WiE IS JEZUS VOOR MIJ ?
(integrale versie, uitgebreider dan in het TGL-nummer)
| JAAK VANDENBULCKE |
Laat mij vooraf zeggen, dat ik hoop een echt gelovige mens te zijn - zelfs een christelijk gelovige. Een persoonlijke God en Jezus van Nazaret zijn de twee centra van mijn gelovig zijn. Ik ben een gelovige, maar ik ben ook een denkend mens. Van opleiding ben ik zelfs filosoof. Mijn hoofdleeropdracht aan het Centrum voor kerkelijke studies en het latere Agora was zelfs 'Wijsgerige Godsleer' of zoals ik het graag uitdrukte: 'Wijsgerig spreken over God'. Als ik erover nadenk, wat ik nu het meest ben: gelovige of denkend mens, heb ik de indruk dat ik op de eerste plaats denkend mens ben. Daarvan ben ik het zekerst. Die zelfervaring is voor mij het duidelijkst. Dat betekent voor mij, dat ik bij al mijn denken en spreken probeer uit te gaan van mijn ervaring. Niet vanuit mijn allerindividueelste ervaring, waarover moeilijk te spreken valt, maar vanuit mijn ervaring, waarvan ik meen dat ik ze gemeenschappelijk heb met alle mensen. Ook mijn geloof benader ik vanuit mijn ervaring. Het gaat mij in eerste instantie niet om het mij vertelde geloof met zijn verhalen, aansporingen en opwekkingen. Natuurlijk begon het ook bij mij met het geloof dat ik van mijn ouders en van de parochiepriesters meekreeg. Maar achteraf ben ik gaan inzien, dat wat ik daar meekreeg, moest worden getoetst aan zijn ervaarbaarheid in mijn leven. Mijn vraag is dus niet zozeer: hoe werd God mij verteld, maar hoe laat Hij zich in mijn leven ervaren. Mijn vraag is dus niet zozeer: hoe werd Jezus verkondigd, maar hoe werd Jezus ervaren door de mensen die hem hebben gekend en hem op een bepaald moment zijn gevolgd.
Mijn thema wil ik opdelen in drie beschouwingen: Jezus en de exegese; Jezus en de theologie; Jezus en de spiritualiteit.
Jezus en de exegese
Over wie Jezus van Nazaret, de joodse man van 2000 jaar geleden, was, weten we heel wat. Voor mijn eerste beschouwing maak ik hoofdzakelijk gebruik van E.P. Sanders, Jezus, mythe en werkelijkheid, Altiora, Averbode, 1996. De getallen in de tekst verwijzen naar deze uitgave.
In de laatste 200 jaar zijn een hele serie levens van Jezus geschreven en de beelden van Jezus waren zeer verschillend. Dat bracht velen ertoe, te denken dat we eigenlijk niets met zekerheid weten over de historische mens Jezus. Maar dat is een te snel besluit. Voor een figuur van 2000 jaar geleden hebben we eigenlijk vrij veel wetenschappelijk betrouwbaar documentatiemateriaal. Met de gewone methodes van het historisch onderzoek, die we ook toepassen voor Napoleon of voor Churchill, kunnen we veel over Jezus te weten komen. We moeten dan vooreerst proberen zoveel mogelijk van elkaar onafhankelijke bronnen over Jezus met elkaar te confronteren. Zo hebben we het geluk dat er in de geschriften van het Nieuwe Testament twee van elkaar onafhankelijke groepen bestaan: de brieven van Paulus enerzijds en de evangeliën en de andere brieven anderzijds. De brieven van Paulus waren geschreven, vóórdat de evangeliën werden gepubliceerd. Van de andere kant werden de brieven van Paulus eerst maar verzameld en gepubliceerd, nadat de evangeliën waren geschreven en gepubliceerd. Hieruit kunnen we besluiten dat Paulus de evangeliën nog niet kende en dat de evangelisten de brieven van Paulus als geschreven teksten niet vóór zich hadden. Dus kunnen we werken met twee onafhankelijke bronnen.
