Licap homepage
Zoeken
Login
Wachtwoord vergetenn
Wachtwoord vergeten close

Nummers

Ademruimtes.
Ademruimtes. bouwstenen voor sacraliteit.
November 2007

Die ingetogenheid die van een kerkgebouw kan uitgaan. De sereniteit. Meestal durft dat nogal tegenvallen. Maar af en toe voel je je opgenomen in een ruimte waar je stil bij wordt. De puurheid die je bij sommige van die gebouwen kan overweldigen. Je wordt erin opgenomen.
En bijna onvermijdelijk vraag ik me af: hoe zou het zijn om hier liturgie te vieren? Is zo’n ruimte ook een gunstige plek om er als gemeenschap biddend, vierend en zingend, etend en drinkend samen het testament van Jezus te gedenken?
Ik vroeg me af hoe men met dit spanningsveld was omgegaan in het Brugse YOT-project. Dit project groeide vanuit verschillende initiatieven ter voorbereiding van Brugge 2002, Culturele Hoofdstad. Het ging erom een “gewone” parochiekerk in het centrum van de stad zo in te richten dat verschillende groepen er zich in thuis zouden voelen. Het project heeft een hele dynamiek op gang gebracht en kent een opvallende weerklank in binnen- en buitenland. Een gepast uitgangspunt voor een nummer over architectuur en spiritualiteit.

€ 7,95
Tijdschrift
nummer 6 / 2007
Hoofdredacteur: D'hert, Ignace

Art.Nr. 20076
Korte inhoud van dit nummer
Indrukwekkend D'hert, Ignace

Er is op vakantie nauwelijks een kerk die ik zomaar voorbijloop. Even een blik binnen werpen. In de stille hoop iets te voelen. Die ingetogenheid die van een kerkgebouw kan uitgaan. De sereniteit. Meestal durft dat nogal tegenvallen. Vaak spelen te veel verschillende stijlen door elkaar. Leidt te veel kitsch de aandacht af. Maar af en toe voel je je opgenomen in een ruimte waar je stil bij wordt. Een soort sacraal gevoel dat fascineert. Het zijn vooral de sobere lijnen van de romaanse en gotische kerken die me boeien en me kunnen raken. De puurheid die je bij sommige van die gebouwen kan overweldigen. Een totaliteitservaring. De impressie van een gebouw. Veel van die kerken mogen dan erg op elkaar lijken, de zuiverheid van het bouwwerk kan zo indringend zijn dat je iets beleeft dat nauwelijks verwoordbaar is. Je kan het onzegbare enkel ondergaan. Je wordt erin opgenomen.

En bijna onvermijdelijk vraag ik me af: hoe zou het zijn om hier liturgie te vieren? Want meestal ervaar je toch een grote sereniteit die je vanuit dergelijke gebouwen tegemoet treedt. Mooi en indrukwekkend, inspirerend tot meditatie, zeer zeker. Maar is zo’n ruimte ook een gunstige plek om er als gemeenschap biddend, vierend en zingend, etend en drinkend samen het testament van Jezus te gedenken? Inspireert een dergelijk gebouw niet in de eerste plaats tot ontzag, tot besef van eigen geringheid? Maar staat dat ook voorop wanneer we als geloofsgemeenschap ons gewone dagelijkse leven ter sprake brengen in het licht van het evangelie?

Ik vroeg me af hoe men met dit spanningsveld was omgegaan in het Brugse YOT-project. Dit project groeide vanuit verschillende initiatieven ter voorbereiding van Brugge 2002, Culturele Hoofdstad. Het ging erom een “gewone” parochiekerk in het centrum van de stad zo in te richten dat verschillende groepen er zich in thuis zouden voelen: zowel de trouwe kerkgangers die sinds jaar en dag in deze kerk hun religieuze thuis hadden, als jongeren en randkerkelijken die zoekend zijn naar nieuwe vormen van gebed, meditatie, en gesprek. Het project heeft een hele dynamiek op gang gebracht en kent een opvallende weerklank in binnen- en buitenland. Een gepast uitgangspunt voor een nummer over architectuur en spiritualiteit.
 

