Login
Wachtwoord vergetenn
Wachtwoord vergeten close

Nummers

Grenzen.
Grenzen. De goede maat zoeken.
Maart 2007

We herinneren ons levendig de tijd dat spiritualiteit in belangrijke mate te maken had met het uitstijgen boven eigenbelang. De christelijke traditie mag zich echter doorheen haar lange geschiedenis verheugen in de wijsheid van vele geestelijk gevormde mensen - monniken en anderen - die waarschuwen voor een spiritualiteit die vooral op prestatie gericht was. Het beantwoorden aan wat men dacht het ideaal te zijn. Met niet zelden het onderdrukken van de persoonlijke eigenheid. De wijze mensen drongen er op aan dat het vinden van de goede maat belangrijker is dan het zich kunnen beroemen op indrukwekkende prestaties.

De postmoderne cultuur lijkt de slinger helemaal naar de andere kant te laten doorslaan. Bovenaan het deugdenlijstje staat de vrijheid. De individuele vrijheid. Daar gaat niets boven. Zo sterk dat zelfs de redelijkheid de deur gewezen wordt. Het autonome subject is onafhankelijk en zelfbeschikkend in het bepalen van grenzen. Het gesprek over een gezamenlijk project wordt dan onmogelijk. Zo komen we terecht in een sfeer van ‘ieder zijn waarheid’ en ‘ieder zijn eigen waarden’.

€ 7,95
Tijdschrift
nummer 2 / 2007
Hoofdredacteur: D'hert, Ignace

Art.Nr. 20072
Korte inhoud van dit nummer
Maat houden D'hert, Ignace

‘Titaantjes’ heet een praatprogramma op ‘Radio Een’ (VRT) waar op zondagmorgen iemand geïnterviewd wordt die om de een of andere reden als ‘bekende Vlaming’ door het leven gaat. Iemand die algemeen bekend is om zijn/haar verdienste op politiek, cultureel of sociaal vlak, of die recent om een bijzondere reden in het nieuws geweest is. Naar het einde van het gesprek komt steevast de vraag aan de orde naar de financiële verdienste van de persoon. Leuk om horen hoe ze meestal ‘daarin niet geïnteresseerd zijn’ of ‘het zelf echt niet precies weten’. Bij verder aandringen blijkt het om vrij fabuleuze bedragen te gaan, of moet de geïnterviewde persoon toegeven behoorlijk meer te verdienen dan hij/zij in eerste instantie geneigd was toe te geven. Vaak met een zekere gêne.

Kun je dan geen behoorlijk antwoord voorbereiden op een vervelende vraag? Of is de eerlijkheid van het moment toch sterker dan het keurig voorbereide antwoord? Iedereen mag toch zijn ‘menselijke’ kant hebben?! Als luisteraar ben je blij niet met zulke lastige vragen te worden opgezadeld. Want ieder heeft wel zijn/haar klein (of groot) beetje veiligheid ingebouwd. We zorgen heus wel voor onszelf. We houden iets achter de hand voor barre tijden. Dat gaat niet enkel om financies. We willen op zowat alle gebied een gevoel van veiligheid. Zo bouwen we reserves in om niet meegezogen te worden in het onvoorspelbaar avontuur van welk engagement ook.

We herinneren ons levendig de tijd dat spiritualiteit in belangrijke mate te maken had met het uitstijgen boven dit ingebakken eigenbelang. Er werden allerlei oefeningen aangereikt om ons daarin te trainen, te harden. Allerlei vormen van boetedoening en zelfkastijding om ontoelaatbare begeerten en verlangens te temmen. Soms op het randje van het oorbare. Die herinnering is lange tijd blijven kleven aan de term ‘spiritualiteit’. De christelijke traditie mag zich echter doorheen haar lange geschiedenis verheugen in de wijsheid van vele geestelijk gevormde mensen - monniken en anderen - die waarschuwen voor een spiritualiteit die vooral op prestatie gericht was. Het beantwoorden aan wat men dacht het ideaal te zijn. Met niet zelden het onderdrukken van de persoonlijke eigenheid. De wijze mensen drongen er op aan dat het vinden van de goede maat belangrijker is dan het zich kunnen beroemen op indrukwekkende prestaties.