Paulus
Een van de vroegste getuigenissen over ons christelijk verrijzenisgeloof komt uit de mond van Paulus. Volgens de Romeinse landvoogd Festus, beweerde Paulus over een zekere Jezus die dood is, dat hij leeft (Handelingen 25,19). Dit is een sobere uitspraak. Hij is gestorven, maar toch leeft hij. Paulus moet dat hebben gezegd, een tiental jaren vóórdat onze evangeliën werden geschreven. Waarschijnlijk is dat de eerste manier, waarop men over onze verrezen Heer heeft gesproken: de Heer leeft! Hij leefde door God bij God. En hij leeft daar als onze voorspreker. Wie dat gelooft, lijkt mij een van de kernen van ons christelijk geloof vast te houden. De verrijzenisverhalen uit de evangeliën van tien of meer jaren later zetten deze overtuiging van Paulus en de eerste christenen om in beeldrijke verhalen, die de pakkende realiteitswaarde van de belijdenis: 'hij leeft', in het licht wilden stellen.
Evangelies
Bovendien zitten in de geschriften van het Nieuwe Testament - zoals in alle geschriften - bepaalde passages, die meer zekerheid bieden dan andere. We moeten dan de zekere passages gebruiken als controle voor de onzekerder passages. Zo kunnen we met methoden van de literatuurwetenschap uitmaken dat de synoptici - Marcus, Matteüs en Lucas - veel minder hun historische gegevens bewerkten dan de evangelist Johannes het deed (96). In verband met de historische betrouwbaarheid van de verstrekte gegevens moeten we dus in de regel aan de synoptici de voorrang geven op het evangelie van Johannes.
Bovendien hebben we drie synoptische evangeliën, die de feiten verschillend weergeven. Uit de onderlinge vergelijking kunnen we dikwijls de harde historische kern vastleggen (117-118). Een heel goede illustratie van deze methode en haar mogelijkheden biedt Adelbert Denaux en Marc Vervenne, Synopsis van de eerste drie evangeliën van, Leuven, Vlaamse Bijbelstichting; Turnhout, Brepols, 1986.
In verband met zekerder passages, die kunnen dienen als controle voor minder zekere passages, kunnen we de synoptische verhalen over de bekoringen van Jezus in de woestijn gebruiken. Daar zegt Jezus dat hij aarzelt om een show op te voeren, waardoor hij zichzelf kan bewijzen door tekenen. Daar blijkt ook zijn zelfopvatting. Hij was een dienaar van God, die werkte binnen de context van de ideeën over God en Israël, die het Oude Testament aanreikte. Hij wijst dan ook niet naar zichzelf, maar naar God. Zo zegt hij niet: "Dat is niet de manier waarop ik de dingen doe", maar "dat is niet volgens Gods wil, die in de Schrift is geopenbaard". Bij Matteüs en Lucas begint het antwoord van Jezus dan ook telkens met: Er staat geschreven. Wat Jezus zegt zijn telkens citaten uit het Oude Testament (145). Tegenover de sterk op zijn zelfbewustzijn gecentreerde uitspraken van Jezus in het evangelie van Johannes, helpen deze synoptische uitspraken om de juiste draagwijdte van de zogezegde uitspraken van Jezus uit Johannes te bepalen. Het zijn vergevorderde interpretaties van Johannes vanuit zijn heel specifieke theologie, die Jezus heel sterk naar God toetrekken.
In hun context
Het is ook belangrijk dat we zien dat de evangelies vanuit twee contexten geschreven zijn: de context van Jezus' historische levensloop en de context van de hele heilsgeschiedenis van het Oude Testament. In de historische context werd Jezus geboren in Nazaret, in de heilshistorische moest hij in Bethlehem geboren zijn (110).
We moeten ook goed zien dat de evangelisten kinderen van hun tijd waren, die werkten met de methoden van de niet-christelijke joodse schrijvers van hun tijd. Als ze niet veel historische gegevens hadden - zoals voor de geboorte van Jezus - grepen ze terug op de verhalen van het Oude Testament. Ze stelden dan Jezus in de heilshistorische context en vulden hun verhaal met omgewerkte verhalen en verhaaltjes uit het Oude Testament. Zo ging ook de joodse - niet-christelijke - historische schrijver Josephus (37-100) te werk, als hij niet veel historische gegevens had. Dergelijke werkwijze werd niet als bedrog aangezien (114-115).
