Login
Wachtwoord vergetenn
Wachtwoord vergeten close

Nummers

Vrijwilligers.
Vrijwilligers. Onmisbare schakels.
Mei 2007

Mensen zetten zich in voor medemensen. Ze doen het met toewijding en liefde. Vooral de samenwerking met gelijkgezinden werkt stimulerend. Het doet deugd te voelen dat je samen met anderen mag werken aan een zaak die mensen een stapje vooruit kan helpen. Niet te verwonderen dus, al die initiatieven met de inzet van tal van vrijwilligers. En ze doen het met een warm hart, en met een grote vanzelfsprekendheid, vanuit het besef te leven in een netwerk van verbanden en verenigingen dat onmisbaar is om het samenleven vorm te geven.
In nogal wat situaties wordt hun aanwezigheid als complementair ervaren ten opzichte van het werk van beroepskrachten. Niet dat er een simpele opdeling te maken valt tussen beroepskrachten en vrijwilligers. Er zijn onder de beroepskrachten heel zeker mensen met een groot inlevingsvermogen die met veel meer dan een louter technische ingesteldheid hun taak behartigen. En ook voor een vrijwilliger geldt dat hij/zij niet zonder opleiding de baan op kan.
Er is trouwens nog meer aan de hand dan de bereidheid zich persoonlijk te bekwamen. Je staat als vrijwilliger ook binnen een groter geheel waar vragen van structurele aard niet te vermijden zijn. Soms dient een beweging als geheel zich te beraden over haar opstelling binnen de samenleving. Dat zich hier wrijvingen kunnen voordoen, zal niemand verbazen. Wie zich betrokken partij voelt, wil hierover meedenken en -praten.
Afbakening van bevoegdheden wordt bijzonder spannend wanneer het gaat over vrijwilligerswerk binnen de kerkgemeenschap. Vooral wanneer het gaat om liturgische en sacramentele of quasi-sacramentele taken. Een kwestie die bij verschillende partijen gevoelig ligt. Ook hierover leest u meer in de volgende bijdragen.

€ 7,95
Tijdschrift
nummer 3 / 2007
Hoofdredacteur: D'hert, Ignace

Art.Nr. 20073
Korte inhoud van dit nummer
Met hart voor de zaak D'hert, Ignace

Mensen zetten zich in voor medemensen. Ze doen het met toewijding en liefde. Vooral de samenwerking met gelijkgezinden werkt stimulerend. Het doet deugd te voelen dat je samen met anderen mag werken aan een zaak die mensen een stapje vooruit kan helpen. Niet te verwonderen dus, al die initiatieven met de inzet van tal van vrijwilligers. Mensen oefenen zich in het leren luisteren naar een medemens met veel woede of verdriet in het hart. Ze openen winkels met tweedehandskledij of meubelen voor mensen die het financieel niet zo breed hebben. Ze brengen bezoekjes aan ouderen die de deur niet meer uitkunnen. Ze zetten zich in voor de uitbouw van een geloofsgemeenschap. Ze dragen een steentje bij in het menselijker maken van onze samenleving. En ze doen het met een warm hart, en met een grote vanzelfsprekendheid, vanuit het besef te leven in een netwerk van verbanden en verenigingen dat onmisbaar is om het samenleven vorm te geven.

In nogal wat situaties wordt hun aanwezigheid als complementair ervaren ten opzichte van het werk van beroepskrachten. Ze belichamen niet zelden ‘het niet verplichte’: de extra babbel, het woordje méér, de aandacht en de tijd voor hetgeen zo moeilijk gezegd kan worden. Je kan er als vrijwilliger makkelijk een dubbel gevoel bij hebben. Enerzijds: je bent geen professional. Je hebt niet de competentie van een beroepskracht om op bepaalde zaken in te gaan of advies te geven. Anderzijds: je voelt je vaak onmisbaar als aandachtige aanwezigheid. Niet dat er een simpele opdeling te maken valt tussen beroepskrachten en vrijwilligers. Er zijn onder de beroepskrachten heel zeker mensen met een groot inlevingsvermogen die met veel meer dan een louter technische ingesteldheid hun taak behartigen. En ook voor een vrijwilliger geldt dat hij/zij niet zonder opleiding de baan op kan. Op zijn manier zal de vrijwilliger zich dienen te scholen, trainingen te doorlopen om met een “geoefend” goed hart aanwezig te zijn. Goede bedoeling volstaat niet. Er is ook van een vrijwilliger een eigen competentie vereist.