De postmoderne cultuur lijkt de slinger helemaal naar de andere kant te laten doorslaan. Bovenaan het deugdenlijstje staat de vrijheid. De individuele vrijheid. Daar gaat niets boven. Zo sterk dat zelfs de redelijkheid de deur gewezen wordt. Het autonome subject is onafhankelijk en zelfbeschikkend in het bepalen van grenzen. Het gesprek over een gezamenlijk project wordt dan onmogelijk. Zo komen we terecht in een sfeer van ‘ieder zijn waarheid’ en ‘ieder zijn eigen waarden’.
 

Een jaar na het leesonderzoek D'hert, Ignace

Bij het tweede nummer van de voorbije jaargang voegden we een enquête met de bedoeling te peilen naar ons lezerspubliek en haar houding ten aanzien van het tijdschrift. Het werd een uitvoerige bevraging (12 pagina’s) die een bijzondere inspanning kostte. Het betrof niet alleen het profiel van de lezer. Het ging evenzeer over een evaluatie van het tijdschrift naar vorm en inhoud als over de doorwerking ervan naar de sfeer van de persoonlijke zingeving, naar beroepssituaties, catechese of andere kerk- en werkverbanden. We mochten ons verheugen in een meer dan behoorlijke respons. We voelen ons dan ook als “makers” van het tijdschrift bijzonder gesteund om met onverminderde zorg verder te werken aan een degelijk tijdschrift van en voor een verankerde spiritualiteit. We willen bij deze dan ook al diegenen danken die zich de moeite getroost hebben op onze vraag in te gaan.

Grenzen stellen en maat houden Kerkhofs, Jan

Maat houden vergt evenwicht. Tussen stilstand en roekeloosheid. Wie te ver wil springen, valt in het water. Wie niet durft springen, houdt op te leven. Dit geldt op elk levensdomein, van industrie en wetenschap tot kerken.

Grenzen stellen aan vrienden? Deckers-Dijs, Mimi

Een Engels spreekwoord luidt: Old friends and old wine are best. Spreekwoorden ontspruiten aan jarenlange levenservaring, maar klopt deze Engelse zegswijze eigenlijk wel helemaal? Oude (te oude) wijn kan knap verzuurd zijn. Of toch niet? Mimi Deckers-Dijs vertelt ...

De goede maat onderscheiden Boone, dirk

Over de ‘goede maat’ heeft de christelijke spiritualiteit een wijsheid opgebouwd die men kan samenvatten onder de noemer ‘onderscheiding der geesten’. Samen met twee ‘ervaringsdeskundigen’ terzake, Antonius de Grote en Ignatius van Loyola, wordt dit begrip verkend. We zien hoe het vinden van de ‘goede maat’ niet alleen te maken heeft met een erkennen van fysieke en psychische grenzen, maar met het vinden van de persoonlijke roeping, daar waar Gods verlangen en het eigen diepste verlangen elkaar ontmoeten.

Burger van twee werelden. De christelijke oorsprong van de liberale samenleving Bocken, Inge

In deze bijdrage wordt een secularistische interpretatie die in naam van de Verlichting de religie uit de publieke sfeer wil houden, bekritiseerd. it gebeurt met een verwijzing naar de brief over de tolerantie van John Locke. Duidelijk wordt gemaakt dat de scheiding van kerk en staat die door Locke naar voren gebracht wordt, past in de lijn van het christelijke denken, die in de mens een burger van twee werelden ziet. Dit concept biedt langs twee kanten mogelijke winst: zowel het secularisme als het fundamentalisme (zowel islamitisch als neoconservatief) kunnen immers de spanningsverhouding die intrinsiek met de liberale samenleving gegeven is, niet uithouden, zij het telkens op een andere manier.

Mateloos melancholiek. Neerslachtigheid als een plaag van de moderniteit Groot, Ger

Melancholie is van alle tijden, maar de moderne mens lijkt er vatbaarder voor te zijn dan ooit. De oorzaak daarvan ligt, paradoxaal genoeg, in de vrijheid die hij zich verworven heeft en waarin hij de wereld naar zijn hand heeft leren zetten. Zodra blijkt dat het geluk zich echter niet naar deze maakbaarheid voegt, slaat het ongeluk met dubbele hardheid toe. Niet alleen verschijnt de wereld daarin als duister en onherbergzaam, maar ook de mens zelf komt daarin naar voren als een mislukkeling, die er niet in slaagt zijn eigen geluk te maken. Tegen deze dubbele slag is zelfs geen Prozac opgewassen. De medicalisering van de depressie staat integendeel helemaal in het teken van deze manipuleerbaarheid van het geluk, die juist de oorzaak van de depressie-cultuur is.