Het is ook belangrijk dat we er oog voor hebben, dat in de tijd van Jezus de mirakels van Jezus niet werden gezien als bewijzen van zijn Messias-zijn. Jezus deed wonderen, maar dat zei niets over een bovenmenselijke status. Men kon wonderen doen en toch alleen maar mens zijn. Hier vallen twee dingen op. Van de ene kant beschrijven de verwachtingen van de komende Messias in de joodse - niet-christelijke - literatuur van Jezus' tijd de Messias niet als een mirakelman. Van de andere kant kan men mirakelen doen en toch niet doen denken aan Messiasschap (164/165).
Jezus
Uit een nauwkeurige lezing van de evangelies kunnen we ook opmaken, dat Jezus hoogstwaarschijnlijk zelf het spoedig einde van de wereld verwachtte en dat deze verwachting niet komt van de leerlingen. In de eerste decennia na Jezus' dood moesten de leerlingen van Jezus deze verwachting verschillende keren herzien. Dat ze deze verwachting niet gewoonweg lieten vallen, wijst erop dat ze dat niet durfden doen, omdat Jezus zelf deze verwachting uitgesproken had. Was het een visie van henzelf geweest, hadden ze deze lastige leer gemakkelijk kunnen laten vallen. Deze verwachting van Jezus van een spoedig einde van de wereld toont, dat Jezus een beoordelingsfout van de werkelijkheid maakte. Maar het feit dat de eerste christenen deze fout van Jezus niet verdoezelden, toont anderzijds dat het christendom deze vroege ontdekking vrij goed heeft overleefd (220-221).
Uit de onderlinge vergelijking van passages uit het Nieuwe Testament kunnen we ook een licht werpen op de vraag of Jezus zelf een strenge moraal hield of niet. De meeste strenge uitspraken van Jezus staan in de bergrede van Matteüs - zoals "alwie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd". Als we alleen Marcus en Lucas zouden kennen, krijgen we een heel ander beeld. Jezus veroordeelt daar geen innerlijke toorn of lustgevoelens. Aansporingen om algemeen menselijke gevoelens uit te schakelen lijken bij Marcus en Lucas niet te behoren tot de karakteristieken van Jezus' prediking. Jezus is bij hen geconcentreerd op de vraag hoe mensen elkaar behandelen en niet op welke gedachten er in de harten van de mensen schuilen. De eis naar morele perfectie komt waarschijnlijk van Matteüs (245-247).
Door de toepassing van deze historische en literair-kritische methodes krijgen we een beeld van Jezus als van een heel menselijk gelovig man.
Jezus en de theologie
In onze eerste beschouwing hebben we een heel menselijk beeld van Jezus leren kennen. Wat heeft de theologie en het dogma daar nu van gemaakt? De twee markantste uitspraken zijn: Jezus is de zoon van God, de mensgeworden tweede persoon van de drie-eenheid (de theologie van Cyrillus van Alexandrieë) en Jezus is tegelijkertijd én waarachtig God én waarachtig mens (de formule van het concilie van Chalcedon).
In mijn houding tegenover de theologische en dogmatische uitspraken laat ik mij leiden door drie principes. 1) Alles wat van boven komt, komt van beneden (Kuitert). D.w.z. alle spreken van en over God komt van mensen. Noch de bijbel, noch de kerkelijke dogma's kunnen onveranderlijkheid opeisen. 2) De historisch ervaarbare werkelijkheid moet het uitgangspunt zijn van alle spreken over Jezus. D.w.z. alles wat het Nieuwe Testament zegt is menselijke interpretatie van de historische Jezus en kan dit uitgangspunt niet fundamenteel tegenspreken. 3) Ook het religieuze en dogmatische spreken moet contradictievrij zijn. Zoals in alle werkelijkheid is er in Jezus mysterie, maar ook in hem kan er geen contradictie zijn. Ook in hem kan het eindige niet oneindig worden en het oneindige niet eindig worden.
