HERBERGZAAMHEID


JACQUES DE VISSCHER 

Geef uw mening over dit artikel


Jacques De Visser. Foto Gerard Verschooten
Van Jozef en zijn hoogzwangere vrouw Maria, de moeder van Jezus van Nazaret, wordt gezegd dat zij geen herberg vonden toen ze, op reis naar Jeruzalem, hun kind ter wereld wilden laten komen. De bevalling greep dan maar plaats in een stal in Betlehem. 

        Geborgenheid

Zo'n situatie vinden we niet normaal. Eigen aan uitzonderingen is dat zij de regel van het tegendeel bevestigen. Die luidt dat de mens, in het ter wereld komen, geherbergd zou zijn. Het 'licht zien' bij het verlaten van de moederschoot betekent het achter zich laten van een toestand, die de mens niet eigen is om precies in een menselijk milieu terecht te komen. Het behoort dus tot de menselijke situatie de wereld toe te behoren, in de wereld thuis te zijn. De mens, die een levensgeschiedenis of een levensloop uitbouwt of in een levensverhaal een plaats krijgt, is dus geenszins een buitenwerelds natuurwezen, dat we eerst in biologische begrippen kunnen begrijpen en pas daarna in cultuurtermen beschrijven. We zijn mensen die, bij wijze van spreken, een bio-grafie schrijven.

Tot die biografie behoort alvast het feit dat we zijn opgevoed. Dat wil zeggen: hartelijk (of minder hartelijk) in de wereld verwelkomd, met zorgen omringd, opdat we ons in de wereld zouden kunnen oriënteren. We hebben geleerd - dat is onze inwijding - hoe we de anderen en de dingen, die we met anderen delen, toegewijd zijn. We hebben dit in de eerste plaats geleerd door de ervaring dat anderen ons zijn toegewijd, in het feit dat een zekere geborgenheid onze eerste levensjaren heeft gekenmerkt. We waren (en zijn het in beginsel nog) geherbergd. Het woord 'geherbergd-zijn' bevat de notie 'geborgenheid' en omgekeerd: in geborgenheid klinkt herbergzaamheid door. We zijn niet in een stal geboren, aan de rand van een stad, alleen omringd door de geborgenheid van de ouders en wat dierlijke warmte, maar we zijn geboren in een geherbergde geborgenheid, die ook van maatschappelijke ontvankelijkheid is doordrongen.

De maatschappij waarin wij leven kan bureaucratisch en al te zakelijk lijken, soms ook afschrikwekkend en bedreigend door haar formalismen, regelgevingen, bemoeienissen, geboden en verboden. Tegelijk is die maatschappij bijzonder beschermend, organiseert ze eindeloos veel voorzieningen, is ze de menselijke verhoudingen en de mogelijkheden van allerlei dingen en diensten gebruik te maken, echt toegewijd. Toewijding en ontvankelijkheid in een context van herbergzaamheid en geborgenheid vormen een werkelijkheid waaraan we deel hebben.

De omstandigheden van de geboorte van Jezus van Nazaret ervaren we als marginaal. De ouders hebben het kind ontvangen en verwelkomd en op die manier de onherbergzaamheid van de wereld gecompenseerd. Dit verhaal is er dan ook één van een haast onwereldse toestand, van uiterste armoede. Deze komt vandaag nog voor, wellicht veel meer dan tweeduizend jaar geleden - gewoon omdat er zoveel meer mensen zijn. Terecht noemen we die onwereldse armoede 'onmenselijk'.

        Beschaving

Dieren doen iets dat wij mensen, vanuit onze ervaring en vanuit onze woordenschat, bouwen, wonen en inrichten noemen, maar een beschaving stichten zij niet. Wij kunnen ons - uiteraard tijdelijk - bestaan niet zonder dit bouwen, wonen en inrichten voorstellen, maar ook niet zonder beschaving. Vooreerst is daar het onomstootbare feit dat onze levensloop zich ergens afspeelt. Wij brengen de tijd, die ons is toegemeten, in een veelvoud van plaatsen door, waarvan sommige ons bijzonder dierbaar zijn. Het betreft dan die plekken, die we ons hebben eigengemaakt, omdat we daar goed wensen te leven, omdat we ons daar wensen te vestigen voor korte of lange tijd, eventueel ons hele leven lang.