De sacrale ruimte. Hoe het onzichtbare zichtbaar wordt Callebaut, Tom

Ontwerper Tom Callebaut werd in het jaar 2000 gevraagd om de Magdalenakerk te Brugge (het project Yot) te heroriënteren. Vanuit die ervaring ontstond een lezing over sacrale ruimtes, met de bedoeling om een breder publiek van ‘kandidaat-bouwheren’ te kunnen bijstaan in hun zoektocht naar het herwaarderen van hun sacrale ruimtes.

YOT-b: uitdagen en bezielen Verscheure, Sofie

Sofie Verscheure is één van de inspirators van YOT-b, een vormingsinitiatief dat haar wortels vond in YOT en dat groepen begeleidt in hun denkproces bij de opstart van vernieuwingsprojecten rond religieus erfgoed en bredere spiritualiteitsprojecten. In dit artikel schetst zij de dynamiek die kan ontstaan zodra een antwoord wordt gezocht op de vraag: hoe kunnen we als gelovigen onze religieuze ruimtes op een eigentijdse manier herinrichten, zodat ze uitnodigende plekken worden voor de vele zinzoekers die de weg naar het kerkgebouw kwijtgeraakt zijn?

5 jaar YOT: het verhaal van een nooit-eindigend experiment Delbeke, Geert

De Magdalenakerk in Brugge verrast: “Is dat hier een katholieke kerk? Wordt hier nog de mis gedaan? Dient het water om te dopen?” Dat zijn de drie meest gestelde vragen van toevallige bezoekers. Sommigen begrijpen er niets van en gaan gauw weer weg. Maar anderen zijn gecharmeerd door de nieuwe aankleding van de kerk, hoe kaal die ook mag zijn in haar ongebruikte staat. Dat blijkt uit de meer dan 2 000 reacties die in vele talen neergeschreven werden in de schriften op de YOT-stand, achteraan in de kerk. Geert Delbeke en Koen Decorte leiden ons rond …

Tso’ar: een nieuwe ruimte voor inspiratie en inzet Roelofs, Marlies

In september 2004 besluiten de besturen van de parochies Sint Maarten en Trinitas te Leidschendam-Voorburg iets nieuws te beginnen. Net zoals overal in Nederland hadden zij de laatste jaren een teruglopend kerkbezoek geconstateerd en een tanende belangstelling voor georganiseerde godsdienst in het algemeen.

De Nijmeegse Titus Brandsma Gedachteniskerk. Overwegingen bij wijze van een spirituele plattegrond

De Titus Brandsma Gedachteniskerk is een open kloosterkerk, gelegen aan het Nijmeegse Keizer Karelplein. Tot 1995 was deze kerk onderdeel van de Nijmeegse binnenstadsparochie die pastoraal gezien onder de verantwoordelijkheid van de jezuïeten viel. Maar in 1995 was het kerkbezoek dermate teruggelopen dat de kerk met de ernaast gelegen pastorie gesloopt dreigde te worden, tenzij zij een andere bestemming zou kunnen krijgen. Dit laatste is gebeurd doordat de karmelieten de pastorie en de kerk tot het Titus Brandsma Memorial hebben verbouwd: een klooster met veel ruimte voor vormingsactiviteiten en een kerk waarin een speciale devotiekapel kon worden ingericht ter nagedachtenis aan Titus Brandsma, hoogleraar en karmeliet, die als martelaar in Dachau gestorven is op 26 juli 1942 en werd zalig verklaard. De verbouw en inrichting van de kerk hebben veel tijd gevergd. Men wilde een ruimte scheppen die gemakkelijk en snel kon worden aangepast aan verschillende vormen van liturgie en die in haar concrete gestalte vorm kon geven aan liturgische spiritualiteit. Welke spirituele dynamiek ligt ten grondslag aan deze inrichting van de liturgische ruimte?

Het “Diestseveld” te Kessel-Lo. Een nieuwe standaard voor Vlaamse dodenakkers Van Dyck, Jan

Toen de nood zich opdrong om in het Leuvense Kessel-Lo de bestaande begraafplaats uit te breiden, ontstond het idee om een ambitieus project op te starten. De begraafplaats Diestseveld moest meer worden dan een doorsneekerkhof. Het werd een plaats waar de samenhang tussen natuur en cultuur, openbaarheid en intimiteit, leven en dood ervaarbaar werd gemaakt.

Tuin- en landschapsarchitect met een passie voor historisch groen, Jan Vandyck werd de motor van dit project.

