Nummers
- Onstilbaar verlangen. Een zaak van (on)gelovigen.
- Januari 2008
Fundamentalisme stoot tegen de borst. Het kadert in een cultuur die als achterhaald wordt beschouwd. Dit verwijt treft in de eerste plaats godsdiensten. Aan de overzijde van het levensbeschouwelijke spectrum lijkt syncretisme op meer sympathie te kunnen rekenen. Het getuigt van wijsheid open te staan voor andermans mening. Niemand kan immers de waarheid tout court opeisen. Tussen fundamentalisme en syncretisme ligt echter nog een heel veld van mogelijk vruchtbare en zelfs verrassende dialoog.
Aan deze dialoog wil dit nummer een bijdrage leveren. Haar dominicaanse roots indachtig voelt de redactie van dit tijdschrift zich gesteund in het zoeken van de dialoog. De verschillen blijven hun betekenis hebben. Maar we hopen deze in het perspectief van een verrijkende uitwisseling te kunnen plaatsen.- € 7,95
nummer 1 / 2008
Hoofdredacteur: D'hert, Ignace
Art.Nr. 20081
Korte inhoud van dit nummer
- Compagnons de route D'hert, Ignace
Fundamentalisme stoot tegen de borst. Het kadert in een cultuur die als achterhaald wordt beschouwd. Dit verwijt treft in de eerste plaats godsdiensten. Hen wordt gebrek aan openheid en bereidheid tot dialoog verweten. Ook starheid in het vasthouden aan denkbeelden en gewoonten die “zo en niet anders” behouden moeten blijven. Dat verwijt is soms terecht. Aan de overzijde van het levensbeschouwelijke spectrum lijkt syncretisme op meer sympathie te kunnen rekenen. Het getuigt van wijsheid open te staan voor andermans mening. Ontvankelijk te zijn voor nieuwe inzichten. Niemand kan immers de waarheid tout court opeisen. Vooral in een wereld waar zoveel geweld in naam van een of andere overtuiging wordt gepleegd is zin voor relativiteit meer dan welkom. Tussen fundamentalisme en syncretisme ligt echter nog een heel veld van mogelijk vruchtbare en zelfs verrassende dialoog.
Aan deze dialoog wil dit nummer een bijdrage leveren. Haar dominicaanse roots indachtig voelt de redactie van dit tijdschrift zich gesteund in het zoeken van de dialoog. Het was ook de inspiratie die Dominicus dreef. Geconfronteerd met de nieuwe religieuze bewegingen van zijn dagen, wist hij waardering op te brengen voor hun zoektocht naar authentieke evangelische spiritualiteit. Het verhaal over zijn nachtelijk gesprek in de herberg met een zogeheten kathaar is er een treffend voorbeeld van. Hij zocht de dialoog waar hij kon. Een voorbeeld dat zijn volgelingen niet altijd even goed begrepen noch gevolgd hebben. Toch kennen we uit ons recent verleden voorbeelden van dialoog die velen als een bemoedigende toenadering hebben ervaren tussen mensen uit verschillende levensbeschouwelijke tradities. Het gesprek tussen Edward Schillebeeckx en wijlen Leo Apostel staat nog steeds als een mijlpaal in de geschiedenis van dit tijdschrift opgetekend . Dat is nu twintig jaar geleden.
Tijdens die jaren bleek de zoektocht naar spiritualiteit steeds minder gebonden aan kerken of instituten. Steeds minder verzuild. Zowel in kringen van humanistische huize als bij individuen en groepen die zich vroeger complexloos christen noemden, tekenen zich de laatste jaren nogal wat convergerende lijnen af. Het is inderdaad verrassend hoe mensen elkaar kunnen aanvoelen, ongeacht hun religieuze of filosofische traditie, wanneer het gaat om waarden of overtuigingen die zij als wezenlijk in hun leven ervaren. Het gevoel van verwantschap bij iemand die van huis uit bij een andere levensbeschouwing hoort, is op een vreemde manier hartverwarmend. Zo ontdekken mensen elkaar over ideologische barrières heen als compagnons de route in een gezamenlijke speurtocht naar spiritualiteit. Dat betekent zeker niet dat nu alles over dezelfde kam wordt geschoren. De verschillen blijven hun betekenis hebben. Maar we hopen deze in het perspectief van een verrijkende uitwisseling te kunnen plaatsen.
