Nummers
- Dood als gezel. Besef van eindigheid.
- Juli 2008
De dood hoort onoverkomelijk bij het leven. Dat weten we al lang. Toch worden we keer op keer verrast als iemand te vroeg heengaat. Het blijft moeilijk om erover te spreken, zowel met kinderen als volwassenen. Hoe ver mag je gaan in het respecteren van de laatste wensen van de overledene? En wie heeft oog voor de pijn van zij die achterblijven? Het leven gaat voort … altijd met de dood als gezel. Het besef van kwetsbaarheid en eindigheid nodigt uit om zorgzaam met het leven en met elkaar om te gaan en tijd en ruimte om te rouwen mogelijk te maken.
- € 7,95
Korte inhoud van dit nummer
- Leven met de dood D'hert, Ignace
“Voor de dood ben ik niet bang, wél voor aftakeling of een langdurige lijdensweg”: je hoort het vaak. Anderen willen er liever helemaal niet over praten. Van de dood hebben levende mensen geen weet. Ze zien enkel de levende zijde van het bestaan. Het zijn de gevoelens die met het verwerken van dood te maken hebben die hen bezig houden. Angst voor verlies, voor verlatenheid. Ingehouden opluchting om de dood die als verlossing uit lijden ervaren wordt. Woede en onmacht om de grootscheepse dood die gepland en georganiseerd wordt. De hartverscheurende ellende omdat men dié persoon moet missen. Niets is zo intiem als verdriet en pijn in het zicht van de dood. Niets is zo algemeen menselijk.
Ik herinner me nog uit mijn kindertijd hoe de dood een heel duidelijke impact had op het dagelijkse leven. Bij het sterven van iemand uit de dichte familie droeg de hele huiselijke sfeer er het stempel van. Muziek en amusement waren uit den boze. Het viel je als kind erg zwaar. Vooral het dragen van de rouw, wekenlang, is me bij gebleven. Het duurde eigenlijk té lang. Later werd men daar soepeler in. De confrontatie met de dood hoefde niet zo indringend te zijn en ook niet zo lang te duren. Kinderen werden uit de buurt gehouden. Men hield de dood liever buitenshuis. Het werd minder zichtbaar hoezeer we erdoor geraakt waren. Het hele gebeuren rond een afsterven diende netjes maar vooral vlot te worden afgehandeld. Hoe minder dood, hoe beter. Geen lange treurperiode meer. Geen zwart. Mensen leken opgelucht dat ze opnieuw, vroeger dan voorheen het geval was, het volle leven in konden.
Dit wordt tegenwoordig steeds meer ervaren als een vlucht. Vandaag ontdekken we dat het aanvaarden van de kwetsbaarheid en eindigheid van ons bestaan één van de opgaven is van ons mens-zijn. Meer nog, en positiever: die aanvaarding helpt om op een meer ontspannen manier met het leven om te gaan. Omdat we beseffen dat de dood nu eenmaal onontkoombaar is. De dood hoort bij het leven. Deze erkenning doet helemaal niets af aan de levensvreugde die we zoeken. Integendeel, we leren meer genieten van wat het leven te bieden heeft. We hoeven niet “alles” te hebben of mee te maken. De goede maat van ons leven heeft met beperking te maken.
Wie de dood bespreekbaar kan maken, ervaart een zekere ontspanning. Een verademing. Het taboe is doorbroken. Dat ervaren we in het contact met iemand die weet dat zijn of haar dood nadert. Er kan gepraat worden over de uitvaartdienst, wensen kunnen kenbaar worden gemaakt. Het betekent een grote rust erop te mogen vertrouwen dat hiermee rekening wordt gehouden. Ook maatschappelijk leren we de dood zien als een realiteit die bij het leven hoort. Op school, op de werkvloer, in ziekenhuizen leren mensen ruimte te creëren voor de dood. Zo leren we ook het leven dat ons toevalt meer te waarderen. Met de dood als gezel. In het besef van eindigheid.