Het evangelie van Johannes: bron van dogmatische teksten
We moeten vooraf stellen dat deze uitspraken niet louter uit de lucht zijn komen vallen. Ze sluiten dicht aan bij het beeld van Jezus, dat in het Johannesevangelie domineert. Voor onze beschouwingen over het Johannesevangelie maken we hoofdzakelijk gebruik van de inleiding op Ch.K. Barrett, Das Evangelium nach Johannes in Meyers Kommentar, 1990, p. 21-174.
Vooreerst moeten we erop wijzen dat het Johannesevangelie naar alle waarschijnlijkheid niet van de hand van de apostel Johannes is, maar van iemand, die tot de kring van de apostel Johannes in Efese behoorde en die blijkbaar openstond voor populair platoonse en stoïsche ideeën. De apostel Johannes zelf komt niet in aanmerking, omdat de taal en de denkwereld te Grieks zijn voor een Arameeër. Bovendien is het moeilijk begrijpelijk, dat - als het Johannesevangelie werkelijk rond het jaar honderd door de beroemde apostel Johannes zou geschreven zijn - dit evangelie in de eerste helft van de tweede eeuw (100-150) zo schoorvoetend opgenomen werd door de kerk. Ligt dit niet aan het feit dat het niet van de apostel Johannes was, maar van een toen onbekend figuur, en dat daarin bovendien een gevaarlijke ontwikkeling aan het woord kwam?
Dit evangelie geeft een meer gevorderde theologische ontwikkeling, waarin meditaties over de persoon en het werk van Jezus in de eerste persoon worden gepresenteerd, alsof Jezus ze zelf heeft gezegd. Hoe ontstond deze verdere theologische ontwikkeling? Bij de synoptici gaat het vooral om het rijk Gods, dat door de komst en de werking van Jezus werkelijkheid begon te worden. Jezus verkondigde het evangelie van het rijk Gods. Wat Johannes met veel grotere klaarheid dan wie anders van zijn voorgangers beklemtoonde, was: Jezus is het evangelie, en het evangelie is Jezus. De hoogste zegening van dit rijk Gods was - zoals reeds Paulus gezien had - het leven in gemeenschap met Jezus de Christus: "Christus is mijn leven" (Filippenzen 1,21). Dat betekent dat, als het evangelie aan de mensen aangeboden werd, Christus zelf hen werd aangeboden en door hen aangenomen. Daarom werd het op de duur onverdraaglijk dat de persoon van Christus onbepaald zou blijven. Geen van de synoptische evangeliën biedt een ontwikkelde en systematische leer over de persoon van Christus. Het evangelie van Johannes zal dit wel doen.
Dat is een natuurlijke ontwikkeling, maar toch een gevaarlijke ontwikkeling. De verkondiging van het rijk Gods, waarom het Jezus zelf te doen was, werd voor een wezenlijk deel vervangen door de verkondiging van Jezus' persoon. Door het grote enthousiasme, dat Jezus opwekte en door de voorbeelden van vergoddelijkingen van religieuze figuren in andere culturen en godsdiensten werd de weg aangebaand naar een loslaten van de echte, volledige mensheid van Jezus. Vanuit een populair platonisme, dat tot de cultuursfeer van de schrijver van het Johannesevangelie behoorde, kwam deze schrijver tot een scherpe tegenstelling tussen Jezus, die van boven kwam en zijn tegenstanders van deze wereld, die van beneden zijn. Vanuit de Griekse Stoa, die eveneens tot de ideeënwereld van de schrijver van het Johannesevangelie behoort, was aan deze schrijver ook een Zoon van God bekend, die Zoon van God is op grond van een goddelijke vonk, die in hem woont.