- Een spiritualiteit voor atheïsten De Clercq, Bertrand
Is de Franse filosoof André Comte-Sponville een cynisch of een fanatiek atheïst? Of behoort hij tot de ‘athées fidèles’? Hij beschouwt slechts één vorm als het enige authentieke atheïsme. Meer nog, atheïsme is een vorm van geloof. Bertrand De Clercq probeert Comte-Sponville en zijn visie op het Mysterie te vatten. Wij wandelen met hem mee …
- Humanisme en spiritualiteit Stappaerts, Frank
Begrippen als ‘humanisme’ en ‘spiritualiteit’ kennen geen universele essentie of definitieve betekenis. Ze zijn contextgebonden, weerspiegelen machtsrelaties en maken deel uit van een globale cultuur. Daardoor is elk onderscheid met de sociale, politieke en economische wereld in wezen onmogelijk.
- A-theïstische spiritualiteit Apostel, Leo
Bewustzijn kan zich verdiepen en verinnerlijken en boven de grenzen van het ik heen stijgen, om de grote werkelijkheid te raken die het niet noemen kan. Dit is mogelijk langs vele wegen. Leo Apostel schetst er exemplarisch één van. De schets is een ideaaltype, dat slechts zelden maar toch nu en dan wordt verwerkelijkt. Op die weg onderscheid ik een achttal stadia.
- De Vleugel viert rondom de leegte. Een ervaringsbericht Eylenbosch, Paul, van de Graaff, Marianne
In de Vleugel experimenteren Paul Eylenbosch en Marianne van de Graaff enkele keren per jaar met 'vieringen rondom de leegte'. In hun artikel vertellen ze hoe zo'n vieringen eruit zien en wat het achterliggend gedachtegoed is.
- De camino in onze tijd: van lijdensweg naar prestatietocht? Vuijsje, Herman
In de moslimwereld blijf je, na je bedevaart naar Mekka, je hele leven met trots de titel haji dragen. Dat geeft aanzien, maar betekent ook nog iets anders: door je pelgrimage ben je voorgoed een ander mens geworden. Iets dergelijks geldt ook voor de christelijke bedevaart naar Compostela. De camino de Santiago heeft zich door de eeuwen heen steeds opnieuw aangepast aan de wensen van de tijd. Maar één ding bleef: ook het afleggen van deze pelgrimsweg betekent een verandering. Een metamorfose, die je maar eenmaal in je leven kunt ondergaan. In '89 maakte Herman Vuijsje voor de eerste keer deze tocht in omgekeerde richting. Hij liep van Santiago naar zijn woonplaats in Amsterdam. In 2004 en 2007 was hij opnieuw op pelgrimage.
- Het krediet van een religieuze cultuur Groot, Ger
Hoe kan je in God geloven als niemand Hem ooit heeft gezien? Leeft God alleen in ons bewustzijn, onze leefwereld of is er meer? Is het belangrijk wat je gelooft, of eerder dat je gelooft? Of bestaat geloven juist hierin dat Gods bestaan geen kwestie meer is. Filosoof Ger Groot verkent de raakvlakken en verschillen tussen atheïsme en geloof.
- Geluk en waarheid. Aan de binnenkant van de religieuze praktijk Maas, Frans
Of God bestaat, of de gave van geluk ergens in gefundeerd is en of dus het gastvrije huis meer is dan menselijk gevoel, die vragen horen ook bij het geloof.
- Gelijkgestemd ‘in concept’ Van Tente, Marc
Interreligieuze, ja interlevensbeschouwelijke ontmoetingen zijn vandaag in. De nieuwe situatie van interculturaliteit en globalisatie dwingt er ons overigens toe. Komt er een ‘clash of civilisations’ of een nieuwe godsdienstoorlog wereldwijd? Of slagen we erin met elkaar in gesprek te gaan en samen te bouwen aan een meer menselijke samenleving? Marc van Tente deelt met ons een ontroerende ervaring.
