GODSDIENST IS MEER DAN MENSENWERK

De voortdurende crisis van de kerk

(integrale versie)


CHRISTOPHE BRABANT 

Geef uw mening over dit artikel

Zoals vele instellingen vandaag verkeert ook de kerk in West-Europa in crisis. Deze crisis wordt duidelijk in vele kleine fenomenen, zoals bijvoorbeeld Rent-a-Priest (RaP). Wie crisis zegt, zegt onderscheiding, want het woord crisis houdt etymologisch verband met onderscheiden. Vaak gaat een crisis ook gepaard met bewustwording, verdieping enz.

Rent-a-Priest

De crisis is het moment waarop het oude en vertrouwde in vraag gesteld wordt en waarin duidelijk moet worden wat van het oude vruchtbaar is om mee te dragen naar een nieuwe tijd. En om een adequaat antwoord te kunnen bieden, moeten we ons verdiepen in wat was, wat is en wat kan komen. Onderscheiding veronderstelt kennis. Het oog van een antiquair weet welke oude spullen waardevol zijn en welke waardeloos. Het verder doorgeven van het geloofsverhaal veronderstelt kennis van de geloofstraditie. En dat dit onderscheidingsproces gepaard gaat met meningsverschillen, breuken enz. is niet zo vreemd. Het fenomeen RaP, dat recentelijk nogal veel media-aandacht kreeg, is daar een voorbeeld van, zoals er in de samenleving wel meerdere voorbeelden aanwezig zijn. Als fenomeen legt RaP dan ook een aantal pijnpunten bloot binnen de kerk. De kerk kan er haar voordeel bij doen door er iets uit te leren.

Zo is één van de punten van kritiek aan het adres van de rooms-katholieke kerk dat er geen gesprek mogelijk is over de toelatingsvoorwaarden tot het priesterambt. Het is inderdaad een feit dat er over dit onderwerp op dit ogenblik geen dialoog mogelijk is die iets in beweging kan zetten. Nochtans noopt de situatie in West-Europa tot een ernstige reflectie op dit vlak. Want hoe kan het dat doop- en huwelijksvieringen van RaP als erkende sacramenten toch in de kerkelijke registers terechtkomen, terwijl rituelen en vieringen van leken die werkzaam zijn binnen de kerkelijke structuren niet erkend worden? Meerdere leken klagen de situatie aan dat ze werken in de grijze zone waar een viering als sacrament ervaren wordt, maar het daarom niet als dusdanig door de kerk erkend wordt. Sommige jonge priesters verlaten de kerk omdat ze niet meer bereid zijn celibatair te leven. Zou een gehuwde man of vrouw dan geen goede voorganger zijn? Wat primeert uiteindelijk: het recht van de gemeenschap op een eucharistieviering of de regel dat eucharistievieringen moeten voorgegaan worden door een gewijde, celibataire man? Deze vragen en moeilijkheden verdienen een grondige reflectie.

Traditie en ervaring

De hedendaagse samenleving daagt de kerk uit om in de spanning te gaan staan tussen traditie en ervaring. Uiteindelijk gaat het er in de onderscheiding telkens om een evenwicht te vinden tussen traditie en ervaring. Meerdere bewegingen oefenen zich in het evenwicht tussen beide. Een beweging als bijvoorbeeld RaP gaat heel ver mee in de vraag van mensen en legt daarmee de klemtoon sterk op de ervaring. Een bezoekje aan hun website leert dat ze inspelen op wat "u wenst". Het gevaar is dat zingeving op de maat van mensen wordt gesneden. In dit geval worden de praktijk en de vragen van mensen tot norm verheven. Lopen we dan niet het risico de middelmaat tot norm te verheffen? Reikt de zin die het christelijk ritueel aanreikt niet altijd boven de ervaring van mensen uit?

