Inleiding

LEES MEE

Eigentijds leven als religieus leven
Het hernieuwde belang van een traditie

 

Hoofdstuk 1

In het spoor van Thecla
Dominicaans leven als religieus leven door leken

 

Hoofdstuk 2

Met de ogen van een levende ziel
Dominicaanse spiritualiteit

 

Hoofdstuk 3

De woede van Teresa, de hartstocht van Catharina
Contemplatie in actie

 

Hoofdstuk 4

Als een antenne
Dominicaans leven als voortdurend gebed

 

Hoofdstuk 5

Een vreemdeling op aarde
Wonen in rusteloos zoeken

 

Nawoord 

Dominicaans: een identiteit die er geen is

 

Literatuur

 

    Inleiding
    Eigentijds leven als religieus leven
    Het hernieuwe belang van een traditie

In de tweede helft van de negentiende eeuw, toen in de Verenigde Staten van Amerika het grootste deel van de indianen uitgeroeid was en de overgeblevenen zonder macht en invloed waren verbannen naar reservaten, werd hun levenswijze door de Amerikanen van Europese afkomst ontdekt. Hun leven dicht bij de natuur leek een aantrekkelijk alternatief voor de verstedelijking, de industrialisering en de consumptiemaatschappij die begon te ontstaan.

Het lijkt er soms op dat er met de hedendaagse belangstelling voor religie en spiritualiteit iets soortgelijks aan de hand is. Met name de belangstelling voor het religieuze leven is in dit verband verwonderlijk.

Het religieuze leven: een museumstuk?

Nu in onze streken de kloosters steeds verder vergrijzen en in Nederland veel orden en congregaties hun einde onder ogen zien, is er tegelijkertijd grote belangstelling voor de kloosterlijke manier van leven. Toen in Nederland in het voorjaar van 2000 een dag werd georganiseerd waarop de kloosters open huis hielden voor iedereen die maar op bezoek wilde komen, was de belangstelling overweldigend. En de kloosterlijke gastenverblijven trekken steeds meer bezoekers. In een cultuur van uiterlijkheid zoeken velen contact met de wereld van religieuzen, omdat zij het gevoel hebben dat daar het innerlijk nog centraal staat. Mensen die ervaren te worden meegesleept door het haastige levensritme, zoeken in het klooster tijdelijk een ordening die het mogelijk maakt de tijd te beleven als een gestalte van de eeuwigheid.

Dit doet mensen klaarblijkelijk goed. Maar tegelijk lijkt het erop dat het kloosterleven voor veel hedendaagse mensen juist aantrekkelijk is omdat het niet past bij het leven dat zij verder leiden. Wat overdreven gezegd: veel hedendaagse belangstelling voor het religieuze leven lijkt voort te komen uit de verrassing dat een levensvorm die in ons cultureel klimaat onmogelijk geworden is, toch nog bestaat. Vanwege de inspanning die het hedendaagse leven kost, vanwege de last die het betekent om steeds maar mondig en goed geïnformeerd te zijn opdat je succesvol kunt zijn in het maatschappelijke en persoonlijk leven, hebben mensen in onze tijd behoefte aan plekken van rust en ruimte, plekken waar zij tijdelijk van hun vele plichten ontslagen zijn. Zij verlangen naar een leven dat niet gericht is op beheersing en controle, maar op ontvankelijkheid en openheid voor wat zich aandient. En iets van dit leven vinden zij blijkbaar in kloosters en religieuze gemeenschappen. Toch overwegen maar weinigen het leven van de gemeenschap waar ze te gast zijn daadwerkelijk te gaan delen. Het kloosterleven in de gestalte die vooral in de negentiende eeuw ontstaan is en waarvan wij de nadagen lijken te beleven, is voor opmerkelijk veel mensen een oase van rust. Maar blijkbaar is het voor hen geen werkelijk alternatief voor hun spanningsvolle bestaan. Hoe graag zij zich er ook tijdelijk bij aansluiten, de kloosterlijke vorm van religieus leven is voor hen geen reële levensoptie.