- Zes overwegingen rond ‘Spirituele Intelligentie’ Verachtert, Jan
Theoretisch-abstracte intelligentie, emotionele intelligentie, technisch-praktische intelligentie, seksuele intelligentie, esthetische intelligentie, ze worden alle erkend en vormen het voorwerp van talrijke publicaties.
Zou er ook zoiets als ‘spirituele intelligentie’ bestaan? En waar zou die kwaliteit van de geest, de ziel en het hart dan op neerkomen?
Op 3 februari 2007 was de vraag aan de orde, in een ‘toelichting’ die werd uitgesproken door Jan Verachtert, in de viering van de Antwerpse basisgemeenschap De Vleugel.
- Dienen of gediend worden: een bijbelse kijk op leiderschap
"Ik ben niet gekomen om gediend te worden maar te dienen", is de centrale boodschap van Jezus in het Nieuwe Testament. Wie als leider Jezus’ spoor consequent wil volgen, is bereid leiding te geven vanuit dit dienaarschap in dienst van God en de medemens. Onze wereld heeft nood aan dergelijke leiders die hun omgeving op die manier een meer menselijk gelaat geven. Zij appeleren immers de binnenkant van iedere mens, het mooiste in zichzelf, en tonen een ideaal christelijke weg naar een maatschappij waar iedereen respect heeft voor elkaars eigenheid, kortom een ideaal christelijke gemeenschap. /In dit artikel gaat de auteur nader in op de betekenis van deze boodschap in eigen leven.
- Ziel (column) Verscuren, Ann
En zo gebeurde het dat er op zijn lesprogramma voor de derdejaars 'de dood' stond.
Ja, één van mijn vroegere huisgenoten werkte als leraar moraal in het secundair onderwijs. En dat terwijl ik ziekenhuispastor was in een katholiek pastoraal team. Als je naar ons beider beroepen keek, kon het niet duidelijker: hij was de ongelovige Roel; ik de gelovige Ann. Kwam je wat dichterbij, werd het plaatje diffuser. Roel beschouwde zichzelf immers vaak als té gelovig om overtuigend genoeg vrijzinnig voor de klas te staan. Hij worstelde om het eventuele Méér in mens en wereld open te houden. En ik? Ach, ik vreesde zo dikwijls dat ik niet gelovig genoeg was om een échte zielenherder te zijn. Wilde ik mij sowieso eigenlijk nog wel 'katholiek' noemen? We lachten er hartelijk om, Roel en ik: "Wij zijn dus een gelovige vrijzinnige en een ongelovige pastor onder één dak." Al gaven we allebei ook toe dat we dat laatste woordje in onze beschrijving niet graag zouden kwijtraken. Hij wilde toch wel vrijzinnig blijven, en ik pastor. Maar er bleek een tussenwereld te zijn waarin wij elkaar konden ontmoeten en omarmen, vaak zelfs meer dan hij met collega's humanisten of ik met collega's christenen.
"Zeg Ann, wil jij niet over je werk met zieke en stervende mensen komen praten in mijn lessen? Dan kan ik ook een moreel consulent uitnodigen die veel met vragen rond euthanasie te maken krijgt." Ja hoor. Goed plan. Doen we. Graag zelfs. Roel wilde open kaart spelen en nodigde daarom op dit experiment ook zijn inspecteur uit. De inspecteur kwam en zag. Hij zag jongeren die erg levendig en erg enthousiast vragen te over hadden; vragen die ze onbewust netjes verdeelden over mij en de moreel consulent. Wat dat dan was, een pastor? (De moeilijkste vraag eerst!) En een moreel consulent, wat was dat dan? (Ik was beschaamd hoe weinig ik eigenlijk wist van mijn 'collega's' die vanuit een andere hoek met dezelfde vragen bezig zijn.) Waar je best over kan praten als je op bezoek gaat in het ziekenhuis? Wat ik zei tegen stervende mensen? Wanneer mensen euthanasie vragen? Of er ook jongeren van hun leeftijd dood gingen? Wat ik zo fijn vond aan mijn werk? Op die vraag antwoordde ik dat ik het zo heerlijk vond dat het in gesprekken met zieke mensen meestal niet ging over het slechte weer of over de nieuwste mode, maar wel over diepe dingen. Dingen die 'de ziel' van mensen raakte en voedsel voor die ziel was, ook voor de mijne. Dat schenen ze - zonder met hun ogen te knipperen - te begrijpen. Of beter: aan te voelen, want een woord als 'ziel' is niet te be-grijpen.