Dat meerdere mensen zich met de spanning tussen ervaring en traditie geconfronteerd weten, blijkt uit de neerslag van een reflectie die gebeurd is op de O.-.L.-Vrouwparochie in Herent. In haar artikel wijst Renilde Vos op de samenhang tussen de veranderde wereld en de veranderende geloofsbeleving. Centraal in haar beschouwingen staat de realiteit dat de kerk zich geconfronteerd weet met sterk kerkbetrokken mensen die op haar een beroep doen, alsook met ‘seizoenchristenen’. Zij schetst daarbij een viertal denkpistes hoe met de veranderingen omgegaan kan worden. De eerste twee denkpistes zijn samen te vatten als pragmatisch-passieve oplossingen. Het probleem van de mensen die in de kerk komen ‘shoppen’ en van de servicepastoraal gebruik maken, zal zich op termijn uiteindelijk zelf oplossen. Een andere mogelijke pragmatische benadering is alles bij het oude te laten vanuit de overweging dat we nu nog niet op een gepaste wijze op de tekenen des tijds kunnen reageren. Dergelijke reacties komen mijn inziens iets te fatalistisch over. Een derde alternatief is eerder een actief-pragmatische poging om daaraan tegemoet te komen door een onderscheid aan te brengen tussen rituelen en sacramenten. Het probleem dat hier rijst is de vraag naar een goed criterium om een onderscheid te maken tussen de groepen aan wie rituelen en sacramenten aangeboden zal worden. Een vierde en laatste denkpiste is een catechetische benadering die zich toespitst op een vernieuwde catechetische aanpak met veel aandacht voor het leven als vertrekpunt.

De schets van Vos is een pastorale analyse en vertrekt van de concrete realiteit binnen een parochie. De aandacht blijft daardoor hoofdzakelijk staan bij de concrete pastorale ervaring van mensen. Haar invalshoek is liturgisch-pastoraal. Met mijn bijdrage probeer ik een ander theologisch aspect voor het voetlicht te brengen, namelijk de waarheidstraditie. Sacramenten horen thuis in een verhaaltraditie en hebben dus ook een theologische betekenis. Ze krijgen hun betekenis dus niet alleen vanuit de ervaring van mensen, alhoewel ze daarin hun wortels hebben.

In het christendom vinden we telkens de ontmoeting terug tussen ervaring, leven, context enerzijds en traditie, openbaring, woord anderzijds. Wanneer teveel nadruk gelegd wordt op de overlevering waardoor er voor de ervaring geen plaats meer is, dan kan het leven zich niet in een dergelijke geloofsbeleving herkennen. Wanneer daarentegen teveel nadruk gelegd wordt op de begrijpelijkheid en herkenbaarheid van het ritueel dreigt het zijn verwijzende functie naar het andere dan onszelf te verliezen. Een christelijk ritueel, een sacrament, is namelijk altijd meer dan een louter intermenselijk gebeuren.

Herkenning en confrontatie

Om sacramenten te duiden, wordt nogal eens vertrokken van het leven en de ervaringen van mensen. Daarbij wordt vaak vergeten dat liturgie een zekere spanning kent tussen wat we van ons dagelijks bestaan erin herkennen en datgene wat dit onderbreekt. Deze onderbreking heeft haar eigen betekenis. Liturgie mag niet zo vreemd zijn dat mensen zich er niet meer in herkennen, maar anderzijds mag liturgie ook niet zo banaal worden dat er geen enkele onderbreking van het dagdagelijkse meer is. De eucharistie heeft een maaltijdkarakter. Er wordt gegeten en gedronken. Maar het is een symbolische maaltijd, want het is niet de bedoeling dat iedereen voldaan is zoals dit het geval is na een bezoek aan een restaurant. Het symbolisch karakter zorgt voor een onderbreking van de gewone beleving. Het sacrament uit het leven willen afleiden dreigt de openbaring te reduceren tot het louter menselijke. De zorg voor de herkenbaarheid vanuit het leven van mensen is authentiek. Maar herkenbaarheid is niet het enige dat een sacrament of een ritueel bepaalt. Waar een teveel is aan herkenning, gaat de zin voor het mysterie verloren. Herkenning en confrontatie moeten in een ritueel kunnen samengaan.