De dogmatische strijd rond Chalcedon
We zagen reeds dat het Johannesevangelie in de eerste helft van de tweede eeuw maar schoorvoetend door de kerk werd aangenomen. Een wetenschappelijk onderzochte verklaring van deze weigerachtigheid ken ik niet. Ik vermoed echter dat in die tijd in de kerk nog een sterk bewustzijn leefde van de volledige en ware menselijkheid van de Jezus, met wie de leerlingen waren opgetrokken. 350 jaar later - rond het concilie van Chalcedon - doet zich een gelijkaardige situatie voor: klemtoon op de echte menselijkheid van Jezus tegenover beklemtoning van de goddelijkheid van Jezus. Maar nu is die situatie langs beide kanten veel sterker geprononceerd. Bovendien wordt de situatie gecompliceerd doordat ook de klemtoon van de Nestorianen op de menselijkheid van Jezus wordt geformuleerd binnen de algemene theologische overtuiging van die tijd van de goddelijkheid van Jezus. Dat zal logische moeilijkheden meebrengen. Zijn we de context van Chalcedon kwijt, dan zullen deze moeilijkheden verdwijnen.
Voor mijn beschouwingen rond het concilie van Chalcedon maak ik gebruik van A. Grillmeier en H. Bacht, Das Konzil von Chalkedon, Band I. Geschichte und Gegenwart, Würzburg, Echter, 1951; en van Chalkedon. Geschichte und Aktualität. Studien zur Rezeption der christologischen Formel von Chalkedon, uitgegeven door J. van Oort en J. Roldanus, Leuven, Peeters, 1998.
In Cyrillus van Alexandrieë (vóór 400 - 444) leeft duidelijk de Johanneïsche positie verder. De kroontekst voor de christologie van Cyrillus is Johannes 1,14: "En het Woord is vlees geworden". Cyrillus spreekt van Christus als van de éne mensgeworden natuur van God het Woord. Hij gaat niet uit van de godmenselijke gestalte Jezus Christus, maar van god het Woord. Abstract gezien waren er vóór de incarnatie twee naturen (de goddelijke natuur en het menselijke lichaam). Maar bij de conceptie werd de menselijke natuur onmiddellijk door de goddelijke opgenomen. Na de incarnatie leeft Christus eigenlijk uit één natuur: zijn mensgeworden goddelijke natuur. Na de incarnatie wordt het onderscheid tussen de beide naturen als ’t ware uitgewist. Voor Cyrillus was Maria dan ook zonder enige moeilijkheid de ‘Moeder van God’. Jezus zelf was God. Maar hoe wordt hier de ware menselijkheid van Jezus gevrijwaard?
Hiertegenover stond Nestorius (na 381 - niet vóór 451). Om binnen de context van de goddelijkheid van Jezus zijn menselijkheid onverkort te bewaren sprak hij van twee personen in Christus: een volledig menselijke persoon en een goddelijke persoon. Als Jezus geen menselijke persoon was kon hij geen echte mens zijn. De meest in het oog springende uitspraak van Nestorius is, dat Maria niet god heeft gebaard. Voor hem baarde Maria Christus. Isjodad van Merv, een nestoriaanse exegeet uit de 9de eeuw, wijst erop dat in Mt. 1,16 wordt gezegd dat uit Maria Jezus werd geboren, die Christus wordt genoemd, en niet dat God uit haar werd geboren. Voor Nestorius is Christus een mens, die men door zijn vereniging met God het Woord van God noemt. In Christus onderscheidt hij – tegenover de éne natuur van Cyrillus – duidelijk twee naturen. Ze zijn twee als men naar de naturen kijkt. Ze zijn één als men de autoriteit beschouwt. De autoriteit van de naturen is één, omwille van hun samenvoeging, d.w.z. omdat god de menselijke natuur als de zijne aangenomen heeft. Volgens de grote Nestoriaanse theoloog Babai (die stierf in 628) zijn er in Christus twee natuurlijke personen en niet één goddelijke persoon en zijn mensgeworden natuur zoals bij Cyrillus. Volgens Babai zijn de twee personen één door de vereniging, die is geschied, niet in één natuur, maar vrijwillig en persoonlijk door verknochtheid en inwoning, opdat God het Woord in de mens Jezus zou worden geopenbaard.