- Leren leven met de dood Serné, Marijke
“De dood heeft jarenlang op de achtergrond een grote rol gespeeld in mijn leven. Die rol werd zo groot, omdat over de dood niet mocht worden gesproken. Daardoor werd het tegelijkertijd een steeds moeilijker onderwerp. De dood werd doodeng!” Pas toen Marijke Serné aan het einde van haar studie theologie koos als ritueelbegeleider mensen te gaan begeleiden op belangrijke kruispunten in hun leven, brak het moment aan dat zij zich met de dood heeft verbonden.
- De dood is altijd bij ons. Interview met Inge Berendsen over verlies, praten over dood en troost. Merckx, Marianne
“Het overkomt altijd een ander” denken we als het over een vroege, onverwachte dood gaat. Dat denk je ook bij de staatsloterij. “Ach, ik win toch nooit.” Maar het verschil is dat we wel massaal loten blijven kopen, terwijl we het zo min mogelijk over de dood hebben. Hoewel we heus wel weten dat de dood bij het leven hoort.
- Uitvaarten verzorgen in een uitvaartcentrum.“Mensen niet wegwerpen als een kei …” Claes, Martin
Steeds meer uitvaarten vinden buiten een kerkelijke context plaats. Priester op rust Martin Claes begeleidt afscheidsvieringen van een Antwerpse begrafenisonderneming: een dienst die hij levert aan een zeer divers publiek, met een al even verscheiden levensbeschouwelijke achtergrond. De auteur pleit voor een waardig afscheid van elke mens, elke unieke persoon. Hij is dan ook voorstander van een overleg tussen levensbeschouwelijke instanties en de uitvaartbranche, zodat aan elke overledene en zijn nabestaanden een humaan minimum kan worden geboden.
- Kinderen en de dood. Verdriet in het bedrijf Janssen, Kolet
Alsof er iets heel zwaars op je schouders ligt. Kinderen en de dood.
Kolet Janssen en haar dochter Rebekka Jonkers, studentenpastor bij de universitaire parochie van de K.U.Leuven, schreven samen Het Boek van de Troost. Met kinderen denken over afscheid & verlies, leven & geluk (Davidsfonds/Infodok, 2007). Het boek gaat in op afscheid en verlies, dood en rouw, geluk en troost bij kinderen. Het biedt kinderen herkenbare voorbeelden van leeftijdsgenoten en helpt hen meer greep te krijgen op wat ze meemaken. De citaten in dit artikel komen van de vele kinderen die voor dit boek werden geïnterviewd.
Verdriet in het bedrijf.
(getuigenissen)Een gezin wordt meestal keihard getroffen door het overlijden van een familielid. Maar hoe zit dat met collegaÕs? Hoe gaan zij ermee om wanneer plots een werknemer wegvalt door overlijden? Hoe wordt een collega opgevangen wiens partner overlijdt? Hoe ga je verder met een bekende op de werkvloer wiens verlies alles overschaduwt? Twee getuigenissen uit het bedrijfsleven in Vlaanderen
- De essentie van palliatieve zorg Desmet, Marc
Marc Desmet, jezuïet en palliatieve zorgarts, buigt zicht over de vraag naar de essentie van palliatieve zorg. Het lijkt een eenvoudige vraag, maar het antwoord wordt een hele verkenning die nog meer boeit door het parfum van het spirituele.
- Het bemoedigingsmoment Baeten, Jo
Omdat mensen en hun dingen ‘voorbijgaan’ – en wie ons het liefste zijn, meestal ’t eerst – doet het leven pijn voor wie gaat en voor wie achterblijft. ’t Is een schrijnende pijn, een beklijvende pijn die om ondersteuning en bemoediging vraagt, als troost voor de geest en balsem voor de ziel. Jo Baeten getuigt over het “bemoedigingsmoment” op de Pailliatieve Eenheid van het Virga Jesseziekenhuis in Hasselt.
- Laatste wensen of heilige huisjes? Serné, Marijke
Er hangt iets magisch rond de zogenoemde ‘laatste wensen’ van iemand die is overleden. Zonder twijfel dienen deze gerespecteerd te worden, maar hoe ver kan en mag je hierin gaan?
- Rouwzorg midden in het schoolleven Staelens, Bellinda
Het komt steeds meer voor dat kinderen of jongeren worden geconfronteerd met het dramatische verlies van een van hun klasgenoten of vrienden. De school moet hen dan proberen op te vangen. Bellinda Staelens organiseert nascholing rond rouwzorg in het bisdom Gent en begeleidt scholen bij een overlijden.