In de pastoraal wordt gezocht naar manieren om vieringen en rituelen op zo’n manier vorm te geven dat ze mensen aanspreken en zij er zich in kunnen herkennen. De mens functioneert als maat voor het ritueel daar de richting van de aanpassing van het ritueel de mens is. "Liturgie moet herkenbaar zijn… liturgie moet aansluiten bij het leven…" zijn woorden die in discussies over rituelen en sacramenten niet uit de lucht zijn. Het ritueel mag inderdaad niet zo levensvreemd worden dat de mens er zich niet meer in kan herkennen. Maar daarbij wordt vergeten dat geloven een proces is van vertrouwd worden met verhalen en praktijken uit de christelijke godsdienst. De omgekeerde vraag, of mensen voldoende moeite doen om in de dynamiek van het sacramenteel gebeuren te komen, laat zich veel minder horen. De afwezigheid van een dergelijke vraag hangt samen met een toegenomen ego-centrisme. Ingroeien in een traditie is immers een vorm van relativering van het zelf. In een traditie gaan staan is zich stellen onder een ideaal en onder een groter verhaal. De confrontatie ermee vormt een bevraging voor het individu en het in vraag gesteld worden is niet altijd een prettige ervaring. Het vertrouwd raken met de geloofstraditie veronderstelt een vorm van catechese die in de huidige samenleving meer en meer gaat ontbreken. Heel wat mensen komen zo in contact met rituelen zonder dat er een proces van ingroei in de godsdienst heeft plaatsgevonden. Uiteraard komt voor hen het ritueel zoals het bestaat nogal vreemd over.

Méér dan ‘mijn’ ritueel

De vreemdheid van het ritueel verwijst naar de theo-logische dimensie ervan. Christelijke sacramenten hebben niet alleen de bedoeling om iets over het leven van mensen te zeggen, maar willen ook iets over God duidelijk maken. Tegenover de opvatting van de mensen die hun reflectie over sacramenten en rituelen laat aanvangen bij het leven en de ervaring van mensen staat de opvatting van kardinaal Danneels die stelt dat de theologische en pastorale reflectie over sacramenten en hun crisis moet starten bij het godsbesef. Dit is uiteindelijk een heel andere invalshoek dan vertrekken bij het leven van mensen. Een dergelijke benadering zomaar van de tafel vegen, zou al even onverstandig zijn als stellen dat het denken over rituelen en sacramenten zich niet moet inlaten met het leven van mensen.

Sacramenten denken als rituelen waarin de mens het leven herkent, als verdichtingsmomenten op de weg van het leven… is sacramenten belichten vanuit hun tekenaspect. Een teken wordt gekenmerkt door zijn verwijzingskarakter. Als ritueel verwijst het sacrament vanuit het leven naar God. De kerkelijke traditie daarentegen heeft niet opgehouden om ook op het daadkarakter van het sacrament te wijzen. De kerk houdt eraan vast om sacramenten te zien als de voortzetting van de heilsdaden van Christus. Ze beweert dat sacramenten meer zijn dan tekenen omdat God in het sacrament iets doet, namelijk aanwezig komen als heilvolle werkelijkheid. Dit is op zich een sterke theologische uitdaging aan het adres van de hedendaagse mens. Deze uitdaging raakt de kern van het christelijk geloof: geloof ik in een transcendente persoonlijke God die zich laat ontmoeten? Het christelijk sacrament is dus niet ‘mijn’ ritueel. Het is een gebeuren dat verwijst naar een Ander die aan de oorsprong van het sacrament staat. Het mee voltrekken van een sacrament is dan ook binnentreden in het gebeuren van die Ander waarin voor ons een plaats voorzien is. De sacramenten behoren tot de kern van katholieke traditie, die een openbaringstraditie is, wat impliceert dat het geen natuurlijke godsdienst is.