Acedia – uitgeblust verlangen Maas, Frans

Wie stelselmatig de goede menselijke maat veronachtzaamt, komt op de duur zichzelf tegen. Zozeer soms, dat men het niet meer ziet zitten. De oude monastieke traditie noemt dat ‘acedia’. Dat blijkt een verrassend moderne ondeugd, of ziekte. Vooral geboren optimisten zijn er bevattelijk voor. Deze bijdrage van Frans Maas situeert zich op het persoonlijke-religieuze vlak, maar vormt een soort tweeluik met die van Ger Groot, die meer op het maatschappelijk-cultureel vlak gericht is.

Rituelen. Een dynamisch grensgebied Lukken, Gerard

Zonder bemiddelingen kunnen wij niet met elkaar en met de wereld buiten ons communiceren. Bij die bemiddelingen spelen rituelen een heel eigen rol. Zij worden gekarakteriseerd door symbolische, sterk lichamelijk-zintuiglijke bemiddeling met het spanningsveld van verhullen en onthullen. Zij vormen een dynamisch grensgebied waarin grensoverschrijdingen mogelijk zijn zowel door overaccentuering van het ‘jenseits’ als van het ‘diesseits’. De grenzen liggen niet vast, maar worden in elke cultuur op eigen wijze verkend.

Grenzen stellen vanuit dienstbaarheid Goossens, Caroline

Voor Caroline Goossens kunnen dienstbaarheid, gericht op de andere mens, en grenzen, ten aanzien van jezelf, niet zonder elkaar. Hoe ze deze verhouding of dit ‘spanningsveld’ ziet, leest u in deze bijdrage.

De snaar moet juist gespannen staan. Een gesprek tussen vijf vrouwen die voorgaan ... Gryson, Els

De Vleugel is een oecumenisch liturgisch project in Antwerpen. Op vrijdag 1 december zaten Marianne, Hilde, Marijke, Rita en Els, die voorgaan in de liturgie, samen rond de tafel. Het was een unieke ervaring. Vanuit een reflectie over hun voorgaan kwamen ze op de vraag hoe grenzen worden ervaren in de omgang met het heilige in een liturgische context. En hoe ze daarmee omgaan. Els Gryson vertelt ...

Grenzeloos (column) Verscuren, Ann

Zomer. Loopkoers op de parochie.

Ik liep nooit mee, keek alleen maar toe van achter de rood-witte dranghekken.

Ik keek naar de eindstreep waar vrijwilligers van het Rode Kruis de lopertjes opvingen.

Die stortten zich uitgeput in de armen van het rijtje mannen en vrouwen met hun opgerolde hemden van lichtblauw katoen. Waarop hún armen werden omhooggehouden; er moest lucht naar de longen. Het ging automatisch en bijna mechanisch: kind kwam aangehold, werd opgevangen, van adem voorzien en dan met een klopje op de schouder wandelen gestuurd.

Bij één was het anders. Er was één dikke, zeg maar moddervette, vrouw bij. Ze schommelde als ze bewoog. Ze had rode vlekken in haar gezicht en zweetvlekken onder haar oksels. Toch wierpen alle kinderen zich, als het enigszins kon, zonder enige aarzeling in háár armen. Een veilig bastion was ze, voeten breeduit op het asfalt, lichaam voorovergebogen en armen wijdopen. ‘Kom maar, hier is het goed’, dreunde dat lijf. De kinderen gingen de witte lijn over met hun neus tussen haar borsten. Ze liepen te pletter tegen haar buik, een verend springkasteel. En ook al bleven ze niet langer hangen in haar armen dan bij de rest, toch was het anders. Intiemer. Het leek of het telkens haar eigen kind was dat ze opving en hun eigen moeder - of hun gedroomde - waar ze die luttele seconden thuiskwamen.