Na de les zei de inspecteur streng, als was hij een wachter voor een poort, dat hij één opmerking had. Hij vond het niet kunnen dat ik over 'een ziel' had gesproken in de les moraal. Een ziel hoorde thuis in het gelovige hoekje, niet in dat van de vrijzinnigen. Zowel mijn huisgenoot als de moreel consulent als ikzelf stonden verstomd. Ze verzekerden mij allebei dat zij zich 'als vrijzinnigen' absoluut wilden distantiëren van die uitspraak. Ze schetsten gelukkig ook even de – mogelijke – context, zodat ik beter begreep waar de weerstand van deze 'poortwachter' vandaan kwam. De eerste generatie vrijzinnigen had immers moeten vechten voor erkenning en was vaak bespuwd door het kerkelijke bastion. Sommigen onder hen blijven gespitst op onrecht en kunnen dus alleen maar waakzaam zijn. Het was nieuw voor mij om te kijken vanuit die ogen. Natuurlijk ken ik het verhaal over hoe de eerste christenen hebben moeten strijden voor bestaansrecht. Hoe ze een vis in het zand tekenden. Stiekem bijéénkwamen in de catacomben, of in één of ander huis. Maar er is ook een ander verhaal, een verhaal waar ook met bezieling voor is gestreden, juist om vrij van zin – en ziel? – te mogen zijn.
Later kwam Roel met de evaluaties van zijn leerlingen terug thuis. Eentje had geschreven dat hij het een inspirerend en bezield lesuur had gevonden. Een compliment voor de twee sprekers! Ik dacht die avond aan de poortwachter en hoopte van ganser harte dat hij niet eeuwig met zijn ziel onder de arm moet lopen.
- Kerstnacht van de ongelovige Muller, Frank
Waarom ontwaak ik, alsof deze nacht Niet eender is als alle andere nachten? Wat vreemd verlangen hield mij de wacht, Terwijl ik meende, niets meer te verwachten?
Waar is de ster, die boven ’t wonder staat? Waar zijn de stemmen van de englenreien? Ik hoor wat mensen loopen in de straat, Zwaar klinkt hun stap op de bevroren keien.
Zwaar klinkt hun stap, hun ingetogen zwijgen Geeft aan dien gang een vastberadenheid. Hoe konden zij zoo’n zekerheid verkrijgen? Mijn God, ik zie de ster niet die hen leidt!
Zal ik dan altijd de Herodes blijven, Die steeds de wijzen weer voorbij laat gaan, Die leest en herleest, wat profeten schrijven Van dezen nacht, maar kan het niet verstaan?
Maar kán het niet verstaan, en ’t wordt weer stil … Wéér werd in mij het wonder niet geboren. Ben ik dan niet een mensch van goeden wil, Mijn God, waarom word ik niet uitverkoren?
De ‘wijzen’ zijn voorbij, benijd, veracht; Op welk een dwaasheid heb ik liggen wachten? Waarom ben ik ontwaakt in dezen nacht, Die eender is als alle andere nachten?
Uit Harry Gielen en Piet Thomas, God in gedichten. De mooiste religieuze poëzie van de twintigste eeuw uit de lage landen, Lannoo, p. 140.
- Kennen en herkennen (column) Hoogeveen, Piet
Was hij het nou wel of niet? In de drukte van het winkelende publiek kon ik het niet goed zien. Ik keek nog eens om, maar hij was al verdwenen in de menigte. Ik dacht een oud-klasgenoot te herkennen, maar het was jaren geleden dat ik hem voor het laatst had ontmoet. Terug naar huis lopend komen beelden boven uit mijn middelbare schooltijd: de moeite die het kostte om enkele zinnen van Plato te vertalen, het uitzicht vanuit het muzieklokaal met heel in de verte de toren van de dorpskerk... Ik moet denken aan het kleine gedicht van Willem Hussem:
‘van verre
herkende ik hem al
dichterbij gekomen
merk ik dat het
een ander is
ik loop door
even daarna
tikt hij op mijn schouder
en zegt
zie je me niet’Het is een klassiek motief (en niet alleen als foefje bij het flirten). Dostojewski geeft er in zijn roman De idioot een prachtige uitwerking van in zijn beschrijving van de ontmoetingen van de aan epileptische aanvallen lijdende vorst Myschkin met de schoonheid Natasja. ‘Maar vanwaar wist u dan wie ik ben? Waar heeft u me vroeger gezien?’ En even later constateert ze zelf: ‘Ik geloof u eveneens ergens gezien te hebben… ik geloof uw ogen ergens gezien te hebben, maar dat kan helemaal niet. Misschien in een droom.’ Wat onthult een gezicht, en vooral de ogen, niet allemaal? Breekt hier iets van de eeuwigheid door in de tijd? Krijgt de idioot hier trekken van een ‘alter Christus’, zoals Romano Guardini het voorstelt?
