UITVERKOOP VAN HET CHRISTENDOM

Kuitert over religie

(integrale versie)


IGNACE D'HERT 

Geef uw mening over dit artikel

Kuitert (Over religie. Aan de liefhebbers onder haar beoefenaars, Baarn, Ten Have, 2000) heeft gelijk. Er is veel in het christelijk geloof waarvan afscheid moet worden genomen. In één van de hem typerende uitspraken zegt hij het bij de voorstelling van zijn boek als volgt: "(De oudgedienden onder de liefhebbers van het geloof) probeer ik duidelijk te maken dat ze heel wat moeten afleren om niet, samen met wat ze een leven lang hebben aangeleerd, kopje onder te gaan". Zo'n opgave stelt evenwel een probleem, vermits veel gelovigen niet de vorming of de alertheid van geest hebben om dat onderscheid te kunnen maken. Ze hebben gewoon het gevoel dat het huis waarin ze vroeger als gelovige onderdak vonden, wordt afgebouwd. "Wat hebben ze ons niet allemaal wijsgemaakt!" Wat ze de laatste decennia meemaken lijkt op een aanhoudende uitverkoop. Om de haverklap is er één of ander geloofspunt dat er moet aan geloven, een dogma dat de geest geeft onder de druk van de tijdsgeest. Gesneuveld op het veld van de kritische bevraging. De oudgedienden onder de liefhebbers van het geloof staan er uitgeschut bij. Ze begrijpen niet wat er gebeurt, en waarom de kerkleiders altijd maar verdoezelend spreken en klaarblijkelijk niet in staat zijn klare wijn te schenken.

Het religieus bouwwerk voorbij

En hier is dan Kuitert. Verschillende boeken van zijn hand hebben reeds het nodige stof doen opwaaien omdat ze zo relativerend tegen de vertrouwde geloofsopvattingen aan gaan. Meestal weet hij daarmee in te spelen op een verbreid gevoel dat bij heel wat gelovigen leeft. Veel mensen herkennen zich in het lossen van die strakke denkbeelden die ze voor geloven hadden leren houden. Met zijn jongste boek is het opnieuw in de roos. Je voelt je meegezogen, want Kuitert kan het verkopen. Hij schrijft met de vlotheid van een romanschrijver. Ik kan me dus best indenken dat zijn boek verkoopt als zoete broodjes. En toch blijft de plot niet spannend ten einde toe. Naarmate je verder leest verliest zijn betoog aan overtuigingskracht. Wat niet betekent dat een aantal van zijn stellingen niet zeer inspirerend zijn.

Kuitert beweert dat er veel moet worden prijs gegeven. Ik treed hem bij maar vind tegelijk dat die uitspraak nuancering verdient. Gelovigen van oudere en middelbare leeftijd zijn nog opgegroeid met een geloofspakket van formules en geloofspunten dat een gesloten systeem vormde. Alles paste perfect in elkaar. Er kon aan geen enkel geloofspunt getwijfeld worden. De jongste jaren staat dat systeem steeds meer onder de druk van de rationele bevraging. Veel waarheden lijken slagen in de lucht, andere worden ingehaald door de nieuwe inzichten op wetenschappelijk vlak. Mensen zoeken zich te situeren binnen deze versnelde evolutie.

Nu blijkt pas goed dat veel mensen de dupe zijn geworden van het gesloten systeem van geloofsvoorstellingen dat een zelfstandig leven is gaan leiden, los van de geloofservaring waaruit het is ontstaan en waarvan de geloofspunten de expressie bedoelden te zijn. Het leeft nog steeds vooral bij de oudere generatie dat geloven betekent dat je instemt met een aantal geloofswaarheden. Daarmee beamen ze dat de werkelijkheid inderdaad in mekaar steekt zoals het in deze geloofsuitdrukkingen verwoord wordt. Jezus is de eniggeboren zoon van God, Hij is nedergedaald uit de hemel, gezonden door zijn vader, wij zijn door hem verlost, God bestaat uit drie personen, we komen later in de hemel waar we onze geliefden terugzien, enzovoort. Zo is het ons trouwens ook geleerd. Mensen hebben het uit het hoofd geleerd. Bij herhaling. Bovendien zijn deze geloofsformuleringen de verplichte manier van geloven geworden. In geen geval een zaak van vrije mening. Jezus is echt geboren uit een maagd!

