ik
ze tegen. Mensen die overal bij zijn. Het zijn een soort
‘beroepsvrijwilligers’. Ze doen mee in het rusthuis maar zijn ook actief in de
parochie en allerlei andere verenigingen. Ze leven van dit vrijwilligerswerk.
Het is niet altijd gemakkelijk om met hen samen te werken. Ze hebben zo hun
verworven rechten en hun werkterrein waar je liefst niet teveel aan raakt.
Het valt mij op hoe ‘persoonlijk’ deze mensen met het huis verbonden
zijn. Elk van hen heeft wel een moeder, vader, buur of vriend als bewoner in
dit huis gehad. Het is alsof men uit dankbaarheid voor de gekregen zorg en
aandacht, nu deze zorg wil teruggeven. Sommigen zeggen dat ook expliciet.
"Het huis heeft zoveel voor ons gedaan, nu wil ik ook iets
terugdoen". Bij velen speelt, wellicht onbewust, ook het eigenbelang mee.
Ze hopen stiekem dat zijzelf of hun naaste familie hier later terecht kunnen.
De inzet groeit soms a rato van het eigenbelang en neemt evenredig af als dat
eigenbelang in het gedrang komt. Een welbegrepen ‘eigenbelang’, kan je dat een
mens kwalijk nemen?
HET EERSTE OVERLIJDEN
Ze hadden mij gewaarschuwd. Om de tien dagen sterft hier iemand. Ik was
drie weken aan het werk toen Jeanne overleed. Een korte mededeling op de
dagelijkse briefing van alle diensthoofden om negen uur 's morgens. De
procedure schiet in gang. Ik bereid mij voor op wat ik (nog) niet weet en ken.
Ik ken deze mevrouw niet. Hoe verloopt het contact met de familie, hoe wordt de
begrafenis geregeld? Wat gebeurt hier in huis? Wie doet wat? Op welk moment
moet de dienst pastoraal in actie schieten? Ik maak me nodeloos ongerust.
Iedereen weet heel goed welke haar taak is. De meest betrokkenen zijn toch
steeds de mensen die de bewoner met de dagelijkse zorg omringen. Zij hebben
haar ontelbare keren in bed geholpen, bij het wassen, het eten, het aankleden,
het verzorgen. Zo'n tastbaar contact laat zijn sporen na, onherroepelijk, ten
goede of soms ook ten kwade. Soms is er een goed contact met de dienstdoende
aalmoezenier, niet altijd. Deze vrouw en de familie had nog veel banden met de
thuisparochie. Ze zal daar ook begraven worden en dus is er voor ons nauwelijks
werk aan de winkel.
Ogenschijnlijk verandert er in huis niets. Iedereen doet zijn werk als
naar gewoonte. Een dagelijkse bezoeker merkt het verschil niet. Op de dienst
waar de overledene woonde staat een foto met een bloemetje erbij. Klein en
sereen.
Ik moet wennen aan de gedachte dat er hier een dode is opgebaard in de
kelder (waarom ligt een mortuarium in de kelderverdieping?). Enkele dagen later
zie ik hoe ze het lichaam, opgeborgen in een ijzeren kist, in de auto schuiven.
Wij zitten in de vergadering, niemand slaat er acht op. De auto rijdt weg. Weg
de dood in huis.
Een week later sterft Frans. Zijn vrouw woont ook in dit huis, op een
aparte kamer. Het leven met twee was niet meer draagbaar, voor geen van beide.
Ik had hem op zondag nog gezien met zijn vrouw en de kinderen in de cafetaria.
Ze vierden zijn verjaardag mét zijn dagelijkse sigaret. Zijn vrouw bracht
altijd zijn sigaret aan zijn mond en hij rookte. Het was zijn laatste. Nu loopt
zijn vrouw doelloos rond. Weet ze wat er gebeurd is? Beseft ze het? Dringt het
tot haar door? Haar dochters zeggen van niet. Ik weet het niet, kan het niet
weten omdat ik haar niet ken. Maar het gemis van haar dagelijkse wandeling naar
het cafetaria, de dagelijkse sigaret die ze voor haar man opsteekt, verwart
haar, dat zie ik wel.
De dag na zijn dood is het Allerzielen. Bewoners gaan naar het kerkhof
en daarna is er pannenkoekenbak. Een plaatselijke gewoonte. In de gang kom ik
de dochters tegen. Ik nodig hen uit om een pannenkoek mee te eten, in de
cafetaria. Ze gaan moeder halen. "Het zal haar deugd doen", zeggen
ze. "En we hebben er zelf ook zo'n trek in". Het is goed te beseffen
dat de dood het leven niet in de weg staat.
Twee dagen na Frans sterft Edgard. Het gaat altijd zo, zeggen ze hier.
Weken geen dode, en dan opeens drie in nog geen twee weken tijd. Is doodgaan
seizoensgebonden? Of bewerkt het doodgaan van de één de dood van een ander? Of
is het louter toeval?
COMFORT BOVEN ALLES
Vandaag heb ik tiloefeningen. Ik vraag mij af wat ik, als diensthoofd
animatie en pastoraal, daarmee kan doen. Maar de regel is hier : het comfort
van de bewoner staat centraal en elk personeelslid moet op elk moment aan die
bewoner dat comfort kunnen geven.
