Omgaan met onbehagen
‘Malconten’. De term had als werktitel gecirculeerd in de voorbereiding op het themanummer Onbehagen in overvloed. Het stond ook als kop boven het hoofdartikel. Maar eigenlijk bestaat het niet, in het Frans noch in het Nederlands.
Jos De Wit – uitgever van TGL – maakte op het einde van het symposium op 8 oktober 2010 in Nijmegen terecht deze opmerking. En toch herinner ik me uit de woelige jaren van de kerkelijke ontwikkelingen in de vorige eeuw dat ‘malcontent’ ietwat schertsend werd gebruikt voor mensen die het in de bestaande kerkelijke instituten niet meer zagen zitten, zonder duidelijk te kunnen aangeven wat hun eigenlijk stoorde. Er was niet ‘iets’. Er was van alles en nog wat. Een ongenoegen, een onvrede, een onrust. Het aangekondigde ‘aggiornamento’ werd kort na het concilie teruggefloten. Er was echter ook maatschappelijk van alles aan de hand. Werd ook die beweging de wind uit de zeilen genomen? En heeft het algemeen onbehagen vandaag daar mee te maken? TGL bracht er niet alleen een nummer over (Onbehagen in overvloed). In samenwerking met het KCMA (Katholiek Centrum voor Maatschappelijk Activeringswerk) hielden we ook een studie- en ontmoetingsdag.
Een veranderde samenleving
Mensen met zin voor relativiteit zijn een verademing. Goede filosofen behoren tot dit slag. Hun manier van spreken werkt verruimend. De manier waarop Ger Groot zijn lezing begon ging meteen die kant op. Neen, onbehagen is niet nieuw. Het is van alle tijden en van alle streken. Het was er ook tijdens Nederlands gouden eeuw. Toen al was sprake van redeloze moorden. Ook toen overstemde de kogel het woord. De aanslagen op Pim Fortuyn en Theo van Gogh zijn geen nieuw fenomeen waarvoor zo nodig een zondebok moet worden gevonden. Zelfs als men die denkt gevonden te hebben, is daarmee het onbehagen niet verdwenen. Ondertussen heeft die stigmatisering wel een zeker impact. Terwijl het zeer de vraag is hoe effectief een dergelijk mechanisme is. Er wordt gewezen naar het beleid. Het heet te laks te zijn ten aanzien van de gestage immigratie en niet doeltreffend in zijn opvang. Ook in de gouden eeuw waren er heel wat vreemdelingen in Nederland en toen was dat geen echt probleem.
Er zijn vandaag wel dringender problemen aan de orde die een gevoel van onbehagen met zich kunnen meebrengen. De opwarming van de aarde bijvoorbeeld. Of de globalisering en de Europeanisering. Hierover merken we nochtans niet zo’n sombere gezichten. Toch zouden hier veeleer oorzaken van het onbehagen te vinden zijn. De voortgaande globalisering is misschien wel mede oorzaak van het wegzinken van de eigen cultuur, met een verduistering van de toekomst voor gevolg. Onze kinderen zullen het minder goed hebben dan wijzelf, en dat wekt wrevel. Er zal in de toekomst meer moeten worden gewerkt en er zal minder loon zijn en minder ontspanning. De toekomst lacht ons niet langer toe. Ze baart meer zorgen dan ze beloften inhoudt. Daar hangen een aantal ontwikkelingen aan vast die onbehaaglijk aanvoelen. Zoals onzekerheid op de werkvloer. Het zet mensen onder druk. Voortdurende ongewisheid die mensen bereid maakt méér te werken. Of het terugdringen van het gemeenschapsgevoel ten voordele van een groeiende individualisering.
Het betoog van Ger Groot was herkenbaar en prettig om te beluisteren. In het slot van zijn lezing formuleerde hij enkele antropologische beschouwingen ter overweging. Mensen hebben behoefte aan zekerheid en een gevoel van veiligheid om gelukkig te kunnen zijn. Die basisbehoefte wordt bedreigd. Er wordt van mensen gevraagd dat ze het onderste uit de kan halen. Mensen voelen zich opgejaagd. Het komt eropaan beter en méér te presteren en te renderen. Die sfeer bedreigt het welbevinden dat wenselijk is in een samenleving. Ger Groot verwoordde een idee dat eigenlijk een van de grondthema’s van het hele symposium bleek te zijn: mensen hebben vertrouwen nodig. Zowel onder elkaar als maatschappelijk. Het is juist omdat dit vertrouwen helemaal niet vanzelfsprekend is, integendeel zelfs aangetast is, dat andere problemen zo’n omvang toegedicht krijgen.