Het was intrigerend; telkens weer, elk jaar. Ik kwam niet om te zien wie er won - mijn vriendjes waren toch bij de laatsten. Ik kwam voor haar. Nee, niet eens voor haar, maar voor dat wat er telkens gebeurde in die ruimte tussen haar en het vallende kind. Voor die ruimte die geen ruimte meer was, waar alle grenzen vervaagden en de adem even stokte. Ik ken nu het woord waarvoor ik kwam. Ik kwam voor de overgave.

Toen ik in het ziekenhuis af en toe de kapel indook om daar in de stilte op adem te komen, sloot ik meestal mijn ogen en zuchtte ik mijn vermoeidheid uit. Alle verhalen, alle losse eindjes, alle onmacht, alle mensen waar ik naast had gestaan, wilde ik niet de leegte insturen, maar naar Iemand toe.

In het donker achter mijn ogen ‘viel’ ik telkens. Met elke zucht, viel ik altijd en altijd opnieuw in zachte armen. Ik wist niet waar ze vandaan kwamen, maar ze waren er. Ik droeg iets over aan de armen van een Ander en werd zelf opgevangen. Ademloos. Even maar. Tot ik weer adem kreeg, mijn ogen opendeed, diep adem haalde, even knikte naar het kruisbeeld vooraan en de deur uitliep.

Al is God in mijn rationele geloofsontwikkeling eerder ‘het Goddelijke’ geworden of ‘het Leven zelf’, mijn diepste kern heeft blijkbaar meer dan woorden nodig, beelden dus. Dikke, zachte, warme armen in mijn geval. De psychologie kan er van alles over zeggen - hunker naar de moederschoot? - en ik geloof het allemaal. Psychologie en theologie kunnen netjes naast elkaar bestaan, me dunkt.

Het is nu pas, vijfentwintig jaar na de loopkoers en enkele maanden na mijn leven als ziekenhuispastor, dat ik eindelijk door heb waar de armen vandaan komen. Ik zie slordig opgerolde hemdsmouwen in lichtblauw katoen. Een lichaam als een brede havengeul. Armen die wijdopen gaan. Ik kijk niet meer toe vanachter de dranghekken. Ik loop zelf.

De kringloop van de barmhartigheid. Aalmoes, vasten en bidden volgens Mt 6,1-18 Van Tente, Marc

Aalmoezen, vasten en bidden zijn drie traditionele pijlers van de joodse, evangelische en islamitisch spiritualiteit. Vanuit bevrijdingstheologisch perspectief kun je ze, met de Braziliaanse theoloog L.C. Susin, als drie dimensies van de ‘kringloop van de barmhartigheid’ beschouwen. Een uitnodiging om traditionele uitingen van spiritualiteit nieuw te herdenken.

Een brief, een al te winters in memoriam voor M. Stroobants, Jos

‘Schrijf me over dood,’ zo zeg je, alsof dood beschrijfbaar is, en alsof deze winter anders is, tot sterven meer geschikt, tot woorden die verdriet beheersbaar maken (of net niet). Hoe zal ik zeggen: ‘Dood is groot, en samen met de essentieelste erotiek de bron van wie ik ben en worden moet’, en tegelijkertijd het zeer noodzakelijke zwijgen vroom bewaren, waarin dood een traag en donker bloeien wordt, zo diep vertrouwd als wezensvreemd? Zoals wij dagen terug in deze al te zeer aanmodderende winter M. mochten begraven, die reeds maanden met haar zachte grijze ogen vol verbazing uitkeek naar haar dood, terwijl ze woorden sprak en schreef waarin de troost te trillen hing voor elk van ons. Omdat zij wist wellicht dat wij nu eenzaam waren met de eigen dood en hoe wij allen op de tocht kwamen te staan nu zij haar deur voor sterven zo uitdrukkelijk had openstaan? Wij vielen uit elkaars vertrouwde kringen en er waren er die zongen, met een binnensmondse huiver, en er waren er die dansten met een plots verlegen lichaam. Velen waren er die zwegen in een niet-gedeelde stilte, in verhullende gebaren toen hun hand de kist beroerde en zij daarvan schrokken, elkeen in zijn eigenste herinnering, een doos die al te plots gevuld was.