Van godswege

In tegenstelling tot de eerste eeuwen van onze tijdrekening heeft onze tijd het moeilijk met het goddelijke en om dat te denken. De christenen in de eerste eeuwen hadden eerder moeilijkheden om recht te doen aan de menselijkheid van Christus. In onze postmoderne samenleving hebben we het eerder moeilijk om in Jezus méér te zien dan een ‘goed mens’. Daarmee dreigen we onrecht te doen aan het openbaringskarakter van het christendom. De christelijke traditie belijdt dat Christus God is, niet omdat hij een soort super-mens was, maar omdat God in Jezus mens geworden is. De beweging in Jezus is in de eerste plaats een beweging van God naar de mensen toe. Eenzelfde moeilijkheid om in Jezus God te herkennen vinden we ook terug in de moeite die mensen hebben om te geloven dat God in de sacramenten aanwezig komt.

Sacramenten beperken tot hun tekenwaarde is stellen dat hun betekenis afhangt van onze intentie. De theologische traditie heeft altijd geweigerd om Gods aanwezigheid te laten afhangen van menselijk initiatief en stelt daarom ook dat een sacrament meer is dan een teken. Zo ook laat de kerk het priester-zijn niet afhangen van de ervaring dat mensen je tot priester maken. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld RaP. De betekenis en de werkzaamheid van het sacrament louter laten afhangen van de ervaring van mensen haalt er juist de theologische angel uit. Sacramenten bepalen als heilsdaad van God is precies de klemtoon leggen op het feit dat het niet alleen mensenwerk is, maar wat daar gebeurt ook een actie (daad) is van godswege. Voor de hedendaagse mens is die bewering een grote uitdaging, precies omdat ze de sprong van het geloof veronderstelt. Geloven is niet blijven staan bij het teken dat de zichtbaarheid mij aanreikt. In de uitdaging om te geloven dat godsdienst meer is dan mensenwerk wordt de mens voor de geloofskeuze geplaatst.

De christelijke godsdienst valt dus nooit zomaar samen met de vraag van mensen omdat daarmee elke onderbreking die de transcendentie symboliseert, uitgeschakeld wordt. In dit opzicht zal de rooms-katholieke kerk zich nooit totaal conformeren met de vraag van mensen omdat ze de zorg draagt voor een openbaringstraditie waarin ze het Woord koestert dat haar toegesproken is. In de godsdienst wordt het verlangen van het individu op God als de Ander betrokken, waardoor dat verlangen ook ver-andert. Diezelfde spanning tussen ervaring van mensen en de confrontatie met het geloofsverhaal herkennen we op meerdere domeinen. Binnen en buiten de kerk dienen zich allerlei vormen aan om met die spanning om te gaan.

Het alternatief dat bijvoorbeeld RaP wil zijn is in hoofdzaak een pastoraal-liturgisch initiatief dat gegroeid is vanuit een aantal negatieve ervaringen met het kerkelijk instituut. De contrastervaring van enkele door het kerkelijk instituut gekwetsten heeft hen geïnspireerd tot het opzetten van een eigen beweging met vieringen die de ervaring van mensen centraal stellen. Sommige van hun kritieken mogen dan al terecht zijn, door alleen op het negatieve te focussen doen ze de werkelijkheid onrecht aan en maken ze van de kerk een karikatuur. Wanneer de vraag gesteld wordt naar de waarde van een dergelijk initiatief kan gezien worden naar wat de aanhangers van RaP uiteindelijk verenigt. Gaat het om een authentieke inspiratie die wil terugkeren naar de radicaliteit van het evangelie of blijven ze steken in een afkeer tegen een nogal karikaturaal kerkbeeld? De vraag is of RaP veel meer is dan een alternatief voor een viering of een gepersonaliseerd ritueel. Biedt RaP meer dan een rituele vormgeving van de persoonlijke ervaringen?

