THEOLOGIE ALS DEELNAME AAN HET PUBLIEK DEBAT
Een opinie
(Volledige tekst)
| ERIK BORGMAN |
Verschenen in TGL 99/4
Terug naar het citaat
uit dit artikel
waarop u kan reageren
Van
links tot rechts binnen de kerken,
maar ook erbuiten, vindt men dat gelovigen,
en zeker theologen zich meer met het publieke debat
moeten bemoeien. Is het wel verstandig dat theologen zonder
meer op de oproep tot publieke profilering ingaan? Moet niet eerst
de eigen gelovige positie in de samenleving onder
ogen gezien worden?
Theologen zouden zich naar mijn stellige
overtuiging niet mogen laten verleiden over allerlei maatschappelijke kwesties
standpunten te verkondigen vanuit de kerkelijke traditie. Als theologen zouden
wij ons wel moeten laten uitdagen om ons eigen vak, de theologie, als bijdrage
aan het publieke debat te zien en vorm te geven. Of in een stelling
geformuleerd:
theologen moeten niet meer
deelnemen aan het publieke debat, zij moeten er zichtbaarder aan deelnemen.
BLINDE VLEK
Dat
de deelname van theologen aan het publieke debat vaak niet zien gezien wordt,
ook niet door de media, heeft vooral te maken met een blinde vlek. Want, en dat
is meteen mijn volgende stelling, onze cultuur vertoont een blinde vlek als
het gaat om de plaats van religie binnen het moderne leven. Hetzelfde geldt voor
de bijdrage vanuit de religieuze tradities aan de publieke opinie. Die blinde
vlek is er bij journalisten en opinieleiders, bij bestuurders en beleidmakers.
Is het bijvoorbeeld niet opmerkelijk dat het in de discussie over de
betrokkenheid
van mensen bij grote maatschappelijke problemen steevast gaat over het
verval van politieke partijen en de lage opkomst bij de verkiezingen, maar
nauwelijks over de maatschappelijke thema's die centraal staan in tamelijk
massaal bezochte kerkelijke manifestaties. Juist bestuurders die klagen over het
verval van de publieke moraal zien niet hoe juist in religieus gekleurde
organisaties met grote betrokkenheid door zeer grote groepen mensen allerlei
hete maatschappelijke hangijzers worden bediscussieerd en dat deze mensen
daarenboven vaak bereid zijn concrete consequenties uit hun woorden te trekken.
Met een blinde vlek bij anderen valt nog te leven.
Maar het probleem is dat theologen en kerkelijke beleidsmakers vaak dezelfde
blinde vlek vertonen. Het blijkt een uiterst taai vooroordeel dat ‘de
kerk’ pas optreedt als kerkelijke vertegenwoordigers optreden. Zo ook lijkt
het dat theologen pas een theologische bijdrage leveren als zij namens ‘de
theologie’ hun stem laten horen. Mijns inziens zou de inbreng van theologen in
de publieke discussie er juist op gericht zou moeten zijn om ons te bevrijden
van de blinde vlek voor het religieuze in onze cultuur. Enerzijds zouden we
het verborgen theologische gehalte van veel lopende maatschappelijke debatten
moeten laten zien. Anderzijds zouden we de vaak verborgen blijvende publieke
presentie van de kerk, de verborgen maatschappelijke betekenis en inzet van de
theologie en van theologische vragen en discussies, aan het licht moeten
brengen. In dit artikel zal ik proberen deze opvatting nader toe te lichten(1).
OP HET MARKTPLEIN
Laat
ik dicht bij huis beginnen. Zelf voel ik mij als theoloog niet allereerst in het
centrum van het publieke debat staan als ik zo af en toe eens een vulgariserende
bijdrage schrijf voor de opiniepagina van een krant of als ik in een ruim
verspreid tijdschrift als Hervormd
Nederland, De Bazuin of Tijdschrift
voor Geestelijk Leven reflecteer op de maatschappelijke functie van religie
en theologie. Met opzet een beetje provocerend, maar met overtuiging, kan ik
zeggen dat ik mij precies in mijn theologisch werk het meest in het centrum van
het publieke debat voel. Misschien komt het voort uit het feit dat ik niet
binnen een theologische faculteit werk, waarbinnen het leveren van een bijdrage
aan ‘de theologie’ vanzelfsprekend zinvol is. Maar het goed -d.w.z.
aanstekelijk, relevant, integer en trouw aan de traditie in brede zin-
beoefenen van de theologie voel ik als mijn maatschappelijke taak bij uitstek.