Wat je er in stopt, komt er uit. Architectuur die leeft Caspers, Marlijn, Hoefman, Henk-Jan

ZIN is gevestigd in een voormalig klooster van de fraters van Tilburg. Nadat het gebouw vele jaren leeg had gestaan, zochten de fraters naar een nieuwe bestemming, die zou passen bij hun spirituele traditie. Zij kozen voor het creëren van een plek voor mensen die zich willen bezinnen over de wezenlijke vragen die arbeid en werk oproepen. Deze plek kreeg de naam ZIN, klooster voor zingeving en werk. Als onderdeel van een grootschalige renovatie van het klooster, opende ZIN begin 2001 haar deuren. Tot en met in het bouwproces heeft ZIN haar motto ‘werken met ziel en zakelijkheid’ tot uitdrukking willen brengen, en met succes: gasten worden geraakt door het gebouw. Het is een gebouw geworden dat leeft: wat je er in stopt, komt er uit.
 

De veelkleurigheid van een spirituele ruimte Michels, Jan

De interlevensbeschouwelijke stille ruimte van het Ziekenhuis Netwerk Antwerpen.

Ziekte, ouderdom, afhankelijkheid en het (naderend) levenseinde stellen mensen voor vragen, die met de kern van het leven te maken hebben. In een ziekenhuis worden mensen dagelijks met deze spirituele vragen geconfronteerd. Waar kunnen zij terecht met deze vragen? Vinden zij – naast de menselijke en professionele aandacht die pastores en andere (levensbeschouwelijke) zorgverleners geven – een plaats waar zij tot rust, tot bezinning, tot gebed,… kunnen komen? Is er naast de kapel ook een ruimte voor mensen van andere godsdiensten of levensbeschouwingen? Welke veranderingen brengt onze multiculturele samenleving op dit vlak met zich mee? Op welke manier bewaren we de continuïteit met bestaande traditie(s) en doen we tegelijk recht aan andere overtuigingen? Hoe denken ziekenhuismanagement en vertegenwoordigers van katholieke, protestantse, islamitische en vrijzinnige overtuigingen over dit thema in een instelling met een openbaar karakter?

Wij vertellen het verhaal hoe de voorbije vier jaar over dit thema werd nagedacht en hoe werd gezocht naar een geschikte vormgeving voor een interlevensbeschouwelijke stille ruimte in ZNA Sint-Elisabeth, ziekenhuis voor geriatrie en revalidatie binnen het ZiekenhuisNetwerk Antwerpen.

Heilige grond Verscuren, Ann

Naar een boom ziende, zie ik hemel en aarde in elkanders armen. Want een boom, een boom is een bruiloft. - Hans Andreus

God is weer helemaal in de wolken, juich ik elke keer als de zon in een stralenkrans door de wolken breekt. Zie ik een statige boom in een grazige wei zijn kruin aan de hemel aanbieden, bekruipt de neiging me om bij zijn wortels neer te knielen. Grote pleinen - liefst zo rond en zo leeg mogelijk - geven me vleugels. Het is dan onweerstaanbaar: mijn armen worden vleugels, ik loop en vlieg vrolijk een rondje als een engel op een schooltoneel.

Ik schaam me er niet voor om toe te geven dat er een kleine animist in mij schuilt. De god van de Wolken-met-Zilveren-Randjes, de god van de Boom en de god van Grote Pleinen zijn mij niet helemaal vreemd. (Al ben ik wel opgelucht dat ik hen geen offers hoef te brengen om iets af te dwingen.) Toen ik laatst las dat dichters ook vaak animistische trekjes hebben omdat ze in hun poëzie de dingen een ziel geven, klonk dat heel vertrouwd. Ik voelde me meteen wat lichter en wat dichter.