Elke plaats of plek, die we innemen, richten we naar onze maat, naar onze lichamelijkheid in. Hoe kort de tijd, die we ergens doorbrengen, ook moge zijn, we schikken onszelf en de omgeving zo dat die plek onze plek wordt. Brengen we een paar dagen in een hotelkamer door, dan bestaat niet zelden onze eerste zorg in het ons toe-eigenen van die ruimte. Zoveel bagage hoeven we niet mee te hebben om die, op het eerste oog zo vreemde kamer, tot onze kamer om te vormen. We komen de kamer binnen, kijken rond, bewegen ons in de kamer; we inspecteren de aanpalende badkamer, de kasten; we willen het uitzicht kennen. Het openmaken van onze koffer of reistas, het etaleren van kleren en mogelijke andere spullen, het aanpassen van de verlichting, het gebruik maken van wastafel, douchecel en toilet. Al deze activiteiten zijn één voor één bedrijvigheden om ons de hotelkamer eigen te maken. Het kamermeisje, dat de volgende ochtend wat komt opruimen, blijft liefst zo anoniem mogelijk; ze is als een instrument dat voor ons comfort zorgt, meer niet; aan haar schoonmaken mag ze geenszins een eigen signatuur geven, ze laat liefst geen sporen achter.

In die zin is de herbergzaamheid van de herberg een dienst aan ons verlangen om ons in het hotel thuis te voelen. Het is een schijn van duurzaamheid in een korte periode, omdat we geborgenheid willen, omdat we naar een plaats verlangen die we de onze kunnen noemen, al was het maar voor één nacht. De procedure om dit gevoel te hebben, geschiedt eigenlijk in de wijze waarop we ons in de kamer en de dingen van de kamer projecteren. Het is alsof we die hotelkamer als een uitbreiding van ons eigen lichaam beschouwen. Daarom verlangen we niet met ongewenste indringers te worden geconfronteerd. Dat zou ten zeerste onaangenaam, unheimlich zijn.

        Onherbergzaamheid

Het woord 'unheimlich' is veelzeggend. De beste Nederlandse vertaling luidt: onherbergzaam. In het Duitse woord zit 'Heim' dat verwijst naar onze heemstede. Unheimlichkeit of onherbergzaamheid houdt dan ook een toestand van thuisloosheid in. We zijn opeens voor korte of lange tijd beroofd van wat ons eigen is, wat met onze identiteit verbonden blijft. Dit ervaren we als een ontwrichting van onze gemoedsrust. Wie met inbraak geconfronteerd wordt en de brutale indringer in de ogen heeft gezien, beseft waarlijk aan den lijve die bedreiging en die onveiligheid, die de schending van onze intimiteit zo sterk kleuren. We krijgen het gevoel nergens meer thuis te zijn, niets te hebben dat ons eigen is. Nog veel indringender zijn dan ook de ervaringen van die mensen, die steeds opnieuw van hun woongebied beroofd worden en verjaagd naar vluchtelingenkampen b.v. We hebben het dan niet langer over een momentane ontwrichting of over een plotselinge verstoring van de gemoedsrust, maar van een ontworteling. Zo'n ervaringen zijn echte verwondingen, brutale aanslagen op een van de wezenlijke vormen van de bestaanszin, van het verlangen ergens te zijn.