Terug naar de levende ervaring

Wat blijkt nu echter? Hoe strakker men vasthoudt aan de formuleringen als zodanig, hoe duidelijker het wordt dat ze het stempel dragen van de tijd en de cultuur waarin ze zijn ontstaan, en hoe scherper aan het licht treedt dat ze niet langer relevant zijn voor mensen van deze tijd. Daardoor spreekt het geloof niet meer aan. Het wordt door steeds meer mensen steeds openlijker gezegd: geloven is gewoon niet meer zegbaar op die manier. Niet meer zoals het in de officiële liturgie van de zondagsviering voorzien is. Pastores die een liturgie willen verzorgen die enigszins menselijke taal gebruikt moeten zelf op zoek.

Bovendien: door zich vast te bijten in de formuleringen als zodanig, is men niet langer geboeid door de ervaringen die aan de grondslag liggen van deze formuleringen. Op die manier is geloven een kwestie van woorden geworden. En dat betekent uiteindelijk het einde. Zonder ervaring bloedt geloven dood.

In plaats van ons terug op het spoor te zetten van wat zich hier beneden afspeelt, in onze menselijke leefwereld, zijn de geloofsformuleringen een eigen wereld ginder boven gaan oproepen, naast die van onze dagelijkse ervaring. Een andere, aparte wereld waarin mensen voornamelijk troost en geborgenheid zochten en gebeurlijk ook vonden. Werden deze doorkruist door de feiten, dan was er de theologie om zich met die moeilijke problemen bezig te houden. Zij dient een min of meer aanvaardbare verklaring te bedenken waardoor die andere, aparte wereld toch overeind kon blijven. En je ziet: het werkt nog altijd. Althans tot op zekere hoogte. God als toevlucht voor de mens, die ieder van ons bij name kent, in de palm van wiens hand onze naam geschreven staat, en voor wiens oog niets verborgen blijft. Voeg daar Gods ondoorgrondelijkheid aan toe en heel veel problemen zijn opgelost. Achter die ondoorgrondelijkheid kan men zich altijd verschuilen. Zolang het uitzicht op die andere wereld maar bewaard blijft. Daar ligt namelijk onze uiteindelijke bestemming. Aan die andere wereld ontlenen we dan ook de hele zin van ons bestaan.

Kuitert heeft gelijk wanneer hij terug wil naar de levende ervaring. Zij is ten slotte de toetssteen van ons geloven. Daar is het allemaal om begonnen. Daar draait het ook vandaag nog om. En daar begint het nu zelfs voor "de oudgedienden onder de liefhebbers van het geloof" te nijpen. In toenemende mate laten ook zij het afweten. Zij nemen geen genoegen meer met een geloofstaal die helemaal ingebed ligt in de sfeer van de theologische discussies uit de vierde en vijfde eeuw en die destijds allicht emoties deden oplaaien die ons in elk geval compleet vreemd zijn. Die manier van spreken over God en Christus en de triniteit en de hemel raakt nergens meer aan onze ervaringswereld. Ondertussen blijven we echter als gelovige mensen in de kou staan. Want religie komt natuurlijk ergens vandaan. Het zijn waarachtig niet allemaal simpele geesten die er zich mee bezig houden.

Deze dubbele beweging maakt de structuur uit van het boek van Kuitert. In het eerste deel maken we een bevraging en een afbouwen mee van heel wat voorstellingen van vroeger, in het tweede deel het terug opbouwen van een gelovige houding die in deze tijd overeind blijft. Voor die heropbouw moeten we allicht meer krediet geven aan ons gevoel als zetel van religie. Het kerkelijk beleid staat argwanend tegenover beide bewegingen: zowel tegenover de kritisch rationele bevraging, als tegenover het religieus gemoed. De eerste beweging kan te veel ‘geloofsgoed’ onderuit halen, de tweede is te oncontroleerbaar.

Om te beginnen: ontmanteling

Met veel sympathie begin ik dus het eerste deel te lezen. Daarin voert Kuitert een proces van ‘ontmanteling’ door. Het is inderdaad goed even afstand te nemen van de geloofsformuleringen die ons zo vertrouwd zijn om terug voeling te krijgen met de ervaring waaruit ze zijn voortgekomen. Dat is ongetwijfeld een belangrijke oefening, om op die manier terug de humuslaag te ontdekken die het draagvlak vormt van de geloofshouding. Kuitert spant zich dus in om alle geloofsbegrippen en -voorstellingen te beschrijven vanuit het register van de menselijke ervaring ("we hebben immers niets anders" zou Kuitert allicht zeggen). Het betekent het slopen van het gebouw van de religie voor zover daarin gesproken wordt over zelfstandige entiteiten. We mogen niet vergeten dat al ons spreken zich ‘beneden’ situeert, ook wanneer we het hebben over ‘boven’ om een beeld van Kuitert te citeren. We hebben niet alleen geen inzage in ‘boven’, ‘boven’ is zelf een menselijke creatie. Ziet men het metaforisch karakter van ons spreken over het hoofd, dan krijgt men het gevoel te spreken over reëel bestaande zaken. En dan gaan we de mist in.