- hoe een school afscheid nam van een overleden leerlinge. Staelens, Bellinda
Op 16 april 1996 stierf Caroline Moreau ten gevolge van een val bij het paardrijden. Ze was 16 jaar jong en leerlinge aan het Sint-Jozefinstituut te Aalst in het vierde jaar aso. In deze kleinschalige schoolgemeenschap met een vrij persoonlijke band tussen directie, ouders, leerkrachten en leerlingen gebeurde de ‘rouwzorg’ op velerlei wijzen: door een blijvend contact met de familie en haar klas- en jaargenoten, door symbolische tekens en momenten in het dagelijkse schoolleven, door ruimte te laten voor gevoelens van verdriet en kwaadheid, door te blijven getuigen in woorden en leven dat de dood niet het laatste woord krijgt …
- Te-weeg (column) Verscuren, Ann
Wat we gedaan hebben met ons leven
maakt ons tot wat we zijn als we sterven.
En alles, absoluut alles telt.
Sogyal RinpocheAls beginnend ziekenhuispastor had ik het goed op een rijtje. Ahum, excuseer, ik begin opnieuw. Als beginnend en niet-meer-zo-beginnend ziekenhuispastor had ik het niet zo goed op een rijtje. Ik dácht het echter goed te weten. Ik zou stervende mensen mogen begeleiden naar een rustige overgave aan de dood. Natuurlijk mochten ze eerst kwaad zijn, op de dokters, op God, op al die slechte mensen in de gevangenis die niet ziek worden, of op allemaal tegelijk. Natuurlijk mochten ze hun bezorgdheid uitspreken over kinderen en kleinkinderen die zouden achterblijven – hun foto's vol glimlachen op het nachtkastje, hun tekeningen vol kleuren tegen de muur. Ze mochten natuurlijk praten over al hun plannen en goede voornemens die ze zouden uitvoeren als ze beter waren – naar Lourdes of naar hun camping in de Ardennen in het weekend, of meer tijd voor hun familie. Natuurlijk mochten ze spijt hebben dat ze het niet eerder rustiger aan hadden gedaan. Natuurlijk. Maar uiteindelijk, uiteindelijk, moesten ze van mij met een milde glimlach berusten. Harmonie was het doel, de eindmeet. En jammer genoeg ook de maat waar ik mezelf aan afmeette en aan afmatte. Ik werd onrustig als ze de dood niet onder ogen wilden zien, er tegen bleven fulmineren of er mee onderhandelden. Ik moest ze toch naar de grazige weiden en de rustige wateren leiden? Anders deed ik mijn job toch niet goed? Nou, dat ging lelijk tegenzitten. En dus ging ik ook mezelf lelijk tegenzitten.
Het begon te dagen toen een collega me vertelde over Marleen, een jonge vrouw die we allebei kenden van onze respectievelijke afdelingen. Zij had net het nieuws gekregen dat men in het ziekenhuis 'niets meer voor haar kon doen'. Mijn eerste reactie: "En, kon ze het een beetje rustig opnemen?" Waarop mijn collega uitriep: "Jezus, Ann! Die vrouw is amper de veertig voorbij, heeft thuis twee tieners rondlopen die haar nodig hebben, en jij vraagt of ze er een beetje rustig onder kan blijven?! Wat verwácht je in hemelsnaam?" Ja, wat verwachtte ik in hemelsnaam? Blijkbaar moesten de mensen die me waren toevertrouwd het beeld worden dat ik voor ogen had, zodat ik me waardevol zou voelen. Ahum. Hoe egoïstisch van mij. Niet zo goed bezig dus.
Een mogelijke ontmoeting met de dood brengt vanalles – zeg maar alles – teweeg. Misschien is alles wat we de dood voorleggen – onze woede, onze herinneringen, onze spijt, onze wanhoop, onze liefde en zorg, onze ontkenning óf onze overgave – wel een geschenk. Een afscheidsgeschenk voor het leven zelf. Grote en kleine, ingepakt in gefluister, ironie of sarcasme, in warme tranen of lange stiltes, in harde woorden of dichtgebonden met laconieke linten. Maar alles, absoluut alles, is een geschenk.