Paus Gregorius de Grote stelde aan het einde van de zesde eeuw in een van zijn nog steeds uiterst leesbare dialogen de intrigerende vraag aan de orde ‘of de goeden elkaar in het hemels koninkrijk herkennen’. Zijn antwoord: ‘Niet alleen herkennen ze hen die ze in deze wereld kenden, maar ook de goeden die ze nog nooit gezien hebben, herkennen ze als hadden ze die eerder gezien en gekend… Wat kan er dan nog zijn dat ze daar niet kennen omdat ze Hem kennen die alles kent?’ Ik vind dat wel een troostvolle gedachte. Een stoet van mensen van goede wil die elkaar voorbij de poort van Petrus meteen herkennen, ook al hebben ze elkaar nooit eerder gezien. Gelijk kent immers gelijk, effen is hier treffen. Maar hoe zit dat in de tijd, in het nu?
Nuchter reageerde dominee Oepke Noormans toen hij samen met de huisarts het huis van een stervende verliet. De arts vroeg aan Noordmans: ‘Zullen we elkaar straks in de hemel herkennen’? Noordmans wist met die vraag niet zo goed raad. Enige tijd later liep hij de dokter weer tegen het lijf en zei: ‘U vroeg mij onlangs of wij elkaar in de hemel zullen herkennen, maar – kénnen we elkaar dan?’
Maria van Magdala zag in de opgestane Heer aanvankelijk de tuinman en de Emmaüsgangers een vreemdeling. Zie je me niet? Ken je me niet? Eerst elkaar maar eens beter leren kennen, ook al is die kennis maar ten dele, als in een spiegel.
- In vrijheid nieuwe wegen gaan (hymne) Staes, Karel
psalm 176
Het Lied van de Wet (psalm 119) is uitgezongen. De zanger zingt zichzelf trouw in en reikhalst naar nieuw leven, naar een diepere verbondenheid met God. “Geef mij, naar uw orde nieuw leven” (verzen 149 en 156). Er is nog altijd kans tot dwalen, maar God brengt de doler terug (v 176a) om de eenvoudige reden dat “een weg terug niet meer mogelijks is, eenmaal ten diepste trouw geworden (v 176b).
In U
gaat alles open
richt ik mij tot U,
Uw Woord maakt vrij,
wordt “Weg”,
uitgetekend voor de mens.
Ik wil die Weg niet meer verliezen,
nooit nog “nergens zijn”
De wereld zit verstikt, dicht geslibd in klatergoud
alleen Uw Woord
trekt dat onvergetelijke spoor van Eeuwigheid.Altijd, heel mijn leven lang,
zal ik blijven zoeken naar die Weg,
in eender welke taal zal ik mijn verlangen
aan Uw Echo hangen,
aan de weerklank van Uw Woord,
voortaan vrij van wie de valse wet
van “meer of minder” spelt,
Gij wordt niet opgekocht,
verkocht voor geld
Ik wil mij op U richten
met U ben ik als in de echt verbondenEr is geen weg meer terug
alleen nog recht vooruit,
getrouw aan U
en jaar na jaar heb ik het mis verstaan,
maar toch ontkiemt Uw Weg in doorgaand donker,
als een indruk, langzaam dieper ingedrukt
en ik kan en wil niet meer
nog eigenzinnig dolen,
want Gij zijt het die mij keer op keer,
berooid, beschaamd hebt terug gebracht,
ik laat U niet meer los!