Existentieel
weet ik mijzelf het meest in het centrum van het publieke debat wanneer ik
preek in de Dominicuskerk in Amsterdam. De Dominicus is een oecumenische
gemeente. Van een vergrijzende binnenstadsparochie is ze de laatste dertig jaar
omgevormd tot een plek waar wij gebaren maken, liederen zingen en woorden
spreken in de lijn van de christelijke traditie, uitsluitend gewapend
met de overtuiging dat mensen daaraan in onze samenleving iets kunnen hebben.
Het is een plaats waar de deuren openstaan, waar geen voorwaarden vooraf gelden,
waar mensen niet al van alles moeten geloven voor ze binnenkomen, maar waar
hen simpelweg iets wordt aangeboden: kijk maar of je er iets mee opschiet. En
elke zondag zitten er zo'n 400 à 500 mensen. Niet alleen staat deze kerk midden
op het marktplein, de areopaag van onze cultuur, met haar vraag naar oriëntatie
en geloofwaardige vormen voor publiek en persoonlijke leven, vragen die in
onze samenleving en onze cultuur intensief worden gesteld en uiteenlopend worden
beantwoord. Neen, wie in deze kerk opstaat om iets te zeggen, die staat- ook
onder dat dak- in feite op de vrije levensbeschouwelijke markt. Geloof is geen
uitgangspunt en steeds opnieuw moet duidelijk worden dat wat met steun van de
christelijke traditie gezegd en gedaan wordt zinvol is, betekenis heeft voor al
die diverse levens van de mensen die daar zitten.
Het
gaat mij hier niet om de Amsterdamse Dominicus. Het gaat erom wat deze gemeente
zichtbaar maakt. Zij laat zien dat in kerken, in de gelovige reflectie, in de
theologie een culturele vraag beantwoord wordt. Het gaat daar niet om
intern-kerkelijke, om intern-religieuze vragen in de zin dat wat daar gezegd
wordt interessant is voor mensen die ‘nu eenmaal’ gelovig of religieus
zijn. Het gaat daar om de vraag waar het heen moet met onze samenleving,
waarover het in de politiek ook gaat. Het gaat over de vraag hoe je zinvol over
deze samenleving kunt nadenken, over het leven in deze samenleving: een vraag
die in feite ook in de zaterdagsbijlagen van de kwaliteitskranten, in hun
boeken-, film- en kunstbijlagen voortdurend aan de orde is. Het gaat over de
vraag hoe je een zinvol geordend leven kunt leiden. Het gaat over ‘life
style’ zoals dat ook aan bod komt in talloze tijdschriftartikelen. De mensen
tot wie je je als predikant of als theoloog richt, lezen de kranten en zien de
televisie. Ze hebben op een bepaalde manier al deze maatschappelijke
discussies in hun hoofd, zoals je die zelf ook in je hooft hebt. Dus als je tot
ze spreekt, dan neem je via hun hoofden en harten deel aan het publieke debat.
PUBLIEK THEOLOGISEREN
Maar
juist wat ik hierboven stel, raakt steeds weer buiten beeld; laten we als
theologen en voorgangers ook telkens opnieuw buiten beeld raken.
In
Nederland is bijvoorbeeld nogal wat opwinding ontstaan rond de boeken van
dominee Nico ter Linden. Onder de overkoepelende titel Het verhaal gaat probeert hij in vijf
boekdelen de bijbel al
uitleggend na te vertellen en voor hedendaagse lezers tot spreken te brengen;
er zijn inmiddels twee delen verschenen(2).
De discussie over de inhoudelijke kwaliteiten en tekortkomingen van Ter
Lindens werk is nu niet belangrijk, wel de constatering dat deze boeken in ieder
geval een opmerkelijke poging zijn om een actuele cultureel-maatschappelijke
vraag te beantwoorden: hoe gaan wij met onze culturele en religieuze erfenis om?
Wat doen wij met hetgeen voor generaties mensen de richting van hun leven
heeft bepaald? Hun visies op het leven werd erdoor geboetseerd, de normen die
zij aanlegden erdoor getekend. Maar wij kunnen er niet meer op dezelfde manier
mee omgaan als zij. Wat zijn de gevolgen daarvan voor dit erfenis? En voor ons
t.o.v. dit erfgoed? Ik merk op- en daar gaat het mij om- dat Ter Lindens
boeken zo niet worden besproken en
benaderd. Kerkelijke en niet-kerkelijke media bekijken Ter Lindens boeken in
feite door de bril van de traditionele theologie. Zij zien een dominee doen
waarvoor hij is opgeleid- de bijbel uitleggen- en vragen zich vervolgens af of
hij dat goed doet; goed naar de traditionele normen dan wel te verstaan. Niet
alleen collega-theologen, maar ook ongelovige opinieleiders als de econoom
Bomhof of de filosoof Cliteur gaan niet in debat over Ter Lindens onderneming in
verhouding tot onze culturele situatie, maar nemen hem exegetisch de maat.