Iemand rechtop doen staan is iets anders dan iemand recht trekken. Ik
leer nu zelf iemand hogerop brengen, letterlijk dan. Ik besef dat hier niet
alleen het comfort van de bewoner maar ook dat van het personeel van tel is.
Alles moet rugsparend zijn want het werk is hier zwaar. Niet alleen fysisch
trouwens. Dit jaar alleen al zijn er 39 mensen overleden. Dat doet iets.
Volgende keer gaat het over zitcomfort. Er zal ook wel zoiets als
ligcomfort bestaan maar aan die les ben ik nog niet toe.
OVER VEILIGHEID EN HYGIËNE
We bereiden met onze ploeg het Sinterklaasfeest voor. Alle kinderen en
kleinkinderen van personeel, bewoners, familie, vrijwilligers mogen komen. Ik
weet niet hoeveel volk dat voorstelt, maar in ieder geval een heel pak. 't
Wordt dus een hele klus om dat comfortabel en leefbaar voor iedereen te
organiseren. Er moet natuurlijk ook snoep zijn. Voor de kinderen én voor de
bewoners. En ook strooisnoep voor de Pieten, zo stel ik voor. Maar dat mag
niet! De regelgeving op de hygiëne stelt dat alles apart voorverpakt moet zijn.
Er zijn nog zo van die gekke regels: wat uit de centrale keuken komt, mag er in
geen geval nog ooit terug in, of het eten dat opgediend wordt, moet
onmiddellijk opgegeten worden. Zo’n huis blijkt niet alleen een haard van
allerlei ziektekiemen te zijn, de bewoners zijn ook uiterst kwetsbaar. Vandaar...
Nergens -alleen voor de kapel is een uitzondering mogelijk- mag een
kaars of een extra lampje branden, omwille van de veiligheid. Ik had er nooit
bij stil gestaan. Maar als je mogelijkheden verzwakken - je kan zelf niet
bewegen of je onthoudt niet meer wat je doet - dan zijn zo’n regels natuurlijk
geen overbodige luxe. Het maakt alles wel erg ingewikkeld voor diegenen die met
de zorg voor deze mensen belast zijn. Het is voor mij een zeer grote
aanpassing.
Soms zijn het ook heel praktische dingen: dat dertig rolstoelen in een
zaal erg veel plaats innemen, dat alle mensen naar de activiteiten moeten
gebracht worden en dat zoiets tijd in beslag neemt van andere personeelsleden,
dat op uitstap gaan betekent dat je naast de bewoners evenzoveel vrijwilligers
moet optrommelen om mee te gaan. Ik voel me net een kind dat de wereld nog moet
ontdekken.
ANIMATIE
Animatie is een zeer ruim begrip. Dat heb ik
intussen al begrepen. Een vrouw vraagt me of ik voor haar kleine kaartjes in
karton kan klaarmaken. Ze heeft een blauw plunje aan, dus werkt ze bij de
huishoudelijke diensten. Ik ken haar niet en vraag waarvoor die kaartjes moeten
dienen en waarom ik die moet maken. “Het is voor de karren met de was en die
maakten jullie altijd”, antwoordt ze mij. Als ik haar vraag wanneer ze die moet
hebben zegt ze heel vrank: “Onmiddellijk”. Ik zeg dat ik mijn best zal doen
maar dat het onmogelijk direct kan. Heel verwonderd gaat ze weg. Ik ben even
verbijsterd als zij.
Kaartjes knippen voor de karren van de was ! Geen enkel werk is me te
min, maar dat ook dit tot het takenpakket van animatie behoort, daar blijft
mijn gezond verstand wel even bij stilstaan. Mijn voorganger was zeker een heel
goed mens die iedereen wou helpen zoveel hij kon. Ik zit een beetje anders in elkaar,
denk ik nu.
Ik troost mij met de gedachte dat het geluk in de kleine dingen zit. De
volgende morgen heeft ze haar kaartjes.
AFSCHEID
Het moeilijkste moment voor mij is 's avonds weggaan uit het huis. Mijn
bureel ligt midden tussen de kamers van de bewoners. Als ik 's morgens aankom
zit Jeanne al in de zithoek in boekjes te bladeren of is ze de waterkannen aan
het vullen. 's Avonds zit ze meestal alleen te eten in haar kamer. Nu het vroeg
donker wordt zit ze daar in het schemerduister. Haar kamerdeur staat open. Ik
loop stilletjes voorbij. Wat zal ik zeggen? Smakelijk of slaap lekker? Ik ben
bang voor de confrontatie tussen haar eenzaam bestaan en mijn rijkgevulde
leven. Ik ga naar huis, naar man en kinderen. Praten over wat die dag is gebeurd,
samen eten, nog lekker wat keuvelen, een bezoekje brengen, naar een vergadering... zoveel te doen. Zoveel dat ik nog kan doen.
Ik besef het meer dan ooit.
Reageren
op bovenstaand artikel kan door onderstaand formulier in te vullen en op de knop
verzenden te klikken.
Indien gewenst, wordt uw reactie anoniem op de website geplaatst (als u het
vakje "Graag anoniem" aankruist). We vragen wel je bekend te maken aan
de TGL-redactie door het vak "Naam" in te vullen.