Rede en emotie
De tweede inleiding werd gebracht door Mirjam Esther Sent. Haar insteek was de economie. Wordt het gevoel van welbehagen of onbehagen inderdaad niet in belangrijke mate bepaald door de economische situatie? We herinneren ons toch nog de paniekerige reacties van mensen ten tijde van de financiële crisis. Het was ‘sauve qui peut’. Mensen renden naar de bank om er hun geld weg te halen en opnieuw veilig in grootmoeders sok te bewaren. Een niet zo rationele reactie in een nochtans bijzonder rationeel lijkende materie. Maar – en daarmee doorbrak mevrouw Sent een vrij verbreide opvatting – zo rationeel steekt die financiële wereld helemaal niet in elkaar.
Wie zich het discours van die dagen in 2008 nog herinnert: het ging voortdurend over het vertrouwen dat moest worden hersteld. Zonder vertrouwen, geen economische groei. En omgekeerd. Een vicieuze cirkel dus! Wie raakt daar nog uit wijs? Het betekent wel dat in die financiële en economische wereld rationaliteit en emotionaliteit in elkaar vervlochten zitten. Mirjam Esther Sent wees deze vervlechting aan op verschillende terreinen. Op het vlak van de kennis bijvoorbeeld. Onze kennis ontwikkelt zich niet altijd volgens een rationeel patroon. Het komt ook voor dat kennis zich ontwikkelt bij toeval. Als bijproduct van een anders georiënteerd onderzoek. Denk aan penicilline, viagra, magnetron. Een ander terrein is dat van de informatieverstrekking. Soms zijn de reacties van mensen op medische informatie niet erg rationeel. Welke onrust ontstond niet bij het bekend worden van informatie over baarmoederhalskanker. De reacties waren, rationeel gesproken, ongeproportioneerd. Emotionaliteit bepaalt inderdaad in belangrijke mate een gevoel van onbehagen. Mensen voelen zich onzeker en staan daardoor onder stress bij de keuzes die ze moeten maken. We verlaten ons op het advies van zogeheten ‘experts’ in plaats van de zaken zelf uit te zoeken. Nochtans luidt de uitdaging dat we onze verantwoordelijkheid moeten opnemen: “Be rational.”
Sent gaf nog meer voorbeelden die duidelijk maken dat welbevinden of onbehagen niet zonder meer door economische factoren bepaald worden. Ook zij verstond de kunst van het relativeren. Bijvoorbeeld: groei maakt niet gelukkig. Groei kan als zodanig het gevoel van onbehagen niet wegnemen. Net zomin als materiële welvaart dat kan. Mensen geven vaak geld uit aan verkeerde dingen, waardoor het onbehagen alleen maar wordt versterkt. Zoals we het welbevinden van de komende generaties ook niet in de hand hebben, wat niet betekent dat we geen bijdrage kunnen leveren. Dat kan echter alleen maar als we ons bruto binnenlands product anders gaan begrijpen en navenant berekenen.
Hoe gaan we dan om met ons onbehagen? Een aantal wegen zijn volgens haar afgesloten. Zoals terugkeer naar het verleden. Het uitsluiten van vreemde culturen biedt evenmin een oplossing. We kunnen ook niet terug naar de eigen munteenheid. Onze samenleving is complex geworden en het ontkennen ervan lost absoluut niets op. Natuurlijk zoeken mensen grip te krijgen op de situatie, maar het lukt nooit om fouten of risico’s helemaal uit te sluiten.
Om het onbehagen terug te dringen ziet professor Sent vooral het bouwen aan vertrouwen. En dan niet als iets wat wordt opgelegd, niet vanuit een hiërarchische samenlevingsstructuur, maar door een beroep te doen op de verantwoordelijkheidszin van allen. Door goed gedrag te stimuleren, door het bouwen aan partnerschappen, door zelf te handelen. Zij prees een hele reeks houdingen aan, die veel weg hebben van ‘behoorlijk’ leven. (In zijn referaat zou Andries Baart hierop verder gaan). Oog hebben voor je medemensen. Helpen bouwen aan weerbaarheid van mensen en tegelijk zo mogelijk niemand aan zijn lot over te laten. Leren accepteren dat risico’s bij het leven horen en nooit helemaal kunnen worden uitgesloten. Hooggespannen verwachtingen leren temperen. Zo komen we van de economie dan toch weer in de filosofie en de ethiek terecht. Het kan ook niet verbazen.
Professioneel en liefdevol
De derde inleider, Andries Baart, had het er uitdrukkelijk over. Hij sprak namelijk als zorg-ethicus. Uiteraard spelen welbevinden en/of onbehagen een belangrijke rol in de zorgsector. Baart gaf meteen toe dat er veel misgaat in de zorg, hoewel het hem niet somber stemt, omdat er ook veel goed gaat. Daar is zijn presentietheorie zeker niet vreemd aan. Niet alleen in de zorgsector of het onderwijs, ook in de theologie en de pastoraal hebben zijn inzichten nieuwe perspectieven geopend.