Natuurlijk
heb ik er geen probleem mee dat niet-vakmensen zich hiermee bemoeien. Het gaat
er mij ook niet om dat een discussie over de manier waarop Ter Linden de bijbel
uitlegt zinloos zou zijn. Mijn punt is dat het debat over Ter Lindens boeken
niet gaat over de publieke, de maatschappelijk vraag die hij aan de orde stelt
en die hij op zijn manier beantwoordt: de vraag naar de omgang met onze
cultureel-religieuze erfenis. Hierbij is het bovendien opmerkelijk dat juist
mensen buiten de kerken, die zichzelf nadrukkelijk als niet-gelovig profileren,
pleiten voor een klassiekere bijbeluitleg en Ter Linden te vrijzinnig vinden.
Dit is geen incident, want mensen als Edward Schillebeeckx en Huub Oosterhuis
krijgen als sinds jaar en dag van hetzelfde laken een pak. Mij wordt hiermee
duidelijk dat een theoloog zich blijkbaar wel op het maatschappelijk erf mag
bewegen, als hij daarbij maar de integrale kerkelijke traditie herkenbaar
blijft verwoorden. Het zou mij niet verbazen dat dit ook meespeelde bij de
commotie rond de artikelen van Ignace D'hert in De Standaard, waarover het
vorige nummer van TGL
berichtte(3).
De gerichtheid op kerkelijke herkenbaarheid verklaart ook de wijze waarop de
Nederlandse media de esthetisch met zijn priesterschap koketterende
Antoine Bodar omarmen en ze bij maatschappelijke vragen liever bisschop Tini
Muskens van Breda laten optreden dan woordvoerders van organisaties die op
religieuze grondslag maatschappelijk actief zijn.
Ook
als bisschoppen, journalisten en theologen verrassend eensgezind zeggen dat
het goed zou zijn wanneer gelovigen en in zonderheid theologen zich meer zouden
laten horen in het publieke debat over economie en zorg, over arm en rijk, over
biotechnologie en milieu, dan lijkt men vaak een traditioneel, maar achterhaald
model in het hoofd te hebben. Theologen worden gezien als mensen die vanuit de
kerken haar religieuze schat, haar rijke traditie, moeten uitdragen naar het
publieke forum van de samenleving om daar van die schat te laten proeven. Dat de
traditie wat te zeggen heeft dat zonder haar niet gezegd wordt, daarvan ben ik
zeker overtuigd. Maar dit beeld doet geen recht aan ons werk als theologen. Ook
al gedragen sommige theologen zich alsof dat nog wel zo is, theologie
speelt zich al lang niet meer af in een gesloten reflectie op de gesloten
traditie van de kerk. Feitelijk krijgt de theologie vorm temidden van de
samenleving en haar publieke discussies. Theologie en geloof ontstaan en
worden levend gehouden midden in deze discussies en gaan er niet aan vooraf.
Zoals ik in het gesprek dat ik in gemeenschap met anderen voer met de traditie
steeds opnieuw gelovige en theoloog word, zo worden wij in dezelfde zin telkens
opnieuw kerk. En dat betekent dat een theoloog niet eerst een theologisch
standpunt heeft, ontleend aan de traditie of de documenten van het leergezag.
Een standpunt dat zij of hij vervolgens op het publieke forum zou moeten
brengen. Theoloog zijn wil zeggen-in de goede betekenis van het woord- juist omgaan met de publieke vragen(4).
Daarom
moeten theologen zich niet in de publieke discussie mengen vanuit
een geprofileerd theologisch standpunt, ook al is met zo'n standpunt op
zichzelf niets mis. Als theologen moeten wij ons theologisch,
wij moeten ons al theologiserend
in de publieke discussie mengen. De bijdrage van theologen aan de publieke
discussie is dat zij publiek theologiseren.
EEN OEFENPLAATS
Dit
is geen leuk tussendoortje, maar wel een wezenlijke noodzaak. Wij moeten als
theologen ons méér op het publieke forum bewegen, op de geëigende
plaatsen laten zien dat de publieke discussie die wij in ons vak in feite
voortdurend voeren, ook interessant en belangwekkend is voor uiteenlopende
mensen en groepen in onze samenleving. Dat impliceert natuurlijk ook dat we
willens en wetens het risico lopen dat onze bijdragen niet relevant blijken en
wij ons door deze ontdekking laten beleren. Wie de theologie niet langer ziet
als in een besloten ruimte reflecteren op de eigen traditie maar als publieke
onderneming, die kan in principe ook theologische en publiek relevante bijdragen
leveren aan de podium- en opiniepagina's en de bijlagen van kranten en
tijdschriften. Een complicatie hierbij is zeker dat de eind- of hoofdredacteurs
van genoemde pagina’s en bijlagen de theologische bijdragen als per definitie
niet voor het bredere publiek relevante bijdrage zien, tenzij theologen stelling
nemen op punten die algemeen tot het bereik van de kerk worden gerekend. Een
theologische bijdrage over de geestelijke gezondheidszorg wordt vrij
gemakkelijk geaccepteerd, één over armoede- en milieubeleid aanzienlijk
moeilijker en één over de organisatie van de rechtstaat of de
overheidsfinanciën in principe vrijwel niet. Maar als we eerlijk zijn moeten we
mijns inziens ook toegeven dat wij op deze terreinen ook bitter weinig
eigens te zeggen hebben. Op een met een gelovig sausje overgoten standpunt
dat al genoegzaam elders verkondigd wordt zit niemand te wachten.