Er is trouwens nog meer aan de hand dan de bereidheid zich persoonlijk te bekwamen. Je staat als vrijwilliger ook binnen een groter geheel waar vragen van structurele aard niet te vermijden zijn. Ziekenhuizen, opvangcentra, begeleiding van jongeren … dienen hun verschillende diensten op elkaar af te stemmen, en daarbij zijn zowel beroepskrachten als vrijwilligers betrokken. Soms dient een beweging als geheel zich te beraden over haar opstelling binnen de samenleving. Dat zich hier wrijvingen kunnen voordoen, zal niemand verbazen. Wie zich betrokken partij voelt, wil hierover meedenken en -praten.

Afbakening van bevoegdheden wordt bijzonder spannend wanneer het gaat over vrijwilligerswerk binnen de kerkgemeenschap. Vooral wanneer het gaat om liturgische en sacramentele of quasi-sacramentele taken. Een kwestie die bij verschillende partijen gevoelig ligt. Ook hierover leest u meer in de volgende bijdragen.

Vrijwilligerswerk als dienst aan de burger. Arendt, Levinas en Ricœur. als inspiratiebronnen Opdebeeck, Hendrik

Chris De Ketelbutter is psycholoog en psychotherapeut. Sinds 1985 is hij werkzaam bij Tele-Onthaal Oost-Vlaanderen, waarvan bijna 20 jaar als directeur. Hij vertelt over de ‘nieuwe vrijwilliger’, wat een organisatie kan bieden en de mogelijke betekenis van het vrijwilligerswerk.

Management en spiritualiteit. een koppel met toekomst Hanjoul, Patrick

Patrick Hanjoul is directeur van Bond Zonder Naam (BZN). Hij heeft gezocht naar een nieuwe wijze om vrijwilligers te motiveren. Maar hoe doe je dat: een verouderde organisatie in een sterk veranderde samenleving klaarmaken voor een toekomst die reeds begonnen is? De gouden sleutel werd gevonden in de droom van iedere vrijwilliger.

De vrijwilliger in Tele-onthaal. Geen ‘nieuwe vrijwilliger’ of net wel? De Ketelbutter, Chris

Chris De Ketelbutter is psycholoog en psychotherapeut. Sinds 1985 is hij werkzaam bij Tele-Onthaal Oost-Vlaanderen, waarvan bijna 20 jaar als directeur. Hij vertelt over de ‘nieuwe vrijwilliger’, wat een organisatie kan bieden en de mogelijke betekenis van het vrijwilligerswerk.

Een avond bij Tele-onthaal (anoniem)

‘Een goed gesprek hangt niet af van het al of niet vinden van oplossingen, het geheim ligt daar niet. Het geheim ligt in de ontmoeting, hoe anoniem ook.’ Dit zegt een vrijwillige medewerker van Tele-Onthaal in zijn getuigenis van een avond werken op de telefonische hulplijn. ‘De hele wereld komt langs, zomaar, en begint zomaar te vertellen’.

Samen is dubbel genieten

De auteur werkt als vrijwilligster voor een maatschappelijk bureau dat een asielzoekende tienermoeder koppelt aan een vrijwilligster die haar maatje wil zijn, waardoor het leven van beiden verrijkt wordt. Ze beschrijft haar ervaringen in de omgang met een Aziatische vrouw. De inleiding is geschreven door de coördinator van het tienermoederproject, Maatje van Steenbergen.

Begeleiden, een kwestie van geven en ontvangen Goens, Cecile

Cecile Goens is als ervaringsdeskundige begeleider van gespreksgroepen voor gescheiden mensen. ‘Vrijwilliger word je altijd door toeval. Ergens is er een nood en deze komt even aankloppen Je kunt die negeren of je gaat erop in. Voor je het goed en wel beseft, ben je vrijwilliger.’