‘Schrijf me over dood.’ Of wist je al bij voorbaat dat ik toch het gouden muntstuk op de tong zou keren en de veerman met een lied van liefde zou betalen? Schipper, wil mij overvaren, maar leg eerst dat lied me in de mond. Ik koop je om, ik wil mijn deel op deze oever voor ik me daarginds te pletter zing. Of zal ik een verhaal verzinnen wijl ik op je schouders zit en al maar zwaarder weeg, en jij mij draagt over de wintergolven, luisterend hoe dwalend ik verdwaalde in de spinsels gouddraad, woordenwebben, holle wegen van verlangen? Nu de dagen welhaast op hun kortst zijn en het donker noopt tot inkeer, omkeer en doordacht verzinnen van de weg, is de camino zeer onveilig voor wie eenzaam onder sterren gaan, voor al wie inwaarts winter vinden. Ach, kap’teintje, sla mij niet. Ik schrijf niet over dood. De dood schrijft mij en schuift me traag naar liefde toe, want elke zanger is een lichtmatroos, een surfer op een waterhoos die tussen schip en oever is verdwaald. Een lied van liefde of van dood raakt immers kant noch wal. Maar wil gezongen zijn en, tegen nacht en ontij in, een lichtend baken bij de grenzen van verstand en rede. Schipper, draag mijn schrijven over nachtdiep water naar een oever van gedeelde vrede.

voor Manuel - 11 december 2006

Oog in oog (column) Hoogeveen, Piet

Terwijl het jaar 2007 al weer richting lente gaat, trof ik in een la de stapel kerstkaarten aan die ik eind december had gekregen. Ik heb er altijd wat moeite mee om die goede wensen tegelijk met de onttakelde en ruiende kerstboom de deur uit te doen. Ik lees ze nog eens en bekijk de afbeeldingen op de voorzijde. De prik is er inmiddels af, zoals bij een wekenlang niet goed dichtgedraaide fles spa. Ik stop ze in de zak met kranten die ik straks naar de container voor oud papier ga brengen.

Bij de kerstpost zat ook een klein pakje van de reisorganisatie waarmee ik sinds vele jaren naar Griekenland reis. Dat cadeautje is vaste prik en een prettige vorm van klantenbinding. Zo werd ik als eens verrast met een fles ouzo en een wollen kussensloop met een geborduurde vogel. Dit keer was het een kleine Byzantijnse icoon met achterop een heus certificaat plus lakzegel dat de reproductie echt was.

Het was een icoon van de Moeder Gods met haar zoon op haar rechterarm. Zijn kleine blote beentjes rusten op haar andere arm. Hun gezichten raken elkaar, wang tegen wang, geen speld tussen te krijgen. Maria kijkt nadenkend. Haar blik is naar binnen gericht. Ze kijkt me niet rechtstreeks aan al is het niet uitgesloten dat ze me vanuit haar ooghoeken in de gaten houdt. Op een tentoonstelling in Londen ‘At Home in Renaissance Italy’ kwam ik er onlangs achter dat schilderijen met voorstellingen van Maria of andere heiligen die in de camera, het slaapvertrek, hingen soms voorzien waren van een gordijntje. Dat ging dicht tijdens het wassen, omkleden of andere zaken waar geen pottenkijkers bij gewenst waren.

Ik kijk naar haar zoals ze daar in haar gouden lijstje op de schoorsteenmantel staat. Ze gaat in ieder geval niet de weg van het oud papier.

We leven in een geweldig visuele cultuur, maar het vreemde is dat binnen het christelijk geloof zoals dat hier in het Westen wordt gepraktiseerd, het oog voor mijn gevoel minder aan zijn trekken komt. In veel hedendaagse liturgieën valt van alles te horen en te doen, maar het zwijgend kijken, dat iets anders is dan observeren, is grotendeels verdwenen door de nadruk op participatie. De middeleeuwse Schaubedürfnis, die beantwoord werd met monstransen, reliekschrijnen en kijkgaatjes in de kerkmuren was misschien wat al te extreem, maar nu is er wel weer heel weinig wat onze aandacht weet te trekken.

Kijken en lezen zijn broer en zus. Woorden zijn ogen. Een icoon, zo heb ik me laten vertellen, wordt niet geschilderd, maar geschreven.