Het is van grote waarde dat er plaatsen zijn waar mensen zich tijdelijk ontslagen mogen weten van de plicht op te komen voor zichzelf en degenen met wie zij verbonden zijn, plaatsen waar zij kunnen voelen dat het leven niet gemaakt kan en moet worden, maar waar zij zich ten diepste 'om niet' gekoesterd en gedragen mogen weten. Maar het lijkt wel problematisch dat de belangstelling voor het religieuze leven op deze manier vergelijkbaar wordt met de belangstelling voor oude huizen of beschermde stads- en dorpsgezichten; men spreekt in dit verband wel van 'musealisering'. Oude voorwerpen in een museum, oude gebouwen op de monumentenlijst, folkloristische gebruiken maken geen deel meer uit van het reële leven, en precies dat maakt hen aantrekkelijk. Het geeft mensen de mogelijkheid even vakantie te nemen van de alledaagse verplichting alert te zijn op het laatste nieuwe dat zich aandient. Terzijde van de hectische hedendaagse veranderlijkheid, suggereren zij een continuïteit en stabiliteit waarin je je tijdelijk kunt koesteren.

Eigentijds leven als religieus leven

Als dit de gestalte is waarin het religieuze leven aan hedendaagse mensen verschijnt, dan dreigt één van de belangrijkste kenmerken ervan buiten beeld te raken. Op de beste momenten van zijn geschiedenis maken de gevonden vormen van religieus leven duidelijk dat dit leven reëel mogelijk is. Het belangrijkste kenmerk van het religieuze leven is haar realiseerbaarheid, het feit dat het een praktische mogelijkheid is voor mensen van vlees en bloed, voor ons die voluit deel uitmaken van onze eigen tijd, met alle vragen en mogelijkheden, angsten en gevoeligheden die deze met zich meebrengt, om een waarachtig religieus bestaan te leiden. Dat wil zeggen, een bestaan in verbondenheid met, in toewijding aan, in gerichtheid op het heilige en de Heilige. Een dergelijk bestaan is een mogelijk, een realiseerbaar bestaan.

Als het in dit boekje over religieus leven gaat, dan gaat het over zo'n leven: realiseerbaar en leefbaar, toegewijd en heilzaam. Het is een leven gebaseerd op toewijding aan wat heilig is, en langs deze weg op toewijding aan de God van heil die in de joodse en christelijke tradities ter sprake komt als de God van belofte, van bevrijding, van gerechtigheid, van genezing en verzoening. Religieus leven wordt hier dus niet gepresenteerd als fundamenteel verschillend van het leven zoals mensen in onze tijd dat normaal gesproken leiden. Religieus leven is niet het tegenbeeld van het leven dat onze cultuur voor mensen in petto heeft, niet een leven waarin op wonderbaarlijke manier is aangevuld wat elders smartelijk ontbreekt. De eigen tijd komt hier niet in beeld als een woestijn van godverlatenheid, waarin het religieuze leven dan kan zijn als een oase. De strekking van dit boekje is veeleer omgekeerd. Het wil breken met de vooronderstelling dat het eigentijdse leven religieus gesproken een woestijn is. In het religieuze leven gaat het om het leven en beleven van de eigentijdse situatie als een religieuze situatie. Het is niet zo dat onze tijd in de eerste plaats behoefte heeft aan religie en spiritualiteit. Er is geen gat in onze ziel - bijvoorbeeld de behoefte aan verinnerlijking - of een gat in onze samenleving - bijvoorbeeld de noodzaak van een fundament voor waarden en normen - waar de christelijke traditie, de christelijke spiritualiteit en de traditie van het religieuze leven in zou voorzien. Zoals elke tijd is ook de onze zelf een religieuze tijd. Dit komt op dit moment in het bijzonder aan het licht doordat na een lange periode van secularisatie, religie weer volop in de belangstelling staat.

Zo wordt duidelijk dat onze bestaansvragen vanuit een bepaald perspectief gezien religieuze vragen zijn en de antwoorden erop, de omgangsvormen ermee die wij vinden, religieuze antwoorden en religieuze vormen. Daarom is ons leven al een religieus leven. Misschien is de religie die erin vorm krijgt een valse religie, misschien is de vorm die het leven aanneemt een verkeerde vorm, dat valt allemaal te bezien. Maar het leven van mensen in onze tijd is hoe dan ook al lang een religieus leven. Zij vertrouwen zich toe aan wat volgens hen betrouwbaar is, wijden zich aan en zetten zich in voor wat hen heilig is. En zij laten zich leiden door wat zij als een dragende, uiteindelijk wellicht goddelijke kracht beschouwen.