In het woordje 'Heim' van Unheimlichkeit horen we ook de centrale lettergreep van het woord geheim. Een geheimvol bestaan is eigenlijk een leven waarin we ons van onze heemstede laten doordringen, van alles wat met het concrete van de Heimat verbonden is, van alles wat onze huiselijkheid eigen is en waar niemand, die niet is uitgenodigd, zaken mee heeft. Ons geheim is geen 'weetje' dat we voor anderen verzwijgen, maar toch zouden kunnen verklappen, maar het besef van een unieke eigenheid, zonder de welke ons bestaan onvoorstelbaar geschaad zou zijn. Het geheimvolle van ons leven is het concrete bij uitstek, dat wil zeggen wat met ons zijn is vergroeid en dat ons eigenlijk niet te ontnemen valt. We kunnen het ook niet zo maar vertellen. De vraag die peilt naar het geheim van een bepaalde woning valt moeilijk te beantwoorden. Het volstaat immers niet te verwijzen naar een paar mooie bergkasten of gemakkelijke stoelen, of naar het aardige spel van licht en kleur en de zo gerieflijke keuken. Het huis of de flat geeft zijn geheim niet zomaar prijs en de bewoners vinden nooit de overtuigende antwoorden, die als een handleiding voor navolging zouden kunnen dienen. Wat we in een aantal huizen of woningen wel kunnen ervaren, is dat daar de Unheimlichkeit van veel uit onze omringende wereld schijnt te ontbreken of moeilijk tot daar schijnt door te dringen. Unheimlichkeit staat dan voor die on-aardse bevreemding waar alles aan de berekende openbaarheid lijkt uitgeleverd en waar soms zo weinig ruimte voor behoedzaamheid en gelatenheid en verfijning overblijft. We hebben inderdaad woningen nodig waar we ons ontvangen en uitgenodigd weten en waar we de gelegenheid tot inkeer kennen. Dat kunnen we niet aflezen van de zogenaamde esthetisch verantwoorde gebruiksvoorwerpen of van de technologische hoogstandjes, waartoe sommigen architectuur goed wonen durft herleiden. Wat niet wil zeggen dat de dingen in het geherbergd-zijn geen rol zouden spelen. Veeleer het tegendeel is het geval. We zijn niets zonder dingen en de dingen zijn niets zonder ons. De dingen die we echter op het oog hebben, zijn nu juist die dingen, die ons voortbestaan uitdrukken, die ons dagelijks leven begeleiden, die in het verlengde van ons eigen zelf liggen, zonder dat we van onszelf vervreemd raken. De dingen verzamelen en bemiddelen ervaringen en verhoudingen, ze brengen zelfs nabijheid tot stand en herinneren er ons aan dat we niet op onszelf teruggeworpen leven, maar voor duizend-en-één aangelegenheden op anderen zijn aangewezen - dat we tot een gemeenschap behoren.