De Dominicusgemeente van binnenuit bekeken de Korte, Dirk

De Dominicusgemeente in Amsterdam noemt zichzelf ‘een zelfstandige oecumenische kerkgemeenschap geïnspireerd op de christelijke traditie’. De vieringen worden wekelijks bezocht door 600 à 900 mensen. Dirk de Korte is er als vrijwilliger werkzaam. Hij is vice-voorzitter van de werkgroep pastoraat (WP) en leidt er ook een meditatiegroep. Verder is hij werkzaam als docent filosofie en ethiek aan de hogeschool van Amsterdam, opleiding voor maatschappelijke werkers.

Vrijwilligers in het voetbal van Doorslaer, Filip

Filip Van Doorslaer is als projectmanager van de Koninklijke Belgische Voetbalbond onder meer verantwoordelijk voor de sociale projecten die de KBVB zelf initieert en ook ondersteunt. Hij komt vanuit die functie regelmatig in contact met vrijwilligers en is bovenden zelf ook al jarenlang vrijwilliger in verschillende organisaties. De sportclubs zouden niet bestaan als er geen vrijwilligers waren, is zijn stelling.

Vrijwilligerswerk in een unieke vrijwilligerskerk Voskuilen, Cobi

Al meer dan 30 jaar werkt Cobi Voskuilen als enthousiaste vrijwilligster in het pastoraat. Ze heeft de scholing die ze als vrijwilliger heeft gehad als een stimulans ervaren om actief te blijven. Als een kans om te groeien in het werk maar nog veel meer in het ‘gelovig zijn’. Het was voor haar een uitdaging om medeverantwoordelijkheid te dragen voor de liturgie. Er is in haar parochie, de parochie Johannes en Jacobus in Nijmegen, veel meer sprake van gezamenlijkheid dan van rivaliteit. Deze parochie telt niet voor niets ruim 700 vrijwilligers.

Parabel (column) Verscuren, Ann

‘Schrijf je ook eens over mij?’ vraagt mijn liefje.
‘Mmm, ik zou wel willen, maar een column voor TGL moet een beetje spiritueel zijn’, zeg ik.
‘Ben ik dan niet spiritueel?’ daagt hij me uit.
‘Goh, ik zou niet meteen weten hoe ...’ aarzel ik.
‘Niet eens een klein beetje, genoeg om een klein stukje over te schrijven?’
Hij tuit zijn mond als een kind dat een koekje wil, één koekje maar.
Daar staat mijn stoere, rationele man die toch een beetje spiritueel wil zijn.
En dat waarschijnlijk ook is.

Want wie of wat maakt eigenlijk uit dat je het bent; en wat en hoeveel is er nodig om een heus Spiritueel Iemand te zijn?
Durf ik mijzelf eigenlijk met goed recht spiritueel te noemen omdat ik nu eenmaal professioneel met zingeving bezig ben, ‘iets heb’ met het christelijke verhaal en af en toe het heilige in het alledaagse zie?
Dan mijn liefje. Die heeft niet zoveel met het christelijke, het zinnige en het heilige.
Hij is absoluut niet zo geestelijk, maar af en toe wel behoorlijk geestig. Hij zal niet bidden of mediteren, maar is gewoon de rust zelve, stevig gegrond in zijn eigen kern.
En wat meer is: hij heeft een hart voor het weerloze.

Het zou een parabel kunnen zijn:
Vier mensen zitten op een strand in een ver land. Drie van hen zijn in hun dagelijks leven behoorlijk in de weer met godsdienst, goed doen voor mensen, geestelijke groei. De vierde niet. Dan komt er een man voorbij met een hond. De man draagt een sjofele rugzak op zijn rug waar een matrasje en slaapzak onder gebonden zijn. Hij staat stil en zoekt in zijn tas naar eten voor zijn hond. De man en de hond zitten tegenover elkaar, de man op zijn knieën in het zand, de hond braaf in ‘zit’. Ze kijken elkaar in de ogen. De man neemt de kop van het dier tussen zijn handen, kroelt hem even. Hij ziet dat de vier mensen wat verderop kijken en komt hun kant uit. Hij begint een gesprekje. Drie van hen doen even mee voor de vorm, maar voelen zich ongemakkelijk. Wat wil deze zwerver? Gaat hij geld vragen? Onderdak? Wat moeten ze dan? De zwerver brengt onrust, irritatie en een lichte angst. Wat verwacht hij eigenlijk van hen? Kan hij hen niet rustig een boek laten lezen?
De vierde neemt alle tijd om rustig met de zwerver te praten en te lachen. Van mens tot mens. Ze zitten tegenover elkaar. Ze kijken elkaar in de ogen, de hond rustig naast hen. De vierde streelt ook af en toe over de kop van de hond.
Later zegt hij: ‘bij mij waren er geen vragen. Er was alleen deze weerloze man met zijn hond, hier en nu, die verlangde een mens voor hem te zien. Het minste dat ik hem kon geven was dat. Dat is niet moeilijk.’
De drie anderen voelen zich een beetje beschaamd. Het was het bééld dat ze van de man hadden gevormd dat hen zo onrustig maakte, terwijl de vierde de man van aangezicht tot aangezicht had ontmoet.
U hebt het natuurlijk al lang geraden. De vierde in dit verhaal is mijn liefje. Meer dan spiritueel genoeg.