- De hemeldragers. Brons van Willy Peeters Gelaude, Kris
Wie anders zou de hemel dragen
dan zij die van de aarde houden
in een zachtmoedige omarming.Zij die knielend groter worden.
De wakenden onder de sterren
bewogen door een stem
hen ingeschapen als hun eigen adem.
Die niet kunnen
niet willen geloven
dat van de liefde
één korrel vergaat.
Zwaartekracht
houdt hen niet gevangen.
Hoop gist in hun woorden.
Licht trekt hen op
uit de grond.Op een dag is het waar:
hemel en aarde
door niets of niemand te scheiden.
En mensen als deze
overal opgestaan.
- Het mirakel van Amsterdam (column) Hoogeveen, Piet
Vrij kort na elkaar zijn twee jonge studenten aan onze theologische hogeschool gedoopt. Beide keren vond de plechtigheid plaats in een kapel, midden in het centrum van Amsterdam waar veel toeristen komen. De fraaie kapel herinnert aan het ‘mirakel van Amsterdam’, een gebeurtenis uit de veertiende eeuw toen een uitgebraakte hostie die in de vlammen van het vuur was gegooid, niet verteerde. Dat zij zich lieten dopen stond niet los van hun studie. Lynda Sexson schreef in haar boek Gewoon heilig ooit: “Dat het bestuderen van godsdienst ook wel eens een methode zou kunnen zijn om haar te praktiseren; nadenken over het wezen van godsdienst is op zichzelf al een religieuze activiteit.” Het is niet denkbeeldig dat zoiets hierbij een rol heeft gespeeld. Ik herken het in ieder geval bij vlagen tijdens mijn colleges.
De tweede keer, het was een zaterdagmiddag, ging het niet alleen om de student zelf maar ook om zijn tweejarige zoon. En terwijl in de gebeden woorden te horen waren over de verlokkingen van de wereld, de listen van de duivel en het verslaafd zijn aan de zonde dromden telkens groepen toeristen achter in de kapel bijeen om nog een glimp op te vangen van de schilderijen over het mirakel van Amsterdam. Ik kreeg het gevoel tot een vreemde sekte te behoren die een geheimzinnig ritueel uitvoerde, beschermd door de disciplina arcani, de tucht van het geheim, zoals bij Cyrillus van Jeruzalem in de vierde eeuw die het doopwater graf en moeder tegelijk noemt. De echte moeder hield intussen haar uit de kluiten gewassen zoontje met een stevige greep boven de doopvont. Terwijl het water over zijn hoofd stroomde keek hij recht in het water van het bekken. Wat zag hij? Mijn gedachten dreven de verkeerde kant op. De mythe van Narcissus die verliefd was op zijn eigen spiegelbeeld schoot me te binnen. Maar de doop is daarvan het volstrekte tegendeel. Sterven we in de doop niet juist aan egocentrisme, aan alles wat ons scheidt van andere mensen?
Er is een gedicht van Kaváfis (1863-1933) over een gebeurtenis in de vierde eeuw, dezelfde eeuw als die van Cyrillus. Het gaat over Myres die gestorven is. De ik-figuur van het gedicht is geen christen, maar zijn vriend Myres wel. Vanuit een hoek van de kamer waar zijn vriend ligt opgebaard ziet de ik-figuur hoe de begrafenis wordt voorbereid.
“En plotseling overviel een vreemde
indruk mij. Ik kreeg een onbestemd gevoel
alsof Myres van dichtbij bij mij wegging;
ik had het gevoel dat hij, als Christen één werd
met de zijnen, en dat ik een vreemde
werd, een volslagen vreemde…”De heiden die een vreemde wordt in de vierde eeuw is veranderd in een christen die zich bij tijd en wijle een vreemde voelt in de eenentwintigste eeuw. Het lijkt het tweede mirakel van Amsterdam wel.