        Axis mundi

In de herbergzame omgang met de dingen werkt een besef dat geen mens zichzelf genoeg kan zijn. Het volgende verhaal kan deze gedachte verhelderen. Bij een verbouwing in de stad heeft een architect een zestal cilindervormige stenen in het gras zien liggen, die voor niets konden dienen. Hij heeft ze meegenomen en op de open plek die toegang geeft tot de drie woningen van hetzelfde domein, opgesteld. Hij constateert tenslotte dat zo'n monumentje daar goed staat. Niemand verbaast er zich over dat het daar staat, tenzij diegene die onmogelijk kan geloven dat zo'n zuiltje een fait divers zou zijn dat alleen maar goed oogt. Omdat we nog zo'n paaltjes en zuiltjes en zelfs heuse kolommen kennen, gaan we er ook hier van uit dat zo'n ding betekenis heeft. Er zal echter nauwelijks iemand geneigd zijn veel over de esthetische, kunsthistorische, sociologische en urbanistische waarde van zo'n paaltje te zeggen. Daartegenover vermoeden we dat er van de waarde van de architectuur zonder dergelijke paaltjes geen sprake zou kunnen zijn. Om dit te verhelderen, gaan we van de vraag uit: als we onze woning wensen te bouwen, waar wensen we die dan in te planten? Is het niet daar waar we het 'goed' willen hebben? Is zo'n plek, waar we meer dan ooit wensen te wonen, dan niet het oord waar we, zoals Heidegger schrijft, stervelingen willen begeleiden, de aarde redden door haar toegewijd te zijn en te hopen haar tot haar recht te laten komen, waar we de hemel ontvangen en het goddelijke verwachten? Wellicht willen we dat en voelen we dat ook zo aan. Alleen is de inrichting van de woning - wat het laatste stadium van het bouwen als wonen betekent - tot het centrum van de wereld promoveren, misschien al te aanmatigend. Hét centrum van de wereld bevindt zich voor velen ongetwijfeld elders, in Wall Street bijvoorbeeld, of in het Vaticaan, maar toch niet op een ogenschijnlijk banale plek, waarvan alleen wij iets verwachten. Voor velen van ons echter ontstaat het centrum van de wereld zeker daar waar we onze woning wensen in te planten, op te richten en in te richten. Maken we dit centrum misschien niet zelf, maar ontdekken we het, dan willen we daar toch zo dicht mogelijk bij zijn. Eens we ons daar hebben gevestigd, is deze plek in onze levensgeschiedenis uniek. Zij is het punt van waaruit we vertrekken om de stad in te lopen, om te werken, om te reizen; zij is ook het oord waar we naar terugkeren, waar we de noodzakelijke inkeer vinden, waar we ons onthaald weten, waar we kunnen rusten, familieleden en vrienden ontvangen. De oprichting van zo'n paaltje of zuiltje betekent nu de bevestiging van deze zin: het paaltje is het symbool dat ons een oriënterend centrum is gegund en dat we in de heel dichte nabijheid ervan kunnen wonen.

In de nabijheid van het centrum van de wereld willen wonen door er te bouwen en er een huis in te richten, is de cultuurantropologie en de godsdienstfenomenologie niet onbekend. In die context krijgt het paaltje, dat dit centrum symboliseert, de aanduiding axis mundi of wereldas. Het paaltje zit in de grond of het zuiltje staat op een sokkel; het steekt in ieder geval boven de aarde uit; op die manier verbindt het de aarde van de stervelingen met de hemel van de goddelijken of van het transcendente. Dit ogenschijnlijk onopvallende gratuïte ding, opgericht zonder enige functionele of berekenende overweging, maar niettemin in zijn vage esthetische gestalte aanvaard, blijkt dan toch een betekenis te actualiseren: het verbindt de wereld van het hier met het sacrale dat elke onmiddellijkheid overschrijdt. De inplanting van de axis mundi houdt de aanvaarding van een kosmisch of ordenend beginsel in dat met zijn herinnering aan de andere wereld de mensen erop wijst dat de wereld ook aan een ondoorgrondelijke dimensie is onderworpen - een orde die wij niet zo maar eigenmachtig kunnen en mogen manipuleren.

De moderne mens, die in de eerste plaats bij een kenbare en liefst maakbare wereld zweert, realiseert zich zelden dat hij, buiten zijn weten om, iets doet dat een archaïsche oorsprong heeft. De inplanting van het paaltje of zuiltje is dan eerder esthetisch dan religieus. Van een rituele inplanting heeft dit nog minder, want er gaan geen ceremonieën, gebeden of offers mee gepaard, waarop dan een heus feest volgt.

Nomaden, bijvoorbeeld de Australische Arunta-stam, de Achilpa, die van de ene nederzetting naar de andere trekken, dragen met veel ontzag de axis mundi met zich mee, tot ze tot een plek komen, die hen naar de tekenen goed lijkt. De wereldas wordt vervolgens op een rituele manier ingeplant, en het is bij dit heilige voorwerp dat de nomaden hun wereld inrichten. Gebeurt er echter iets met deze sacrale staf - wordt hij gebroken of gestolen - dan verkeert de gemeenschap in een toestand van disharmonie en verwarring, van panische angst en vrees voor vijandige krachten. Dan moet deze gemeenschap zich herstellen door ritueel, dus niet zonder offers en zuiveringsprocedures, een nieuwe axis mundi te construeren.