Religieus theater de Valk, Chris

Chris de Valk is pastor en schrijver van religieus theater in de oecumenische gemeente van Peize. Hij gebruikt de kracht van het theater om het geloof levend te houden. Hij zoekt daarin naar hetzelfde effect als van vuurstenen in zijn jeugd, namelijk dat de vonken er af springen, daar waar het gewone en het heilige elkaar raken en een nieuw licht laten schijnen op beide.

Plotse lente Stroobants, Jos

Haast al te nadrukkelijk is dit seizoen:
hoe het uitbreekt in blauw en in groen, aan de bomen,
de luchten daarboven, de ogen die blinken
op grasvelden, breed van verlangen, voorbarige
zekerheid, én het wild razende bloed
in de woorden, de blikken, het bottende lijf.

Haast al te nadrukkelijk is de osmose
van lente en kleurrijke kleding, van bloesems
en voorjaarsgelach, van een jaargetij dat zich
aan dromen te buiten gaat, en een ontbolsterde
stad waar de liefde langs gevels flaneert
als voorbarige zomer, een luidkeelse vlag.

Haast al te nadrukkelijk: ik en mezelf,
een herwonnen verbond, de onmogelijke
harmonie van de fuga: zelfstandige lijnen,
elkaar achterna in een speels en weerbarstig
verbond, labyrint van ontbonden gevoelens,
uitslaande gedachten, aroma’s van vrijheid.

Haast al te nadrukkelijk: lente en ik:
een verhaal waarvandaan, een verhaal waar naartoe,
een vermoeden van verte,een groot ogenblik.
 

De kleren van het lijf Hoogeveen, Piet

Al weer jaren terug - ik was net begonnen aan mijn studie theologie - was een van mijn docenten op het aardige idee gekomen zijn studenten als enquêteurs in te zetten bij een godsdienstsociologisch onderzoek. Het ging om het houden van diepte-interviews naar het geloofsleven van boeren, tuinders en caféhouders in een bepaalde streek van Zuid-Holland. Studiepunten kreeg je er niet voor, maar leerzaam was het zeker. Het was een van de weinige keren dat ik vrijwilligerswerk heb gedaan, want eerlijk gezegd daar is het tot nu toe bij mij weinig van gekomen.

Je ging, na een afspraak gemaakt te hebben, op pad met lijsten vol vragen en een zak vol kaartjes met uitspraken waaruit het slachtoffer een bepaalde selectie moest maken. Ondertussen moest je zien te voorkomen dat de rest van de familie zich ging bemoeien met degene die ondervraagd werd. Ik zie nog het gezicht van de echtgenoot voor me die zijn vrouw tegen mij hoorde beweren dat ze in reïncarnatie geloofde. ‘Vrouw, wat krijgen we nou?��, riep hij verbijsterd uit. Niet helemaal ten onrechte, lijkt me, na twintig jaar rooms huwelijksleven. Hoe het met dat onderzoek en dat huwelijk is afgelopen, wil me helaas niet meer te binnen schieten.

In onze moderne samenleving zijn enquêtes niet meer weg te denken. Politieke partijen, het bedrijfsleven, de media, de kerken, allemaal zijn ze dol op nieuwe cijfers en meningen die bureau zus of zo weer boven tafel heeft weten te halen om vervolgens in gekrakeel los te barsten over de interpretatie ervan. Wat zou er nog niet onderzocht zijn als zelfs ‘God in Nederland’ al enkele keren aan de beurt is geweest?