Levende gemeenschap

De aandacht voor het religieuze in onze samenleving toont weliswaar dat mensen op zoek zijn naar zingeving en dat het om een persoonlijke zin gaat die begrijpelijk en herkenbaar is. Het zelf komt centraal te staan in de zingeving. Echter, het uitvlakken van alles wat die eigen zingeving onderbreekt, is de christelijke godsdienst herleiden tot het spel van vraag en aanbod. Onze samenleving, die gekenmerkt wordt door een toenemend individualisme en de daarmee gepaard gaande klemtoon op de eigen zingeving, vergeet soms dat het in het christelijk geloof ook gaat om het ontvangen van zin. Uiteraard moet de zin van het christelijk geloof persoonlijk en herkenbaar worden. Zin moet enigszins aansluiten bij het leven van mensen. Maar het gelovig worden, is ook een proces van binnenkomen in een milieu waar de persoonlijke zin gericht wordt op een zin die het persoonlijke overstijgt. Vóór God "mijn God" wordt, is Hij uiteindelijk de God van alle mensen. De christengelovige belijdt dan ook dat hij de zin van zijn leven uiteindelijk niet louter zelf sticht. Niemand leeft voor zichzelf (Romeinen 14,7). De zin die mijn eigen project niet relativeert en relateert aan de a/Ander is een vorm van narcisme. We zijn als christenen mede-scheppers van een gebeuren dat ons tegelijk overstijgt. Dus ook in dit geval gaan herkenning en onderbreking samen.

Is de mens dan niet de kroon op de schepping? Staat de mens dan niet centraal in het christelijk zinuniversum? Ja en nee. Spreken en denken binnen deze wereld gaan inderdaad van de mens uit. De scheppingstheologie beweert echter dat het centraal staan van de mens een positie is die hij ontvangen heeft. Spreken over de mens die centraal staat binnen de schepping, is reeds verwijzen naar een Schepper die de mens te boven gaat. Dit impliceert dat er een instantie is die ons centraal doet staan, maar ons tegelijk decentreert. Dit wordt ook duidelijk in de liturgie wanneer het Onze Vader gebeden wordt. Daarin bidden we niet opdat ‘onze wil geschiede’, maar dat Zijn wil moge geschieden.

De kerk beperkt zich dus niet tot het aanbieden van diensten op vraag van mensen, maar betrekt op die manier de vraag van mensen op het mysterie dat hen uitnodigt om te ontdekken dat God Liefde is en dat Hij met ons dagelijks bestaan te maken heeft, ook al slaagt ze daarin niet altijd even goed. Als kerkgemeenschap verbindt het instituut ons met mensen die het geloof in Christus delen over grenzen van landen, continenten en tijd heen. Zo wordt duidelijk hoe belangrijk de gemeenschapsvorming is voor de kerk. Een levende gemeenschap bestaat idealiter niet alleen uit mensen die langskomen wanneer de vraag naar zingevingsmomenten zich aandient in hun leven. Een gemeenschap kunnen we vergelijken met een planetenstelsel waarbij er altijd mensen zullen zijn die er van veraf en dichtbij bij betrokken zijn. Maar een minimale betrokkenheid is onontbeerlijk. Een gemeenschap kan nooit louter gebouwd zijn op mensen die langskomen als kometen wanneer het past dat de kerk haar zinverlenende functie verricht. De rooms-katholieke kerk moet daarom beseffen dat haar rijkdom niet bestaat uit de vele kerkgebouwen waarover ze beschikt, maar uit de gemeenschappen die het levend hart vormen van deze kerken. Daarom is het belangrijk om mensen kansen te geven en het enthousiasme van vrijwilligers en andere medewerkers te bevestigen.

Pastorale consequenties

De facto zien we dat inderdaad veel mensen naar de kerk komen als het hen past en van haar verwachten dat ze haar zinverlenende functie verricht. Met tal van sacramenten, zoals bijvoorbeeld het vormsel of het huwelijk, zien we het gebeuren dat mensen erom vragen. Ze maken er een feestelijk gebeuren van alsof ze duidelijk willen maken dat het om iets belangrijks gaat. Maar een aantal onder hen koppelen het sacrament los van het geloofsleven, alsof dit er niet toe doet. De vraag is of de kerk zich verder op die manier moet laten ‘gebruiken’. Helpt de kerk mensen op die manier niet een huichelachtige houding in stand te houden door te functioneren als een algemeen zinverlenende instantie?