Het verticaal opgerichte voorwerp heeft in verschillende gemeenschappen een geheiligde tekenwaarde. Dit blijkt ondermeer in de torenbouw, bijvoorbeeld in het midden van het dorp, gemeente of stad. Wie dicht bij het belfort of bij de kerktoren woont, vertoeft nagenoeg in het centrum van het wereldgebeuren, is de horizon nabij van waaruit alle belangrijke oriëntaties werken. Wie een gebied verovert of een bergtop bereikt waar nog nooit iemand een voet heeft gezet, plant er een vlag; wie een bezet gebied herovert, vernietigt de vlaggenmast en vlag van de vijandige bezetter en vervangt deze door het eigen vaandel. Dit zijn één voor één handelingen, die we als symbolische, dus werkelijk verbindende, voorwaarden voor een zinvolle en geordende wereld opvatten, zonder dewelke we een vredige samenleving voor onhaalbaar houden. Bijgevolg is zo'n axis mundi oorspronkelijke architectuur. Dat wil zeggen de uitdrukking van een stichtend verhaal dat de mens eraan herinnert hoe hij in het alledaagse leven zin en bestemming gestalte geeft of vindt en hoe hij zich ten aanzien van zijn oorsprong en dood, de anderen en de goden, de dingen en de vreemde omgeving, het reine en het onreine, de vruchtbaarheid van de seizoenen en de eigen lustvolle vruchtbaarheid of seksualiteit dient te verhouden.

        Imago mundi

De vitalistische component is in de symbolische verbeelding van dit stichtend verhaal uitdrukkelijk aanwezig. Die manifesteert zich ondermeer in de verwantschap tussen de axis mundi en de stok waarmee de archaïsche mens door wrijving vuur maakt, en tussen deze vuurstok en de fallus als uitstaand en overstijgend symbool dat verwijst naar de transgressie, de overschrijding van het ene naar het andere niveau, van hier naar daar, van het zelf naar de andere, van man naar vrouw, van het nu naar het toekomstige, van het profane aardse naar het sacrale hogere. Dit alles is cultuur en drukt uit hoe de mens als homo faber het naakte bestaan tot een herbergzaam, toekomstgericht en tegelijk geborgen en veilig wonen omvormt. We overdrijven dus niet als we het inplanten van de axis mundi een oorspronkelijke architectonische handeling noemen, het eerste bouwen dat tegelijk het eerste inrichten betekent, omdat wij wonenden zijn.

Deze - in mythische zin - eerste handeling, vraagt onmiddellijk om een praktisch architectonisch antwoord: in de directe omgeving van wat we als het centrum stellen, bouwen we het huis of de woning die, zoals Emmanuel Levinas ons heeft verteld, in beginsel onthalend en bijgevolg vrouwelijk is. Op de mannelijke manifestatie (axis mundi, fallus) volgt het vrouwelijke antwoord in de wooninrichting met de warme economie van haard en oven, waar de maaltijden worden bereid en in het onthaal van het erotische en echtelijke bed waar het liefdesspel plaatsgrijpt en waar de kinderen worden verwekt en geboren. Zo'n huis is imago mundi, beeld van de wereld en van het wereldlijke gebeuren; daar ontdekt de gemeenschap haar vruchtbaarheid en historiciteit. In de huiselijk geïntegreerde seksuele omhelzing, in dit verlangen naar eenheid, stichten man en vrouw in hun samen-wonen het ordenende principe dat de zin voor maat belichaamt. Ze leggen aan de dingen, aan hun verhoudingen en aan hun ritme een norm op die de menselijke gestalte van de levensloop als voorbeeld heeft. Een architectuur, die zich aan deze oorspronkelijke zorg zou willen onttrekken, is dan ook een gedesincarneerde architectuur, die geen ruimte laat voor een samen-wonen, voor een verlangen naar gemeenschap met een historische bestemming, die we normaliter ervaren als de bepalingsgrond voor alle wonen en dus ook voor alle bouwen en inrichten.