Misschien maakte die lichtjes gedichte ziel van mij het wel mogelijk om op een passende manier met mijn liefje-atheïst te trouwen. Trouwen doe je samen, vonden we, en dus moest er aan elk van ons recht gedaan worden. Voor hem mócht er niet in een kerk getrouwd worden, voor mij moest het niet. “Als ik maar op heilige grond kan trouwen”, zei ik. Die heilige grond - door mijn liefje profaan vertaald als ‘prachtige natuur’- vonden we in een groot domein met glooiende grazige velden. In het midden stond een landhuis dat ons nota bene vertelde dat het gebouwd was op de grondresten van een oud klooster. De waterstroompjes in de buurt sprongen op van blijdschap toen ze hoorden dat die twee kanovaarders daar op de oever graag met elkaar verder wilden stromen. En. Nou. Jawel. We botsten meteen op een pracht van een plataan, struise kruin incluis, die ons toeritselde dat hij wel voorganger van onze trouwerij wilde zijn. ‘Trouwerij’ werd het juiste woord bij deze plek, het woord dat bij ons hoorde, zo onder deze boom. En. Nou. Jawel. Zo gingen we dus allebei door de knieën.

Toen de grote dag naderde, had ik nochtans graag een snelcursus ‘offeren aan de weergoden’ gevolgd bij professionals. We trouwden namelijk in ons eigenste België, waar regen net zo ingeburgerd is als verse pistoletjes op zondag. De Belgische weermannen voorspelden dan ook behoorlijk boze, donderende wolken die waarschijnlijk een potje zouden gaan janken. En wij droomden van een ja onder de boom, een picknick onder de boom en een dansfeest onder de boom. Op zo’n moment zou een magisch geloof met de juiste offers op de juiste plaats goed van pas komen. Maar gelukkig konden we terugvallen op iets buiten-gewoon magisch: tien vrienden die hun vrije avond opofferden om een groot zeil te spannen tussen boom en landhuis. Zodat zij en wij droog en wel onze dag konden beleven. En ik alvast even opgelucht een rondje kon vliegen door ons trouwerijdomein.

En? De regen is uitgebleven, de wolken zijn de hele dag gebleven, als reuzenhanden boven onze hoofden. En. Nou. Jawel. Net toen wij, omgeven door een zee van mensen, naar onze boom schreden, vond de zon een gaatje in de wolken om ons te omstralen. Even maar. Maar lang genoeg voor mij om te geloven dat God helemaal in de wolken was met ons.
 

Sint-Michiel: drievoudig spiegelbeeld Stroobants, Jos

I.

De engel hangt onzichtbaar (waakvlam, nachtpsalm)
boven het onduldbaar ijskoud landschap
dat zich gooit als glooiing, glooiing, glooiing
naar mij toe. Hij kijkt en ziet mij aan, hij
kent mijn draak, en dat is mij voldoende.
Hij bestaat (gevleugeld en gevederd)
en zijn vliegen is mijn veiligheid, zijn
vuurzwaard mijn ontdooiing.

II.

Zij staat verbaasd, gekoepeld, kerk te zijn en
vloekt de stad, het heidendom dat van haar
weg vliedt langs de glooiing, glooiing, glooiing
aan haar voet, maar spint mij in en weet: geen
van mijn duivels die haar deert. Haar droom trilt
vredig in de kaarsvlam die het duister
van haar luchtschip draagt, gepreveld liedje,
heilige verstrooiing.

III.

Hij voelt het binnenin, de danser, hoe zijn
lichaam hem zo eigen wordt dat liefde
vloeit langs elke glooiing, glooiing, glooiing
van zijn heup. Hij tilt mij op, bevrijdt mij
van mijn monsters (vederlicht geruis, een
bries, muziek voor even). Dons en schaamhaar
is zijn dansen (waakvlam, nachtpsalm ik) en
eindelijk: ontplooiing.

Kerkmuren (column) Hoogeveen, Piet

Bij het woord ‘kerk’ denk ik aan een gebouw. Theologisch is dat niet in de haak want ‘ecclesia’ betekent op de eerste plaats geloofsgemeenschap. Pas in de negende eeuw wordt ‘ecclesia’ ook de aanduiding voor een gebouw waar christenen samenkomen. Vanaf dan is er voor het eerst een nauwe wisselwerking tussen het gebouw en degenen die daarin zijn. Niet alleen wordt het gebouw meer en meer zelf een persoon die tijdens kerkwijding gedoopt en gezalfd wordt, maar ook moet je in de kerk zijn, wil je van de kerk zijn. Pas wanneer het gebouw gedoopt is, kunnen de gelovigen daarin gedoopt worden.

