Solidariteit

6/9/2000
Paul De Witte
[email protected]

Geef uw mening op deze reactie

Het is mij en wellicht ook u opgevallen dat er in de media nog steeds veel gesproken wordt over solidariteit. Zeker in tijden van naderende verkiezingen ligt het begrip ‘solidariteit’ goed in de mond, vooral in die van politici. Maar anderzijds zeggen professionele en andere ‘competente’ waarnemers van onze cultuur dat het uitgerekend niet goed gaat met de solidariteit. Neen, zeggen ze, het individualisme viert hoogtij en de bereidheid tot solidariteit lijkt voortdurend verder af te kalven, behalve dan met het eigen huis en de eigen tuin, het eigen volk, de eigen kleur, de eigen kerk, want het hemd is en blijft altijd nader dan de spreekwoordelijke rok.

En toch wordt er veel over solidariteit gesproken. Maar dat moet ons uiterst attent maken, want er bestaat zo iets als "de inflatie van de woorden", naar analogie van de inflatie of de ontwaarding van het geld. Als we hiermee geen rekening houden, namelijk met de ontwaarding van bijvoorbeeld het woord solidariteit, dat zijn misverstanden en volksmisleidingen niet te voorkomen. Het woord verliest zijn waarde en zeggingskracht wanneer het zomaar onnadenkend wordt gebruikt, bijvoorbeeld omdat iedereen het gebruikt of omdat het in één of ander kraampje past.

Daarom waag ik mij aan een poging om vanuit de etymologie tot de eigenlijke en oorspronkelijke betekenis van het woord solidariteit door te dringen. Of alles wat ik schrijf wetenschappelijk taalkundig juist is, weet ik niet, maar mijn gedachtegang wijst mij in ieder geval een weg.

Solidariteit bestaat uit twee woorddelen: soli en dare. Als mijn kennis van het Latijn me niet bedriegt, betekenen deze woorden: alleen en geven. Op het eerste gezicht zegt dat niet veel, maar bij nader toezien kunnen we ze zo vertalen: aan mensen de mogelijkheid schenken om als zelfstandige personen te kunnen functioneren, dus om alleen en op eigen stevige benen te staan. Zo is het opvoeden van kinderen een daad van grote solidariteit, omdat het een proces is waarbij ouders zichzelf geleidelijk overbodig maken waardoor het kind meer en meer een op zichzelf staand persoon kan worden. Een ander etymologisch toemaatje: solidariteit is soliditeit (stevigheid) schenken.

Vanuit deze beschouwingen is het wellicht duidelijk dat een bepaald gebruik van het woord solidariteit onverantwoord is: alles wat bijvoorbeeld ruikt naar paternalisme-uit-de-hoogte kan nooit solidariteit genoemd worden, omdat echte solidariteit erin bestaat dat we mensen de kans geven om weerbaar te worden, om in een samenleving als zelfstandig mens te leven.

Als ik deze gedachten wat concreet wil maken, dan moeten we ons de vraag durven stellen of binnen een op winst gerichte kapitalistische maatschappij en de erbij horende logica het woord solidariteit niet fundamenteel misplaatst is. Het discours over solidariteit is binnen die neoliberale logica een poging om appelen voor citroenen te verkopen. Principieel is solidariteit binnen het kapitalisme onmogelijk omdat het kapitalisme er niet op uit is om mensen te laten functioneren als op zichzelf staande personen, maar om mensen te gebruiken in dienst van het systeem, dat enkel op winst gespannen staat. Solidariteit kan dus enkel in overdrachtelijke betekenis gebruikt worden: een beetje om de pil te vergulden, een doekje voor het bloeden. Echte solidariteit kan dus enkel in het kader van een tegenbeweging binnen, aan de rand of buiten het systeem van de hoofdstroom, die fundamenteel antisolidair is.

Daarom heeft het Breed Beraad van het Netwerk van Kritische Christenen en Basisgroepen er bewust voor gekozen om haar komende ontmoetingsdag (25 november 2000) te plaatsen onder het motto solidaire stemmen (klik hier voor meer info over het programma). Geen grote en hoogdravende toespraken. Maar een ontmoetingsdag waarop we elkaars verhalen van pogingen tot solidariteit willen beluisteren.

Waar we elkaar willen bemoedigen op de weg. En waar we ook mekaar kunnen laten aanvoelen hoe we ons kunnen laten dragen door een verankerde en diep gewortelde spiritualiteit, die ik uitstekend verwoord vind in een tekst van Jan Van Kilsdonk (Gezegend de Onzienlijke, Kok Agora 1988, p. 180-181), waarmee ik deze bijdrage wil afronden:

    Het enige beeld van God is de mens.
    Niet de abstracte mens, niet een denkbeeld van de mens, maar de concrete mens,
    jij, met je haar, met je ogen, met je lippen en je mond,
    met je borsten, je schoot en je zaad, met je zonnige en met je schurftige huid,
    beeld van God, de enige plek van openbaarwording van God.
    Wanneer ik je aankijk – of liever, wanneer jij mij aankijkt –
   
niet via het loket of over de toonbank, maar in een bescheiden ritseling van het menszijn,
    als je blik vraagt om herkenning ,om een kleine dienst,
    maar die de kern van je menszijn raakt,
    dán is die blik een onweerstaanbaar of liever onontkoombaar appèl op mij.
    Die blik is de plek van openbaarwording van God.
    God is nergens anders,God is echt nergens anders.
    Overal elders waar ik God zou zoeken, is een alibi, een ontsnapping, een verdoving,
    een uiterst ingewikkelde begoocheling.
    God is nergens anders dan in de absoluutheid van die blik.

Geef uw mening op deze reactie