Het gebruik van de drempel verdient hier aandacht, omdat het treffend de symboliek van de herbergzaamheid vertolkt. Voor architecten en bouwondernemers zijn drempels eerder meetbare referentiestenen dan symbolen met een verreikend associatieveld van betekenissen. Dat is begrijpelijk, want in hun specialisme zijn ze vaak in de eerste plaats op de meetbare materialen en op correcte uitvoering van bouwontwerpen gericht. Dat een drempel meer is dan een dorpel, die aan bepaalde fysieke voorwaarden moet voldoen, is niet hun eerste zorg. Toch is de dorpel – ook voor de architect of bouwondernemer - uiteindelijk méér dan een duidelijk afgemeten stuk arduin. Met dorpel bedoelen ze ook drempel en zodra ze dit bedoelen, valt die drempel nooit meer tot dorpel te herleiden. Voortaan zit de drempel als een architectonisch minimum vervlochten in het netwerk van symboliek van de drempelbetekenissen, zoals we die aantreffen in de metaforen 'drempelvrees' of 'drempelverlaging'.

Indien we nu in verband met deze betekenissen van de drempel alleen een psychologische barrière aanvoelen, dan is deze betekenis te negatief voor de verheldering van het fenomeen van de herbergzaamheid. Voltrekt immers de verwelkoming van een gast zich niet op de drempel van de woning? In het licht hiervan is de gastvrije drempel juist geen barrière, maar de uitnodiging om binnen te treden in een woning, die enkele ogenblikken voordien voor ons nog gesloten was. Door de deur open te houden, ons te begroeten, ons mee in huis binnen te leiden, wordt in de drempeloverschrijding een sfeer van gastvrijheid en herbergzaamheid gecreëerd. We worden aanvaard zoals we zijn en treden binnen in een ruimte, die de onze niet is (en nooit zal zijn), maar waarvan we dankbaar gebruik maken. Afstanden en verschillen worden niet opgeheven, maar in wederzijdse welwillendheid aanvaard en onderkend in de ontmoeting, die in het overschrijden van de drempel begint. Is de drempel daarentegen afwezig, staat de deur altijd open en is er onverschilligheid ten aanzien van al wie binnen- en buitenkomt, dan grijpen er ook geen ontmoetingen plaats, dan zijn er geen gast en gastheer/gastvrouw. Staan we zelf voor de drempel vóór de deur uitnodigend opengaat, dan leven we voor een ogenblik in het oponthoud. Dit is een moment van inkeer waarbij we ons op de begroeting voorbereiden en waarop we ons inpassen in de stemming van de huiselijkheid van de andere. Weten dat we zullen ontvangen worden en niet op de drempel zullen moeten blijven staan, stemt ons dankbaar en vreugdevol. Door behoedzaam met enigszins vertraagde pas binnen te schrijden in de intieme sfeer van de andere, en niet door binnen te stormen of brutaal binnen te dringen, participeren we aan het concrete leven van de andere en beleven we in de ontmoeting de gemeenschappelijkheid van het al genoemde geheim van de woning en van de herbergzaamheid.

        Tijd

Dit geheim erkennen we als norm voor de huiselijkheid. We kunnen dit de economische status van de woning noemen. We denken het economische in zijn oorspronkelijke betekenis: de regels van de huishouding, van de haard, de normen van een goed beheer in een goede gemeenschap. We denken hierbij onvermijdelijk aan de Griekse oikonomia en de oikouménè, die een bedrijvigheid voor de inrichting en de dagelijkse organisatie van maaltijden bereiden, algemene verzorging en warm onderkomen vooronderstellen.