De ontmanteling die Kuitert doorvoert gaat niet zomaar over enkele bijkomstigheden. Het gaat over God als ‘iemand’, als ‘persoon’. Kuitert roept de ontstaansgeschiedenis van de godsnaam in herinnering. In de presentatie van zijn boek zegt hij het als volgt: "(Want) hoe komen we daar toch aan, aan God als een persoon? Van huis uit is God (namelijk) soortnaam, ver voordat de bijbel er was, hadden mensen al goden, een heel pantheon van goden, voorgesteld als uitvergrote mensen, waarvan er uiteindelijk, lezen we in de bijbel, een overblijft. Van soortnaam werd God zodoende eigennaam, zo spreken mensen tot op vandaag erover. Maar hij draagt nog steeds de trekken mee van zijn herkomst uit het pantheon: een mensvormige persoon." Zo kom je met een God die er erg persoon-achtig uit ziet, een voorstelling die meer problemen oproept dan ze oplost. Maar vooral: die God is menselijke schepping. Daar moeten we van af. Alle geloofsvoorstellingen moeten geproefd worden vanuit de menselijke ervaring die er aan ten grondslag ligt.

De gedachtenlijn die Kuitert volgt klinkt heel begrijpelijk. Alleen: het gaat net iets te vlot. Ik stem nochtans van harte in met de gereserveerdheid die hij bepleit in de religieuze beleving. Ik maak me ook lastig wanneer zo probleemloos en met veel stelligheid gesproken wordt over en gebeden wordt tot "God de Here" zoals dat niet zelden in EO-achtige toestanden gebeurt. Ik heb ook moeite met de revival van een soort van charismatische groepen waar men het opnieuw helemaal moet hebben van het kinderlijke vertrouwen dat niet al te veel vragen stelt. Eenvoud die niet tegelijk werk maakt van mondigheid verdient het niet aangemoedigd te worden. Vroomheid die geen recht doet aan het leed waarin mensen belanden, en waarbij elk vroom woord te veel is, bevestigt alleen maar haar wereldvreemdheid. In die zin vind ik de ontmanteling die Kuitert doorvoert een goede oefening. Het confronteert met een fundamentele vraag naar de persoonlijke invulling van je godsbegrip. Dat is altijd een heilzame oefening om niet te vervallen in een al te gemakkelijk en te banaal geloof.

Vervolgens: terugvinden

En toch. De snelvaart waarmee Kuuitert zijn betoog voert heeft voor gevolg dat hij een hele resem problemen enkel maar en passant kan vermelden, zich telkens excuserend "er hier niet te kunnen op in gaan". Dat roept bedenkingen op. Omdat het om meer gaat dan gebrek aan ruimte. Vooral in het tweede deel krijg je het gevoel dat hij nauwelijks moeite doet om proberen te achterhalen wat er dan bij bepaalde voorstellingen toch nog als beleving op de achtergrond staat.

Er zit nochtans muziek in zoals hij zijn tweede deel begint. Er is een grootscheeps zoeken gaande naar spiritualiteit en zingeving. De vele vormen die mensen uitproberen in het zoeken naar iets diepers of hogers, geven te kennen hoe belangrijk ervaring is in deze zoektocht. Het gevoel opgenomen te zijn in iets groots, een (ongewoon) gesprek te kunnen voeren met God, je één te weten met de natuur, door meditatie diepere lagen in je persoon naar boven kunnen halen, enz. het is maar een kleine greep uit de vele vormen die mensen aanspreken in hun exploratietocht van de geestelijke wereld. Ook de binnenkerkelijke groepen en bewegingen waar mensen elkaar vinden om samen hun geloof te delen en aan elkaar te toetsen zijn afgestapt van een saai theoretisch geloof en moeten het hebben van levensechtheid en levende ervaring. Gelijk heeft Kuitert, zonder ervaring vaart geen geloof wel.