- Fragmenten uit het Bijbelse Hooglied Staes, Karel
De pijn van arme mensen die geen moeder mogen zijn is niet weer te geven, alleen maar even op te roepen. Ik vind die taal terug in het Bijbelse Hooglied waarin de geliefden naar elkaar reikhalzen en dolen in elkaars afwezigheid. Met enkele moeders voor ogen, koos ik de onrust om een weggelopen kind en de hardnekkigheid om het nooit meer los te laten, terwijl de armoede daar soms toch toe dwingt en kinderen uit huis worden geplaatst. Daarna is er de wanhoop om de afwezigheid te overstijgen in de pijn van een blijvende verbondenheid. Zo blijkt maar hoe de diepte van Bijbelse liederen erin slaagt de menselijkheid van vandaag tot in al haar schrijnende ellende op te graven.
Bij 3, 1-4
Midden in de nacht en droomverloren
sta ik op, dwalend in het donker zoek ik naar mijn kind,
blijf hangen in mijn vragen, hoor het klagen van de wind die zingt:
“Waar is mijn kind?”
en langs de straten loop ik eindeloos te zoeken naar mijn kind.
Terwijl de mensen hier en daar mijn vraag herhalen met evenveel verhalen,
vind ik eindelijk mijn kind en laat het niet meer los!
Ik houd het vast, mijn levensbloed, bloed van mijn gemoed
laatste droom op ooit een menselijk bestaan.Bij 5,2-8
Maar in het diepste van de nacht was het of ik dacht:
“Mijn kind klopt op mijn kamerdeur!”
Ik opende mijn hart, maar vond alleen de leegte van het aardedonker
als een graf in mijn bestaan, de vlam vergaan van wie mij warm en levend houdt,
mijn kind, de vrucht van ooit mijn leven, het werd tot lucht,
een wolk die weggedreven is.
Ik schreeuwde alles bij elkaar, riep een naam, het diepste van mijn wezen,
maar de mensen
wezen mij af. Ik was geen moeder meer, alleen nog maar de nutteloze kreet
van wie niet beter weet ...Bij 8,6
Draag mij diep, mijn zorgenkind,
draag mij als een zegel op jouw hart, druk mijn spoor dat ik verloor
in de dagen die jou verder door het leven dragen.
Weet dat ik je niet en nooit vergeet
want even sterk als jouw afwezigheid, is de echo van mijn liefde
en mijn leegte blijft jou roepen over alle grenzen heen
en als de dood niet meer weet waarheen
zal mijn liefde jou weten terug te vinden
in ons beider oudste herinnering
- Boekbesprekingen
KAREL STAES , Ga niet dood, ik zou het besterven , Halewijn, Antwerpen, 2007, 14,50 x 23,50, 120 p., 14,00 EUR, ISBN 9789085180538
TITUS RIVAS & BERT STOOP, Spiritualiteit, vrijheid en engagement, Athanasia Producties, Nijmegen, 2006, 13,50 x 20, 286 p., ISBN 9789080779532
KATIA MROWIEC, MICHEL KUBLER en ANTOINE SFEIR, God Adonai Allah. Vragen over de drie grote religies, KBS/VBS, ’s Hertogenbosch-Leuven, 2006, 20 x 20, 188 p., € 22,50, ISBN 9789061738978
HERMAN DE DIJN , Religie in de 21ste eeuw. Kleine handleiding voor voor- en tegenstanders, Pelckmans, Kapellen, 2006, 14 x 22, 160 p., € 17,50, ISBN 9789028942141
LUC VANKRUNKELSVEN, Dageraad over de akkers. Soja anders, Dabar-Luyten/Wervel, Heeswijk/Brussel, 2007, 304 p., € 15,00, ISBN 9789064164187
BERNARD SPITZ, TREES DEHAENE & MARJOLIJN DE WILDE, Het geluk zwanger te zijn, Lannoo, Tielt, 2006, 17 x 24, 224 p., € 22,50, ISBN 9789020965247
ANNE MARIJKE SPIJKERBOER, Rembrandts engel. Bijbelverhalen van een schilder, Skandalon, Vught, 2006, 17,5 x 24,5, 240 p., € 29,50, ISBN 9789076564180
JEF STEVENS, ERIK HERREBOSCH & ANNE VANDENHOECK, Praktijkbegeleiding van pastores. Met het oog op kwaliteit van werk en leven (Cahiers voor Praktische Theologie) , Halewijn, Antwerpen, 2006, 14 x 23, 272 p., 16 euro, ISBN 978 90 8528 0712