‘Ik zou wel onder deze bladzij willen zijn en door de letters heen van dit gedicht kijken in uw lezende gezicht ... ’, schrijft Leo Vroman. En John Henry Newman merkt in zijn beroemde ‘Apologia pro vita sua’ ergens op ‘dat de bijbel een oog heeft als dat van een portret, dat gestadig op ons gevestigd blijft, aan welke kant wij ook gaan staan.’ Lees ik een tekst of word ik door de tekst gelezen? Kijk ik naar mijn nieuwe icoon of slaat Maria mij gade? Vreemde wisselwerking. Wanneer ik het lichaam van Christus eet, word ik opgenomen in zijn lichaam, eerder dan andersom. Wanneer ik de Heilige Schrift lees, word ik er door verteerd. Geloven is omkeren en omgekeerd worden.

‘Super te oculos meos,’ mijn oog is op je, zegt psalm 31. Wat een kerstpakketje al niet teweeg kan brengen.

De scala van de vrede. Zingen op hoop van zegen De Cock, Bertrand

Eind 2006 presenteerde Pax Christi Vlaanderen haar nieuwe cd van religieuze en liturgische liederen (voor soli, koor, gemeenschap en instrumentaal ensemble), met als titel "De scala van de vrede". Samengesteld en gedirigeerd onder de bezielende leiding van Bernard de Cock, dominicaan, verwoordt en bezingt deze cd de zoektocht naar een hedendaagse vredesspiritualiteit waarin Godsgeloof en menselijke liefde elkaar ontmoeten en bevruchten. Vele van de 25 nummers zijn origineel werk binnen ons Nederlands taalgebied. Componisten als Mark Joly, Vic Nees, Willem Vogel e.a., en tekstschrijvers als Sytze de Vries, Herman Verbeek, Berre van Thielt e.a. verleenden hun medewerking. De muzikale coaching was in handen van Mark Joly. De vocale en instrumentale uitvoerders zijn allen vrijwilligers, de meesten van hen studenten van het Lemmensinstituut, waar de cd ook werd opgenomen. In wat volgt schetst Bernard de Cock de geestelijke achtergrond van de samenstelling van de cd. Zijn tekst staat ook op het hoesje.

Hymne Staes, Karel

Magnificat, Lc 46-56

Hanna bloeit open tot haar diepste wezen, eindelijk vruchtbaar baart zij Samuël (= ‘hij, die van God is afgesmeekt’). Dat lezen we in de geloofstraditie van het oude Israël (1 Sam 2,1-10) Zij jubelt het uit. De geloofsgemeenschap van Lucas neemt de traditie over en legt ze in de mond van de juichende Maria (wie verheven wordt door gelovig open te staan voor de Heer). Maria is dus niet de tweederangs dienstmaagd, maar de vrouw als geloofsgetuige van de eerste kerk en moeder van generaties gelovige mensen, in het spoor van Abraham. (Luc 46-56).

Het is mijn diepste zijn dat zingt om God
ik juich met heel mijn wezen,
want vrij mag ik gegeven zijn,
heb God mijn warme kracht zien worden.

In mij mocht wonderbaar gebeuren
waarmee ieder mens is toebedeeld:
te groeien naar Gods beeld
te worden naar Gods Wezen,

de Onuitsprekelijke zij geprezen!

Vrede daalt sinds mensenheugenis
over wie opstaan uit de duisternis,
die van Gods diepte weten:
altijd nieuwe Kracht van krachtelozen.

elke eigenwaan wordt in de kiem gesmoord
en wie zetelt op de eerste rij,
maakt eerloos plaats voortaan
voor de kleine mens vooraan

want wie honger lijdt
uitkijkt naar gerechtigheid,
haar of hem wordt recht gedaan in overvloed
maar wie vol blijft van zichzelf, uitpuilt van teveel

blijft buiten staan

de mens die door het donker gaat,
blijft eeuw na eeuw bewaard,
naar het goddelijk woord van trouw,
zoals ons is gezegd, verteld

dat wie vertrouwde grond verliet,
gelovig sporen achterliet
tot op vandaag,

zo getrouw
is onze God.

Noot: Karel Staes liet de redactie van TGL weten dat de psalmen uitgeput zijn. Daarom opteert hij de komende jaargang voor bijbelzangen. In het kader vindt u telkens iets van achtergrond.