Kuitert zoekt een aanknopingspunt voor de religieuze beleving in het gevoel van afhankelijkheid. Hij haalt inspiratie bij F. Schleiermacher met zijn gevoel van radikale afhankelijkheid. Kuitert verwijst naar deze term om de religieuze oerervaring op te roepen. Dit gevoel staat weliswaar haaks op de dominante tendens van onze cultuur, tegelijk dringt het zich gaandeweg sterker op bij mensen die juist in deze cultuur van maken en breken, gevoelig zijn voor de ontvangende kant van ons menszijn. Menszijn is niet alleen sturen, plannen en organiseren, bestuderen en macht verwerven. Het is evenzeer vinden en krijgen, gezien en gevraagd worden, vriendschap en genegenheid ontvangen. Het leven overvalt je met alle ambivalenties die het eigen zijn.

In deze sfeer treffen we ook de grensvragen aan waar mensen tegen aan stoten. "We willen graag leven en niet doodgaan, gelukkig zijn en niet lijden, een antwoord hebben op 'waar blijven wij?' als we doodgaan, een beetje zekerheid meekrijgen in de chaos die wij het leven noemen, succes hebben in zaken en in de liefde, en op gezette tijden nog in de sport, enzovoorts." Kuitert onderkent deze vragen en hij heeft er niets op tegen dat religie zich daar mee bezig houdt. Alleen is dat voor hem niet het belangrijkste waaraan religie zich dient te wijden. In essentie komt religie voort uit het zich aangesproken voelen, en wel door mensen die behoefte aan ons hebben. Dat is voor Kuitert het wezenlijke van religie. De rest mag er allemaal bij, maar heeft meer te maken met inspelen op menselijke behoeften en verlangens. Het is allemaal ‘toegift’. En kerken kunnen daar gerust op inspelen. Het is trouwens vooral op deze punten dat de vraag van mensen aan de kerken zich situeert. Kerk als ‘facilitair bedrijf’, zoals Kuitert haar noemt, waar men heel veel zaken in huis heeft die mensen bevallen wanneer ze het nodig hebben. Een soort consumentenzaak.

Slachtoffer van zijn eigen beeldspraak

Op dit punt aangekomen maakt Kuitert een merkwaardige denkkronkel. Enerzijds spant hij zich in om God buiten zijn discours te houden. Als strategie kan ik dat volgen. Men zou er een houding van schroom in kunnen onderkennen die men in de kerken niet altijd heeft weten vol te houden. Hij wil klaarbijkelijk elk begrip vermijden waardoor we terug in die verdubbeling van de werkelijkheid zouden terechtkomen. En dat is lovenswaardig. Maar hij ontkomt niet aan het erkennen van een zekere spanning die vanuit de werkelijkheid zelf opduikt. De werkelijkheid zit zelf vol dubbelzinnigheden. Er is de macht die mensen kan maken of breken. Kuitert houdt het dan maar bij deze terminologie die hij dan toch met een hoofdletter bedenkt: Macht.

Vervolgens wordt hij echter toch op sleeptouw genomen door zijn eigen beeldspraak. Want het heet dat die Macht waarvan we afhankelijk zijn in het jodendom en het christendom het woord neemt! Daarmee zitten we opnieuw volop in de gevarenzone die Kuitert wilde vermijden! Hij sluist zelfs het begrip Schepper binnen. Als er één begrip is waarmee hij dreigt misverstanden in het leven te roepen en een andere wereld te suggereren dan wel Schepper. Hier merk je echter hoe onontkoombaar het is. Zodra je de werkelijkheid waarin we staan een bepaalde kwaliteit toekent, kun je niet anders dan je uitdrukken in metaforen. En die sluiten onvermijdelijk het gevaar in letterlijk genomen te worden.

In plaats van een zo radicale schoonmaak als Kuitert voorstaat, voel ik meer voor een ‘tweede naïviteit’ zoals o.a. door Edward Schillebeeckx is voorgesteld. Het is inderdaad nodig afstand te nemen van het geloof als gesloten systeem en zich bewust te blijven van het metaforisch spreken in geloofszaken. Ik neem ook graag aan dat het gevaar dat hierin schuilt inherent is aan de geloofstaal, en dat dus telkens opnieuw de afstand moet worden opgeroepen tussen de metafoor en de werkelijkheid die het bedoelt te evoceren. Maar waar mensen zich bewust zijn van deze spanning - en van de afstand - kunnen ze in een zogeheten ‘tweede naïviteit’ opnieuw de beelden in hun zeggingskracht herstellen. Waar dit niet gebeurt veroordeelt men zichzelf tot een plat beschrijvende taal. En daar komt niemand mee uit. Ook Kuitert moet op zijn beurt beroep doen op een beeldende taal. Dat blijkt heel duidelijk uit zijn binnen halen van Schepper en Woord. Zelf benadrukt hij dat ervaring altijd slaat op een ‘buiten’, maar waar die ervaring in taal gebracht wordt noemt hij haar "geloofsexpressie, pure subjectiviteit" (p. 158). Daar mag toch aan toegevoegd worden (of verondersteld worden): van een ervaring van werkelijkheid toch ?