Het kon natuurlijk niet uitblijven. Onlangs kreeg ik een telefoontje of ik bereid was mij te laten ondervragen. Ik kon de verleiding niet weerstaan en maakte een afspraak wanneer ik teruggebeld zou worden. Op het afgesproken tijdstip kreeg ik de mevrouw van het onderzoeksbureau aan de lijn. Ze vroeg me de kleren van het lijf. ‘Waar ik mijn dagelijkse boodschappen deed, welke kranten en tijdschriften ik las, hoeveel geld ik aan schoenen en bovenkleren uitgaf, van welke clubs ik lid was, hoeveel flessen wijn ik in huis had...’ afijn, ik schatte wat af.

Op de achtergrond, diep in de hoorn, was hetzelfde geroezemoes te horen als zaterdags in een druk warenhuis. Blijkbaar lagen er meer patiënten aan de lijn. Ik voelde me steeds meer ineenschrompelen tot een gemiddelde Nederlander en mijn eigen mening leek als twee druppels water op die van een ander. ‘Of ik modaal was, of daarboven zat?’ ‘Welk merk horloge ik bezat?’ Ik antwoordde naar waarheid dat het zo’n zeventig jaar oud was maar dat ik het merk niet zo een twee drie wist. Even werd het stil aan de andere kant van de lijn. De computer kon het dit antwoord blijkbaar niet verwerken. ‘Is het soms een erfstuk?’, hoorde ik de mevrouw nu in mijn oor zeggen. Ik bevestigde dat en begon uit te leggen hoe mijn gouden knol met ketting eruit zag. Straks vraagt ze nog naar mijn naam, dacht ik ineens geschrokken. Het eerste wat je iemand vraagt, is immers zijn naam. Daarna komen de algemeenheden wel. ‘Wat is uw postcode?’

Toen ik de telefoon had neergelegd, moest ik denken aan een middeleeuwse spreuk die ik ooit op een graf aantrof: ‘Ik kom, ik weet niet vanwaar, Ik ben, ik weet niet wie, Ik sterf, ik weet niet wanneer, Ik ga, ik weet niet waarheen, Het is een wonder, dat ik vrolijk ben.’

Lied van Hanna Staes, Karel

1 Samuël 2, 1-10

De geliefde vrouw van Elkena blijft onvruchtbaar, zeg maar ‘niet geliefd bij de Heer’ (zoals dat toen begrepen werd). Maar op een avond... Thuis in Rama sliep Elkana met zijn vrouw Hanna en de Heer verhoorde haar. Hanna werd zwanger en na verloop van tijd baarde ze een zoon. Ze noemde hem ‘Samuël’, want, verklaarde ze, ‘ik heb hem aan de Heer gevraagd’. (‘Samuël’ betekent: ‘van God afgesmeekt’, later zal deze profeet David tot koning zalven.) Hanna geeft haar zoon aan de Heer: uit dankbaarheid voor zijn geboorte vertrouwt zij hem toe aan de tempeldienst. De parallel met aria, een en al beschikbaar en Jezus uit handen gevend, ligt voor de hand. Het nog steeds gebeden ‘Magnificat’ uit het begin van het Lucasevangelie inspireert zich op het lied van Hanna, haar in de mond gelegd bij ‘het uit handen geven van haar zoon’.

Een zang van vrede
zindert diep in mij:
geluk om God
die mij van vrees bevrijd,
zo vrij dat ik mijn stem verhef
tegen wie zich meer en beter waant

Uit het water opgetild
sta ik eindelijk op vaste grond,
weersta de grote mond
van wie alleen de taal
van vechten en geweld verstaat
en niemand levensruimte laat

In God wordt alles omgekeerd:
de sterken lopen vast, te pletter op zichzelf
en de zwakken richten zich volkomen op,
wie zwom in overvloed
verkommert in tekort,
maar hongerlijders doen zich eindelijk te goed

Voluit stroomt het leven uit de schoot,
van wie alleen maar dood
kon baren,
maar dor verdroogt de pracht
van wie ooit praalde
met een nageslacht

God keert dood tot leven
doet de glans en glitter snel verbleken,
armen, hulpelozen worden voluit meegeteld,
verliezen hun vernedering,
maar wie belangrijk was en rijk,
verdwaalt voortaan in eigen dor gelijk

Het is God,
die elke mens
bekend of onbekend,
de juiste plaats toekent