Hoeveel kerken zou ik tot nu toe gezien en bezocht hebben? Elke vakantie komen er wel weer een paar godshuizen bij. Het blijft gissen waar en wanneer ik die onschuldige verslaving heb opgelopen. Was het in mijn kinderjaren toen ik in zo’n bakstenen Krophollerkerk naast mijn moeder knielde, bank tien aan de vrouwenkant? Of kwam het door het lezen van ‘Onbekende kathedralen in Frankrijk’, die superieure guide bleu van Frits van der Meer? In ieder geval heb ik door dat laatste boek leren kijken en verstaan.
Ooit alleen op vakantie in Toledo kreeg ik tijdens de mis van een oude Spaanse vrouw een hand toegestoken om me de vrede van Christus te wensen. Mijn geslonken geloof in de katholiciteit van de kerk knapte daar aardig van op. Maar ik ben er tijdens mijn vakanties niet op uit. Ik heb dan liever een lege dan een volle kerk.

Wat een verademing wanneer je na eerst door een soort sluisje te zijn gegaan en de tweede deur achter je dicht hebt laten ploffen op een leren stootrand, de zomerzon kunt inruilen voor de koele majesteit van een eeuwenoude romaanse basiliek. Verhit van een dag slenteren door Florence, stapte ik de dom binnen. Ik trok mijn schoenen uit om mijn blote voeten op het nimmer warme marmer te laten bijtrekken, totdat een vertegenwoordiger van Gods grondpersoneel er op stond dat ik mijn schoenen weer aantrok. Toch is die koelte niet de belangrijkste reden om een kerk binnen te gaan. Evenmin de in de namiddag gloeiende glas-in-loodramen of de eikenhouten misericordes met onder hun zitvlak de meeste merkwaardige fabeldieren afgewisseld met een musicerende engel of een eenzame lichtekooi. Ik kijk er graag naar en het geeft me voldoening wanneer ik een motief kan thuisbrengen, maar een voldoende verklaring is het niet.

Wat me eigenlijk het meest intrigeert zijn de herinneringen die in elke oude kerk zijn blijven hangen. Daarin is die kerk gedoopt. Herinneringen aan mensen, aan wat zij hebben meegemaakt aan licht en geluk, aan verveling, aan woede, aan creativiteit. Soms voel je nog het wachten op een antwoord dat kwam of juist niet kwam terwijl het verhaal van God werd verteld en de sacramenten gevierd. Dat alles wordt overkoepeld door een oude kerk. Een moderne doorzonkerk met een verrijdbaar altaar heeft hier het nakijken.

In een beroemde passage van zijn Confessiones vertelt Augustinus over de moeite die Victorinus, een toen alom bekende intellectueel, had een kerk binnen te gaan. Wat zou de republiek der letteren daar wel niet van zeggen? Tegen zijn catecheet, Simplicianus, zei Victorinus: ‘Je weet toch dat ik in feite al christen ben’. Maar die antwoordde: ‘Ik zal het niet geloven totdat ik je in de kerk zie’. Waarop die schertsend riposteerde: ‘maken de muren dan een christen?’ In de negende eeuw vond men van wel. Maar wij?
 

Verder in het “Lied van de Wet” Staes, Karel

psalm 119,9 – 16

Waar God “een lamp is, schijnend op het levenspad” (vers 105) en (dus) “ieder kronkelpad mijn afschuw wekt” (vers 128), een dwaalweg wordt. Niettemin kan Gods Licht verblinden en wordt het donker door (ons) tegenlicht.

Al te lang heb ik gedoold met alleen mezelf tot gids,
blind en zonder grond had ik geen weet van U –
hoe Gij bestond,
mij in mijn dolen vond.

Wij dwalen weg van U, vervangen U door klatergoud
- “in onbegrip elkaar verdringend, weet ik veel waarheen”
Dàt is niet meer aan mij besteed,
want eigen dom belang verzuurt tot eenzaam leed

naar U blijft mijn verlangen gaan,
als een echo blijft Gij in mij hangen,
weerklank van wat zich blijft
herhalen

goddelijke weg door doodgewone dagen
wil zich onbegrensd vertalen
in de weerschijn van Uw lamp, Uw licht
dat mij behoedt voor dwalen

geen geniep geknoei op kronkelpaden,
voortaan ieder in de ogen zien als uw weerspiegeling,
zo mag ik verder in een Dieptezicht:
Uw licht verdraagt geen tegenlicht.