Stof voor het herexamen

Enkele zaken heb ik toch wel gemist. Ik noem in eerste instantie de kerk. Begrepen als Jezusbeweging. Ik proef heel weinig van de gedeelde bezieling waarmee mensen elkaar kunnen aansteken vanuit samen vieren en rouwen, dromen en treuren. Ik hoor zo weinig echo's van de levenwekkende kracht die mensen met elkaar delen wanneer ze vertellen hoe ze pogen trouw te blijven aan de droom van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want ik zie ze toch telkens weer samenkomen, elkaar opzoeken, samen verantwoordelijkheden opnemen. Ik besef heel goed dat de kerk als een soort supermarkt voor allerlei religieuze behoeften bestààt. Maar er zijn ook beklijvende ervaringen van waarachtige broeder- en zusterschap zowel in het onderling delen binnen de Jezusbeweging als in de inzet die mensen samen opnemen naar buiten toe.

Over de relatie tussen religie en cultuur (hoofdstuk XXII) vind ik Kuitert toch wel erg vluchtig. Het is natuurlijk toe te juichen wanneer religie een positieve bijdrage levert in de humanisering van de cultuur. Dat kan ook gezegd worden van bepaalde functies die in het verleden door de kerken werden ter harte genomen en die thans in wereldlijk beheer zijn overgegaan. Maar van iemand als Kuitert mag toch wel verwacht worden dat hij een bijzondere alertheid zou bewaard hebben in deze materie, gezien de controverse die zich in het begin van deze eeuw in de protestantse theologie heeft afgespeeld. Het was toch de liberale theologie (met o.a. Adolf von Harnack) die destijds een harmonisch samengaan bepleitte van troon en altaar wat uiteindelijk leidde tot een ondersteunen van de oorlogspolitiek van keizer Wilhelm onder meer door de vooraanstaande theologen van die dagen. Een stellingname die bij in bepaalde kringen, waartoe o.a. Karl Barth behoorde, heel wat consternatie veroorzaakte, en die aanleiding werd voor de uitgesproken stelling van K. Barth. Deze werpt zich op als een profeet die het respect voor het woord van God wil inscherpen, dat zich niet zomaar laat inpassen in onze culturele projecten van vooruitgang. Beide posities stonden zo diametraal tegenover elkaar, dat de thematiek sindsdien van verschillende kanten bekeken is geworden en geleid heeft tot een meer genuanceerd standpunt dan hetgeen Kuitert voorstaat.

Ten slotte lijkt me het omschrijven van het christelijk religieus project in de zin zoals Kuitert het opvat, best buiten Jezus om te kunnen. In de samenvatting komt dat nog het best tot uiting. "Zich aangesproken voelen door de behoeftige, en daarin de Schepper en Zijn gewicht ervaren, als kern van religie; het is ook de kern van dit boek. Dat 'zich aangesproken voelen' is verantwoordelijk voor het christelijke Godsbeeld als de God van het Woord, dat macht krijgt over de mens." (p. 310) Dat kan best zonder een beroep op Jezus van Nazaret, beleden als de Christus.

En nog een detail: het ontologisch godsbewijs is voor zover ik me kan herinneren niet van Thomas van Aquino maar van Anselmus van Canterbury. Tot tweemaal toe schrijft Kuitert de bekende formulerling qoud maius cogitari non potest ("waarboven niets groters kan gedacht worden") toe aan Thomas (p. 163 en p. 165). Toch wat vlug geschreven?


Bekijk reactie(s) op dit artikel
Bekijk reacties


Reageren op bovenstaand artikel kan door onderstaand formulier in te vullen en op de knop verzenden te klikken.
Indien gewenst, wordt uw reactie anoniem op de website geplaatst (als u het vakje "Graag anoniem" aankruist). We vragen wel je bekend te maken aan de TGL-redactie door het vak "Naam" in te vullen.


Geef uw mening over dit artikel

Naam :

Graag anoniem

Emailadres :

Geef eventueel een titel aan uw reactie :

Tik hier de tekst van uw reactie :