Opzet van dit boekje

Volgens sommigen is de traditie van het religieuze leven volkomen achterhaald. Volgens anderen is deze traditie juist belangrijk omdat het vasthoudt aan wat elders vergeten wordt. Het uitgangspunt hier is dat de traditie van het religieuze leven niet vreemd is aan wat hedendaagse mensen nastreven en zoeken, maar aan dit streven en zoeken een nieuwe kleur kan geven. De inzet is duidelijk te maken dat de traditie van het religieuze leven in het algemeen, en de dominicaanse traditie in het bijzonder, geschikt is om de eigentijdse vragen van mensen te verhelderen en een manier te suggereren om met deze vragen om te gaan. Deze vragen zijn uiteindelijk een concrete, tijd-, plaats- en persoonsgebonden variant van die ene centrale vraag van het menszijn: de vraag naar een goed en betekenisvol leven. De tradities van religieus leven geven op deze vraag niet een rechtstreeks antwoord, maar zijn er veeleer op gericht deze vraag voortdurend open te houden. Als dit weer duidelijk wordt, kunnen deze tradities helpen - zo helpen zij mij in ieder geval - bij het vinden van een eigen vorm van religieus leven, bij het bewust vormgeven van het eigen bestaan als een bestaan dat is toegewijd aan wat zich aandient als goed en heilig en een spoor is van de Goede en Heilige bij uitstek.

Met het oog hierop heb ik in de hoofdstukken die volgen geprobeerd vrijmoedig naar de tradities van het religieuze leven te kijken, met name naar de dominicaanse traditie. Uitgangspunt is hierbij de grondovertuiging dat het religieuze en toegewijde leven nergens anders geleefd kan worden dan temidden van onze turbulente en steeds weer onzeker makende cultuur. Anders gezegd, dit boekje is bewust geschreven vanuit het perspectief van wat in het kerkelijke jargon een 'leek' heet. Zoals duidelijk zal worden heeft dit gevolgen voor de interpretatie van de dominicaanse traditie en voor wat eruit als belangrijk naar voren wordt gehaald. Behalve inhoudelijk heeft dit perspectief echter ook gevolgen voor de opzet van de tekst. De meeste inleidingen in een traditie van religieus leven gaan uit van de oorsprong, beschrijven de bedoelingen van de stichter of stichteres, volgen de verdere geschiedenis en eindigen bij de hedendaagse gestalten van de betreffende traditie. Dit boekje begint aan de andere kant. In de verschillende hoofdstukken wordt steeds gezocht naar de actuele gestalte van de vragen die aan de basis liggen van het religieuze leven. Vervolgens wordt verkend welk licht vanuit de dominicaanse traditie van het religieuze leven op deze vragen valt. De kernvraag is hoe een leven dat zonder reserve deel heeft aan de eigentijdse situatie, gezien kan worden als religieus leven. En het dominicaanse verleden komt aan de orde in zoverre dit met het oog hierop verhelderend is.

De opzet van dit boekje is dus niet historisch, maar thematisch. Het eerste hoofdstuk gaat over de vraag wat religieus leven is, het tweede gaat in op de eigen dominicaanse invalshoek hierbij. Het derde hoofdstuk spreekt over de specifiek dominicaanse verhouding tussen het zien van het heilige en de inzet voor het heilige, in dominicaans jargon: tussen contemplatie en actie. Het vierde hoofdstuk handelt over bidden in dominicaanse zin en het vijfde gaat over het zwervend bestaan als specifiek dominicaanse vorm van leven. De groten uit de dominicaanse geschiedenis - zoals Dominicus, Catherina van Siëna, Thomas van Aquino, Bartholomé de Las Casas, Francisco de Vitoria - en de minder groten komen ter sprake binnen dit kader, soms zelfs tamelijk uitvoerig. Zij worden echter niet allereerst historisch benaderd, als mensen uit een ver verleden. Zij worden geportretteerd als onze geestelijke voorouders. Zij hebben op hun manier en in hun tijd geworsteld met vragen die ook ons nu bezig houden en daarom heeft het zin kennis te nemen van hun gedachten en visies. Niet dat zij voor eens en voor altijd het juiste antwoord op deze vragen geformuleerd zouden hebben, of dan toch het definitieve dominicaanse antwoord. Maar door ons in de bezinning op onze situatie te spiegelen in hun omgang met de hunne, door in het denken over onze vragen gebruik te maken van hun gedachten, kan een inzicht doorbreken dat werkelijk van ons is, specifiek zicht geeft op onze situatie, maar dat tegelijkertijd in de lijn ligt van de dominicaanse overlevering. Waar dit gebeurt, wordt de dominicaanse traditie door ons voortgezet.

