Spiritualiteit en maatschappelijke realiteit
15/1/2001
Dirk Henckens
[email protected]
Deze reactie is een vervolg op
wat ik schreef in reactie 13-1-2 (Maatschappelijk belang) en gaat verder
in op de noodzaak om spiritualiteit te vertalen in maatschappelijke structuren.
Ieders reactie is welkom.
De maatschappelijke golfbeweging in de naoorlogse ontwikkeling, werd gekenmerkt
door de aandacht voor de materiële welvaart. De golfbeweging daarna stond
achter één ideaal: de emancipatie, met als gevolg dat de maatschappij
individualiseerde.
Onze westerse samenleving heeft nu te kampen met een uit - één - groeien van
twee groepen. Aan de éne uiterste zijde de intellectueel geschoolden en aan de
andere uiterste kant de laaggeschoolden, met uiteraard daartussen tal van
overgangssituaties. Belangrijk daarbij is dat juist door de emancipatiebeweging,
inclusief de democratisering van het onderwijs, de intellectuelen geassocieerd
worden met de jonge generatie en de laaggeschoolden met de oudere generaties.
Uiteraard is dit geen éénduidige binding, maar het verklaart de schijnbare en
ten onrechte in stand gehouden mythe van de generatiekloof.
Op dit ogenblik is er dus, in tegenstelling tot de vorige twee golfbewegingen,
geen éénduidigheid in de maatschappelijke structuur. Integendeel. Er is een
strekking door de emancipatie- en scholingsgolf, die de maatschappij benadert op
een filosofisch-kritische wijze (bevragend) en een andere op een
ideologisch-kritische wijze (dogmatisch). Dit is belangrijk voor de christenen,
die per definitie filosofisch georiënteerd zijn.
We moeten vaststellen dat onze maatschappelijke structuren, commissies, comités,
raden, besturen, stichtingen en verenigingen vooral steunen op dogmatiek. Dit is
evident omdat het een eenvoudige werkwijze is en vooral omdat deze structuren
ook een kind zijn van hun tijd, namelijk toen er werd gestreefd naar materiële
welvaart.
De filosofisch benaderende mens vindt in die structuren geen herbergzaamheid
meer voor zijn streven naar geluk. Dit streven naar geluk is omwille van het
streven zelf, een permanente activiteit en derhalve ook in strijd met een
dogmatische opstelling. Daarenboven is de filosofisch georiënteerde mens
gelukkig op het ogenblik dat hij zijn geluksbeeld binnen een haalbare context te
realiseren ziet, zonder dat deze realisatie zich ook effectief moet voltrekken.
Probleem is wel dat de maatschappelijke structuren in hoofdzaak bemand worden
door mensen die, alhoewel zij individueel filosofisch analyseren, finaal de
dogmatiek aanvaarden. Dit is ook de reden waarom b.v. vakbonden, culturele
organisaties, politieke partijen en ook de katholieke kerk in een scherpe
identiteitscrisis verkeren en hun invloed zien tanen; maar ook waarom
bijvoorbeeld jeugdbewegingen nu opnieuw sterk groeien; deze jeugdbewegingen
hebben zich immers ingebed in een nieuwe filosofisch-kritische context.
Tot hier wat betreft de vorm van de maatschappelijke structuren. Stelt zich dan
de vraag hoe een christen inhoudelijk staat tegenover die structuren.
Maatschappelijk engagement is voor mij in wezen een realisatie van de
voortdurende schepping in relatie met elkeen die erbij betrokken is. Dit
onderscheidt ons van de vrijzinnige, liberale en socialistische
overtuiging, althans voor wat wij vandaag en hier in onze samenleving verstaan
onder beide stromingen. In tegenstelling tot de socialistische overtuiging,
veronderstelt maatschappelijk engagement voor ons christenen, een vertrouwen
hebben in de toekomst, zonder de wil te hebben die toekomst te beheersen. In
tegenstelling tot de liberale stroming, streven wij geen maximale individuele
vrijheid na. Elke maatschappelijke activiteit moet bovendien voordeel geven aan
iedereen. Wij christenen respecteren daarbij niet alleen hun vrijheid, maar wij
wensen ook actief mee te werken aan hun geluksrealisatie. Voor de beheersing van
de toekomst en de vrijwaring van de maximale individuele vrijheid hebben
socialisten en liberalen, duidelijke en meestal cijfermatige normen nodig. De
christelijke filosofie en maatschappijvisie kent één grote doelstelling, met
name het geluk, een toestand van vrede in zichzelf en met de anderen. Hoe wij
dit bereiken kan vertaald worden in zeer vele secundaire doelstellingen.
Uiteindelijk komt men veelal terug tot vier waarden. Voor sommigen zijn dit de
vier 'akten'. Misschien moet dit gemoderniseerd worden. Ik maak er alvast de
volgende van: authenticiteit, vertrouwen, billijkheid en mededeelzaamheid,
respectievelijk geloof, hoop, berouw en liefde. Het is de hoofdbetrachting, met
name het geluk, met zijn vier secundaire doelstellingen, die voor mij als
christen zin geven aan maatschappelijk engagement.