‘Presentie’ in de zorgsector omschrijft hij als “goede, nabije, afgestemde zorg”, die professioneel en met liefde gegeven wordt. Presentie krijgt aldus de betekenis van bekommernis. Die houdt in dat zorg gegeven wordt op bekwame wijze. Ze dient adequaat te zijn. Ze moet echter ook gebeuren met aandacht, aansluitend bij het gevoel van de ontvanger. Bekommernis impliceert ook trouw. Een verzorger mag niet louter met zichzelf, zijn eigen handelen bezig zijn. Goede zorg moet ook als zodanig worden ervaren, en ze dient te gebeuren met hartelijkheid, vanuit een oprechte gezindheid, respectvol.
Dat gevoelens van onbehagen optreden, heeft zowel te maken met persoonlijke attitudes als met de werkmethodes die door instellingen, ziekenhuizen, scholen en dergelijke worden gehanteerd. Wat betreft de persoonlijke attitudes zijn zowel zorgverstrekkers als zorgontvangers betrokken partij. Soms zijn zorgontvangers alleen in beslag genomen door het repareren van wat fout is gegaan. Ze zien zorg als een technische prestatie door deskundigen. Maar dat verlangen is niet altijd realistisch. Het gebeurt namelijk ook dat een zorgverlener ‘slecht nieuws’ moet overbrengen. Herstel of genezing is niet altijd mogelijk. In dergelijke gevallen zal goede zorg een bijzondere aanwezigheid vergen, die wellicht alleen maar door bepaalde personen kan worden verleend.
Het belang van een goede presentie is overigens niet beperkt tot de zorgsector. Ze is in alle menselijke contacten van wezenlijk belang. Soortgelijke situaties doen zich veelvuldig voor in pastorale relaties. Goede presentie bij zieken, bij mensen in rouw, vergt zowel deskundigheid, aanvoelen als ervaring.
Naast de persoonlijke houding worden de kansen en beperkingen van ’bekommernis’ mede beïnvloed door de ’filosofie’ die heerst in een bepaalde instelling. Waar zorg begrepen wordt als onderdeel van een productieproces zal onbehagen eerder de kop opsteken, dan waar zorg met hartelijkheid gegeven wordt. Ziet de instelling de zorgverstrekkers vooral als arbeidskrachten die een bepaald product moeten leveren, of vindt men ook de persoonlijke nabijheid belangrijk? Wat verstaat een instelling onder ’behoorlijk’ functioneren?
Baart analyseerde in dit verband de term ’fatsoen’. Wat verstaat men hieronder? Vaak is de ethische dimensie, die er oorspronkelijk een wezenlijk deel van was, helemaal weggegleden. Fatsoen wordt dan verengd tot het beantwoorden aan een aantal regels of afspraken waaruit elke ethische bekommernis is weggevloeid. Zorg, begrepen vanuit de presentietheorie, is inderdaad méér dan een product, het gaat om een dienst die men verleent.
Onbehagen komt ook voort uit het ontbreken van aandacht voor relationele waarden. Een sprekend voorbeeld dat Baart in dit verband aanhaalde, was het spanningsveld tussen ‘tellen’ en ’vertellen’. Uiteraard moet er worden ‘geteld’. En wel zakelijk. Het tellen moet in dienst staan van een eerlijke, rechtvaardige dienstverlening. Maar de ruimte voor het ’vertellen’ is vooral een oefening in een bepaalde kwaliteit van aanwezigheid. Het vertellen verdient een kans te krijgen.
Ten slotte vindt Baart het jammer dat er zo weinig ruimte meer is voor de taciete kennis: dat wat mensen door intuïtie in zich hebben, of wat ze door ervaring hebben opgebouwd, waardoor ze vaak heel spontaan en ‘vanuit hun buik’ gepaste zorg verlenen. Het gevaar bestaat dat ongenuanceerde voorrang wordt verleend aan het expliciteren van alles wat men doet en waarom men dat doet en hoe men dat kan verantwoorden.
’Ontmoetingskerk’ luidt de naam van de plaats waar het symposium plaatsvond. Wie de foto’s op de website van TGL bekijkt, merkt inderdaad dat er op de achtergrond een groot kruisbeeld staat. Duidelijk een cultusplek dus. Maar tegelijk een ruimte die zich heel goed leent voor lezingen en ontmoetingen als die van 8 oktober in Nijmegen. De dagvoorzitter merkte op dat er in het gebouw meer activiteiten doorgingen die op hun manier alles met zorg te maken hadden.
Tijdens de lezingen en het gesprek achteraf liepen mensen binnen die op een of andere manier op zorg waren aangewezen. Het gaf een goed gevoel te beseffen dat het kerkgebouw ook daadwerkelijk een presentie waarmaakte waar wij het in de cultusruimte op een nogal academische manier hadden over gehad. Het was ook bijzonder weldadig omringd te zijn door zoveel vrijwillig(st)ers die geen moeite hadden gespaard om deze ontmoetings- en studiedag zorgzaam voor elkaar en zorgvuldig in de organisatie te laten verlopen.
Ignace D'hert
Raadpleeg de inhoud van het TGL-themanummer 'Onbehagen in overvloed'