De hoofdstukken van Dominicaanse spiritualiteit. Een verkenning zijn daarom niet geschreven alsof er een dominicaanse traditie voorgegeven zou zijn die slechts aan eigentijdse mensen hoeft te worden uitgelegd om weer vruchtbaar te kunnen worden. Alle hoofdstukken zijn bedoeld als verkenningen van de eigen situatie en de dominicaanse overlevering in het licht van elkaar. Daarbij wordt, als het lukt, langzamerhand een nieuwe waarheid zichtbaar.

Herstichten van het dominicaanse leven

Wie de dominicaanse overlevering inzet als verheldering van de eigen en eigentijdse situatie, meent blijkbaar dat deze traditie alleen kan worden voortgezet door haar radicaal te vernieuwen. Deze overtuiging heeft vanaf de jaren zestig tal van religieuzen ertoe gebracht praktisch te experimenteren met nieuwe vormen van religieus leven en daarop theoretisch te reflecteren. Dergelijke doorgaans kleinschalige experimenten vonden en vinden ook in dominicaanse kring plaats. Het is dankzij degenen die ze zijn aangegaan dat het schrijven over het religieuze leven op de manier zoals het in dit boekje gebeurt, überhaupt mogelijk is.

Deze mensen hebben duidelijk gemaakt dat wie aan het begin van de éénentwintigste eeuw de dominicaanse traditie van religieus leven willen voortzetten, voor eenzelfde opgave staan als de Franse dominicaan Henri-Dominique Lacordaire rond 1840. Lacordaire ontwikkelde in de jaren twintig, dertig en veertig van de negentiende eeuw de overtuiging dat het katholicisme na de Franse revolutie een heel andere vorm diende aan te nemen. In een situatie van democratie, waarin de kerk niet langer via de koning een centrale rol speelde in het publieke leven, diende zij opnieuw haar plaats te vinden. Voor de in zijn ogen noodzakelijke vernieuwing vond Lacordaire aanknopingspunten in de dominicaanse overlevering. Hij herstichtte daarom in Frankrijk de dominicanenorde, die evenals de andere religieuze orden sinds de Franse revolutie verboden was. Lacordaire slaagde erin dit verbod opgeheven te krijgen en in Frankrijk opnieuw een dominicaanse provincie te vestigen, waarvan hij als een van de eersten lid werd, en vervolgens ook overste. Maar hij kwam ook tot een herstichting in de zin dat hij het dominicaanse verleden herlas met het oog op in zijn tijd actuele vragen. Hij haalde uit de dominicaanse overlevering dingen naar voren die in zijn tijd in dominicaanse kring zo goed als vergeten waren en hij nam ook initiatieven om het dominicaanse leven op een nieuwe, aan de eigen tijd aangepaste manier vorm te geven. Voor een dergelijke taak staan wij nu naar mijn overtuiging ook.

Tijdens de voorbereiding op zijn definitieve intrede in de dominicanenorde, schreef Lacordaire een boekje over Dominicus. Hierin wist hij van de stichter van de dominicanenorde een voor zijn tijd verrassend actueel beeld te geven. In de periode dat wij met een twintigtal mensen bezig waren ons voor te bereiden op toetreding tot de Dominicaanse Lekengemeenschap Nederland, die uiteindelijk met steun van de Nederlandse dominicanen op 24 oktober 1999 werd hersticht, ontstonden de eerste hoofdstukken van dit boekje. Er werden teksten geschreven en in kleine kring becommentarieerd, vervolgens werden ze herschreven en tenslotte door meer dan twintig groepjes verspreid over Nederland gelezen en besproken. De meeste van deze groepjes noteerden hun op- en aanmerkingen bij de tekst, en de verschillende hoofdstukken ontstonden na een laatste herziening op basis van dit commentaar. Ik wil op geen enkele manier suggereren dat dit boekje in kwaliteit ook maar enigszins te vergelijken zou zijn met dat van Lacordaire. Toch had ik meermalen het gevoel dat onze onderneming verwant was aan die van hem: de dominicaanse traditie zo in beeld brengen dat het met het oog op de eigen situatie zinvol blijkt er een verbinding mee aan te gaan.