Zij horen tot de convivialiteit en de herbergzaamheid en krijgen hun symbolische gestalte in het haardvuur, de centrale energiebron in een huis, waardoor het samen eten aan tafel en het genieten van een warm bed werkelijkheid kunnen worden. Zulk een economie creëert de huiselijke vrijheid, dat wil zeggen de tijd die we voor de bestemming van de huiselijkheid vrij maken. De etenstijd kan hier als voorbeeld gelden, want zij schept in beginsel ruimte waarin en waarvoor wij voor het andere dan voor de berekenende wereld van arbeid en werk beschikbaar zijn. In de huizen, waar de bewoners niet chaotisch op elk ogenblik van de dag waar en wat ook eten, is er een eetplaats en een etenstijd. De maaltijd, waarin we niet om het even wat en niet om het even hoe 'iets' naar binnen werken en tussen de kiezen malen, is een gestalte van een huiselijke levensstijl, waarvoor we tijd en behoedzaamheid opbrengen. Dit beschaafde met anderen aan tafel eten, raakt echter in onbruik wanneer we niet langer de tafel, maar de televisie centraal in de woonkamer plaatsen. In dit laatste geval scharen we ons niet rond elkaar, maar rond dit apparaat zonder aandacht voor de kwaliteit van spijs en wijn.

De warmte van het huis heeft te maken met de tijd van het wonen, met de rustige nabijheid, die onze relaties met de anderen via allerlei dingen kenmerkt. We moeten hier wellicht de notie sfeer of atmosfeer introduceren om te begrijpen dat het klimaat van de huiselijkheid de stemming is, waarin de samenwonenden en de bezoekers op elkaar betrokken zijn, gebruikmakend van dezelfde dingen die in het verlengde van onze lichamelijkheid functioneren, zonder dat dit een bijzondere inspanning vergt, die de stemming zelf in de marginaliteit zou drukken. Het klimaat van de huiselijke economie laat zich niet bepalen door de tijd die we op eten, bereiden of slapen uitsparen om die aan arbeid en werk te besteden, wel door de tijd, die we aan elkaar en aan de dingen wijden: het ontvangen van gasten, met hen van gedachten wisselen en de maaltijd delen. Er is geen huishouden meer wanneer de tijden, de gezette tijden, in onbruik raken en wanneer we vakantie moeten nemen om in Frankrijk of Italië nog eens heerlijk het bed te delen of om - zonder televisie in de buurt - wat langer dan een half uur aan tafel bij een Chambertin of een Pape Clément herinneringen op te halen of elkaar grappige verhaaltjes te vertellen.

        Herbergzaamheid

Als we de notie 'herbergzaamheid' ontdoen van de ermee te gemakkelijk geassocieerde ideeën van knusheid of haardvuursentimentaliteit, dan kunnen we haar begrijpen als een grondcategorie van ons geïncarneerde bestaan, als 'iets' waar we het sacrale kunnen ervaren, omdat zij de oikouménè, de beschaafde aarde, sticht en vormgeeft. In de woning hoort elke onthaalde nieuwkomer de verhalen van mens en wereld, verhalen die, als ze ook bij de dingen van leven en dood blijven stilstaan, zich bij de traditie van de spirituele aankleding van het naakte bestaan aansluiten. In die zin is elke woning het oord bij uitstek van de religieuze, politieke, erotische en ethische initiatie of inwijding. Het bed en de eettafel (met de implicatie van de warme keuken) zijn in dit opzicht de vruchtbaarste symbolen van de coëxistentie. Ze horen samen in de alledaagsheid van de huiselijkheid en geven gestalte aan het geheim van de herbergzaamheid.


Bekijk reactie(s) op dit artikel
Bekijk reacties


Jeugdpastorale Dagen 2000

Klik hier voor:

De Jeugdpastorale Dagen 2000 over 'Ruimte'

 


Reageren op bovenstaand artikel kan door onderstaand formulier in te vullen en op de knop verzenden te klikken.
Indien gewenst, wordt uw reactie anoniem op de website geplaatst (als u het vakje "Graag anoniem" aankruist). We vragen wel je bekend te maken aan de TGL-redactie door het vak "Naam" in te vullen.


Geef uw mening over dit artikel

Naam :

Graag anoniem

Emailadres :

Geef eventueel een titel aan uw reactie :

Tik hier de tekst van uw reactie :