Wanneer de kerk haar zinverlenende functie op zich neemt, dan mag ze ook van mensen een zekere betrokkenheid verwachten. Daartegenover staat dat de kerk mensen misschien meer dan vroeger de kans moet bieden tot een vorm van ingroeien in de traditie (via ernstige catechese) en dat ook mag verwachten. Meer en meer evolueren we in de richting van een samenleving waar voorkennis van de christelijke traditie geen evidentie meer is. In de geschiedenis van de kerk zien we meerdere voorbeelden van het feit dat sacramenten pas toegediend werden aan het eind van een lange catechetische weg. Sommige parochies of federaties zijn reeds met een dergelijk initiatief gestart.

Een dergelijk pastoraal principe lijkt mij zinvol daar het de mogelijkheid biedt om aan te sluiten bij de ervaring van mensen en waar die zich bevinden in hun leven. Maar men blijft niet bij de ervaring van mensen stilstaan, want ze worden uitgedaagd. Er wordt de mens immers een waarheid aangereikt, want geloven in christelijke zin bestaat er precies in verder te gaan dan de ervaring van mensen. Vanuit de ervaring van mensen zouden we God niet kennen zoals we Hem kennen. Het christendom houdt vast aan de waarheid dat God zich liefdevol heeft laten kennen in een openbaring die de menswording is.

Voort-durende crisis

In dit opzicht komt het erop aan om de ervaring en de overlevering die ik hierboven summier uiteengelegd heb, bijeen te houden in een spanningsverhouding. Het gaat om een paradoxale verhouding die reeds in het evangelie zelf aanwezig is. Het evangelie heeft het over een wet ("… bemin uw naaste als uzelf…", Lucas 10,27) en over volmaaktheid ("Wees volmaakt zoals uw Vader in de hemel volmaakt is", Matteüs 5,48). Op die manier worden we een groot ideaal voorgehouden. Anderzijds spreekt het evangelie over barmhartigheid (Lucas 15,11-32 & Johannes 8,1-11). In die paradoxaliteit blijven staan tussen ideaal en realiteit, tussen ervaring en traditie, zonder één van beide los te laten, dat maakt wezenlijk deel uit van het christen-zijn.

Diezelfde spanning houdt de kerk uit in de spanning tussen wat reeds gerealiseerd is en wat nog te realiseren valt van het rijk Gods. Het christendom schaart zich rond een Woord dat in wezen Liefde is. Dat Woord roept op om onze taak en verantwoordelijkheid als mens in de uitbouw van het rijk Gods ernstig te nemen. In dit opzicht kunnen we stellen dat de kerk als gemeenschap voortdurend in crisis is of zou moeten zijn. Kerk als ecclesia semper reformanda betekent dat de kerk zichzelf begrijpt als voortdurend onderweg naar het rijk Gods, zonder zich daar nu al mee te kunnen identificeren (de idee van een pelgrimerende kerk vinden we terug in de decreten en constituties van Vaticanum II. cf. Lumen Gentium, 8). Het ‘nog niet’ van het rijk Gods is een spiegel waardoor het beeld van de kerk aan haarzelf teruggegeven wordt in al zijn broosheid en gebrokenheid. En het vereist moed, nederigheid en geduld om in die spanning tussen ‘reeds’ en ‘nog niet’ te blijven staan.


Bekijk reactie(s) op dit artikel
Bekijk reacties


Reageren op bovenstaand artikel kan door onderstaand formulier in te vullen en op de knop verzenden te klikken.
Indien gewenst, wordt uw reactie anoniem op de website geplaatst (als u het vakje "Graag anoniem" aankruist). We vragen wel je bekend te maken aan de TGL-redactie door het vak "Naam" in te vullen.


Geef uw mening over dit artikel

Naam :

Graag anoniem

Emailadres :

Geef eventueel een titel aan uw reactie :

Tik hier de tekst van uw reactie :