Zo was Lacordaire in zekere zin onze patroon tijdens het schrijfproces. Maar onze mentor was, zonder dat hij dat zelf overigens wist, iemand anders. Zelfs de gedachte om een boekje als dit te maken zou waarschijnlijk nooit hebben postgevat als mij niet een ander boekje met ongeveer dezelfde omvang onder ogen was gekomen. In 1956 - dat wil zeggen: een jaar voordat ik geboren zou worden - schreef de dominicaan Michaël Hensen een boekje dat Dominicaans leven in de wereld heet. Het was bedoeld voor mensen van wat toen de Dominicaanse Derde Orde Gemeenschap heette, de beweging van niet-religieuzen en niet-priesters, van vrouwen en mannen die 'in de wereld' leven en daar op hun eigen wijze een dominicaans bestaan proberen te leiden: in hun beroepsleven en hun huiselijk leven, in hun activiteiten en hun bezinning. Deze Nederlandse afdeling van de dominicaanse 'derde orde' is de voorloper van onze Dominicaanse Lekengemeenschap Nederland. Toen ik Hensens boekje toevalig las, stuitte ik temidden van de verouderde woorden en voorstellingen op inzichten die ik nog verrassend actueel vond. Hensen schreef onder meer: "Meent u ook niet dat een der voornaamste karaktertrekken van onze tijd de onzekerheid is? Iedereen voelt dat wij niet meer op een vast kompas varen. Wij zijn losgerukt uit vele vertrouwde waarden. Wat uw vader en moeder nog voor absoluut zeker hielden, wordt op het ogenblik zonder meer in twijfel getrokken. [...] Misschien behoort u tot die mensen die geestelijk in een soort vacuüm verkeren. Meerdere oude vormen van geloofsbeleving spreken u niet meer aan. U zoekt naar een nieuw evenwicht, naar meer houvast, naar een geestelijk `tehuis' dat aan uw religieuze idealen tegemoet komt. [...] Nu is er in onze dagen een religieuze beweging die u in uw idealisme wil helpen: de Dominicaanse Derde Orde Gemeenschap. Deze beweging is niet nieuw. Zij heeft zeer oude adelbrieven. Haar leefregel dateert van 1285 en werd opgesteld door de toenmalige magister generaal van de dominicanenorde, Munio de Zamora. [...]"

Ik vertelde hierover aan enkele dominicaanse vriendinnen en vrienden. Een aantal van ons meenden dat het goed zou zijn wanneer er opnieuw een boekje zou komen als dat van Michaël Hensen, maar nu gericht op de situatie van bijna een halve eeuw later. Zo begonnen Hans Beemer, Leny Beemer-de Vos, Els van der Ree en ondergetekende in 1998 met het al aangeduide proces van schrijven, bespreken, herschrijven, verspreiden en het verzamelen van de gemaakte kanttekeningen. En niet lang hierna begonnen we met een wat grotere groep aan het proces dat zou uitlopen op de (her)stichting van de Dominicaanse Lekengemeenschap Nederland, zoals de naam is gaan luiden.

Degenen die zich hierin dominicaans verbinden, doen dit in de overtuiging dat de dominicaanse traditie nieuwe zeggingskracht kan krijgen, juist in onze stituatie waarin het vastberaden en tegelijkertijd onzeker zoeken dat Hensen in 1956 al signaleert, de vorm bij uitstek is geworden van het religieus engagement. Dit boekje komt voort uit dezelfde overtuiging en wil deze zeggingskracht concreet beproeven. Als eerbewijs aan Hensen werden de eerste versies van de hoofdstukken verspreid onder de titel Dominicaans leven in de wereld van nu. Deze titel leek ons echter voor dit boekje toch gedateerd, te weinig van 'de wereld van nu'.

Dat Dominicaanse spiritualiteit. Een verkenning er daadwerkelijk gekomen is, ligt in hoge mate aan Hans, Leny en Els. Het is zeker ook te danken aan al diegenen die hoofdstukken gelezen hebben en die af en toe voorzichtig of vrijpostig informeerden wanneer nu de beloofde rest kwam - steeds later dan bedoeld en beloofd. Inhoudelijk is de tekst naar mijn inschatting beduidend beter geworden dankzij hun opmerkingen, met bescheidenheid of met aplomb verwoord, schriftelijk of mondeling tot ons gekomen. Dat dit boekje dankzij Jos Vandikkelen en Ignace D'hert kan verschijnen als extra nummer van Tijdschrift voor Geestelijk Leven, een tijdschrift dat in dominicaans milieu is ontstaan en daar nog altijd wordt gemaakt - en dat door vastberaden te blijven zoeken naar een in het concrete leven verankerde spiritualiteit, bij uitstek dominicaans is in de zin waarop dat hier wordt opgevat - stemt tot grote tevredenheid.