Misschien
zouden wij voor onszelf oefenplaatsen moeten creëren. Vanuit een informeel
gesprekje met de redactiesecretaris bedacht ik dat TGL bijvoorbeeld op het internet een zogenoemde website
(een digitale locatie met informatie, red.) zou kunnen openen en onderhouden,
waar naast informatie over verschenen en te verschijnen nummers, ook toegang
te krijgen is tot een theologische discussierubriek. Een aantal theologen
zou gevraagd kunnen worden regelmatig aan deze rubriek bij te dragen. Zij
volgen de maatschappelijke discussie en zijn erop gespitst hieraan
vanuit een verrassende theologische invalshoek een bijdrage te leveren.
Lezers van TGL, maar ook andere, al
dan niet toevallig ‘passerende’ surfers (mensen die op het internet
informatie aan het zoeken zijn, red.), zouden hierop onmiddellijk kunnen
reageren en er hun eigen inzichten en stellingen kunnen poneren. Ik had
bijvoorbeeld tijdens de oorlog in Kosovo wel iets anders willen lezen dan de principiële
verdediging van het navo-ingrijpen van de grote kerkelijke vredesorganisaties
en de principiële afwijzing ervan van de meer pacifistische. Ik had zelf in
zo'n discussierubriek bijvoorbeeld wel willen verdedigen dat onze verlegenheid
met de situatie en ons gevoel van onmacht positief zijn en niet meteen zouden
moeten worden overstemt door ons verlangen om in te grijpen en aan de
verwarring een eind te maken. Op het forum dat zo ontstaat zouden wij ons al
doende kunnen oefenen in een nieuwe discussiecultuur waarin ook nieuwe
standpunten
kunnen groeien. Het schept de mogelijkheid de waarde van een theologische
discussie over de publieke vragen van deze tijd te ontdekken. Met de
mogelijkheid dat op het digitale marktplein, dat het internet per definitie
toch is, gelovigen en theologen zichtbaarder deelnemen aan de actuele
maatschappelijke discussies. Daarnaast kan dit de belangstelling wekken van
andere media, waardoor ook zij anders gaan aankijken tegen interventies uit
theologische hoek. Daarvoor moet het natuurlijk wel met het nodige aplomb worden
aangekondigd en moeten de krenten, de opmerkelijkste bijdragen aan de discussie
misschien in de gedrukte TGL-nummers
worden samengevat.
Het is voorlopig niet meer dan een idee. Maar een
idee waardoor de gedachten -zeker die van mij- op gang komen. Misschien zien
ook anderen in deze lijn mogelijkheden om de theologie opnieuw tot een publieke
zaak te maken. Want daar gaat het uiteindelijk toch om.
| [1] | Dit artikel is gebaseerd op een referaat dat ik
op 8 mei 1998 hield voor het Werkgenootschap van Katholieke Theologen in
Nederland. Voor een systematische uitwerking van mijn visie op de rol van de theologie in de cultuur, toegespitst op de rol in de universiteit temidden van de andere wetenschappen, zie mijn Het tot leven wekken van stervende woorden: Pleidooi voor een cultuurtheologie, in: R. van den Brandt en R. Plum, (red.) De theologie uitgedaagd. Spreken over God binnen het wetenschapsbedrijf, Zoetermeer, 1999, p. 129-165. |
|
| [2] | N. ter Linden, Het verhaal gaat, I: De Thora, Amsterdam, 1996; II: Het verhaal van Marcus en het verhaal van Mattheüs, Amsterdam,1998. | |
| [3] | I. D'hert, Hoezo: mensgeworden God? Pleidooi voor een gelovige afslanking, in: TGL 55 (1999) 3, p. 127-140. | |
| [4] | Voor een uitwerking van deze opvatting, zie mijn artikel De kerk als schijnbaar fundament. Over het zwijgen van de theologie en het doorbreken daarvan, in: Tijdschrift voor Theologie 35 (1995), p. 356-372. |
Terug naar het citaat
uit dit artikel
waarop u kan reageren