Zonder verworteling in de dominicaanse gemeenschap en in dominicaanse groepen, zonder gesprekken met dominicaanse mensen en contact met dominicaanse denkers geen boekje over dominicaanse spiritualiteit. Tegelijkertijd is de tekst zoals ik die hier voorleg de neerslag van mijn persoonlijke verkenningen van wat volgens mij een geloofwaardige spiritualiteit kan zijn, en van wat ik met het oog hierop in de dominicaanse traditie aan waardevols heb gevonden. Het resultaat laat zien hoe ik mijzelf versta, in welke zin ik mijzelf 'dominicaans' noem en hoe ik de dominicaanse traditie zou willen voortzetten in een voortdurend proces van herstichting. Ik wel maar zeggen dat uiteindelijk niemand voor deze tekst verantwoordelijk is dan ikzelf. Ik leg dit boekje niet voor in de hoop dat anderen mijn visies zonder meer zullen beamen. Ik hoop vooral dat het aanleiding geeft tot verder gesprek tussen mensen met uiteenlopende achtergronden, ervaringen en opvattingen.

Schrijven en lezen als vormen van bidden

Een anonieme dominicaan schreef in 1283 te Toulouse een boekje om degenen die zojuist tot zijn orde waren toegetreden, te onderwijzen en te ondersteunen. Hij liet zijn tekst vooraf gaan door een gebed tot de heilige Geest dat zijn woorden de goddelijke boodschap die hij te verkondigen had waardig zouden zijn, al was hij zelf als persoon deze boodschap onwaardig. Op zich is het in de middeleeuwen gebruikelijk om de onwaardigheid van jezelf als boodschapper sterk te benadrukken en zo de verhevenheid van de boodschap des te scherper te laten uitkomen, maar een dergelijke relativering van de rol van de schrijver heeft in onze tijd wel iets verfrissends. Ontroerend wordt het voor mij echter wanneer deze dominicaanse schrijver laat merken zich afhankelijk te weten van het gebed van de aankomende dominicanen voor wie hij schrijft. Op deze manier laat hij blijken zich te realiseren dat zijn woorden op zichzelf zijn lezers niet met God in contact kunnen brengen en niet kunnen uitleggen wat waarachtig religieus leven is. Niet hij of wat hij zegt kan een ontmoeting bewerken met wat heilig en heilzaam is en het arrangeren van een ervaring met sporen van goddelijke Aanwezigheid ligt buiten zijn macht. Zijn lezers kunnen alleen werkelijk begrijpen waar hij op uit is, wanneer zij dergelijke ervaringen elders al hebben opgedaan en weer zullen opdoen.

Het zal duidelijk zijn dat de teksten uit dit boekje niet op dezelfde manier bedoeld zijn als inleiding in de dominicaanse traditie als de tekst van deze middeleeuwse novicemeester uit Zuid-Frankrijk. Maar ik weet mij, net als hij, afhankelijk van de bereidheid van lezers om hun eigen ervaringen in de tekst in te brengen en zichzelf eruit terug te lezen. De woorden die ik geschreven heb, kunnen wellicht wijzen op haar of hem nog niet bekende, maar niettemin suggestieve teksten en beelden uit de dominicaanse overlevering, of uit de hedendaagse literatuur. De tekst die volgt, reikt hopelijk op gezette momenten een gedachtengang aan die bij de lezer wakker roept wat tot nog toe een slapend bestaan leidde, of een kader voor wat zij of hij tot op heden maar moeilijk kon plaatsen. Maar niets in de volgende hoofdstukken kan iets in het leven roepen. Als produkt van mijn eigen geschiedenis en beschouwing van wat zich daarin aandient, is alles wat ik schrijf aangewezen op hetgeen in de geschiedenis van lezers - individueel en collectief - in het verleden is opgelicht en in de toekomst zal oplichten.

Of anders gezegd: uiteindelijk zijn schrijven en lezen gestalten van verwachting en hoop, vormen van bidden.