En het spreken van Cyrillus van Alexandrieë én dat van Nestorius roepe grote moeilijkheden op. Hoe kan één persoon twee naturen dragen zonder dat die naturen in elkaar gaan vervloeien (Cyrillus)? Hoe kunnen twee personen met elk hun eigen natuur werkelijk persoonlijke eenheid worden (Nestorius)? Toch zou ik willen kiezen voor Nestorius, omdat hij de echte menselijkheid van Jezus duidelijk bewaart tegen de grote autoriteit van Cyrillus in, die de godheid van Jezus centraal plaatste. Tenslotte gaat het in de hele christologie om een interpretatie van het ervaringsgegeven: Jezus van Nazaret, de joodse man van 2000 jaar geleden. En dan nog deze bedenking: zou de totale realiteit van Jezus niet kunnen bestaan in een mystieke eenheid tussen de mens Jezus en zijn God, die dan beide onderscheiden personen zijn en blijven? Mensen die heel veel van elkaar houden, zijn ook heel sterk door elkaar tot eenheid getekend – dat is hun totale persoonlijkheid – en blijven toch twee personen.
Wat de uitspraak van Chalcedon betreft, dat Jezus én waarachtig God én waarachtig mens is, zou ik hier een bedenking van E.P. Sanders willen aanhalen: "Het ligt boven mijn schamele mogelijkheden, als interpretator van dogmatische theologie, uit te leggen, hoe het mogelijk is dat één persoon 100% menselijk en 100% goddelijk kan zijn, zonder dat beide door elkaar vloeien" (166-167). Dat brengt een innerlijke contradictie voort: het oneindige kan niet tezelfdertijd eindig zijn.
De moeilijkheden én van Cyrillus én van Nestorius komen voort uit de beginfout van de ontdubbeling, die in de historische Jezus werd binnen gebracht door de schrijver van het Johannesevangelie. Een mens kan immers maar een mens zijn, hoezeer hij ook met God verbonden is. Een mens kan geen God worden zonder zijn menszijn te verliezen.
Jezus en de spiritualiteit
De situatie zoals ze uit het voorgaande naar voren komt dwingt ons te zoeken naar een nieuwe verhouding tot Jezus en naar een nieuwe verering. Dat Jezus mens is zoals wij - en dus geen God: God alleen is God - is voor mij de richtingswijzer. Het zal een verhouding en verering in bescheidenheid moeten worden. Maar daarom kan ze des te reëler worden.
Het klassieke grote dat we in het verleden aan Jezus hebben toegeschreven, moeten we teruggeven aan God. Doen we dat niet, dan ontwrichten we de fundamentele eindigheid van Jezus en kunnen we niet meer zeggen, dat hij mens is zoals wij. We hebben vroeger te veel vergeten dat echte menselijkheid fundamentele eindigheid insluit. Daarbij komt dat we zo beter kunnen staande houden dat God - en alleen God - de Schepper en de heerser in nederigheid over de wereld is.
Moeten we dan maar Jezus uit onze spiritualiteit buitensluiten? Helemaal niet. Dat zou vooreerst niet passen bij de God, die wij belijden. Wij belijden hem immers als een God van menslievendheid. Hij is de Geest, die mensen innerlijk omvormt en oproept tot het goede. Dat deed Hij op een uitmuntende wijze in onze mensenbroeder Jezus. Jezus uit onze spiritualiteit buitensluiten, zou ook niet passen bij onze ervaring van de mens Jezus van Nazaret. Wij zijn allemaal mens, maar toch bekleedt ieder van ons een eigen trap in de verwezenlijking van dat menszijn. Alle mensen zijn door God persoonlijk aangesproken, maar sommige mensen hebben zich veel dieper voor die uitnodiging geopend. Jezus is daarin heel ver gegaan. Met Gods hulp werd hij als mens volledig door Gods aanwezigheid vervuld. Maar hij bleef wel mens. Was hij iets anders geworden - een soort Godmens - dan zou hij voor ons geen voorbeeld meer kunnen zijn van wat God met mensen zoals wij kan teweeg brengen. We zouden dan immers kunnen zeggen: Jezus kon zo onbaatzuchtig zijn, maar dat was alleen omdat hij geen echte mens meer was. Geef ons ook het Jezusstatuut en wij zullen ook onbaatzuchtig zijn. Maar zo is het niet. Het is als door God gegrepen mens - en niets dan mens - dat Jezus onbaatzuchtig kon zijn. Ook wij kunnen dus als door God aangegrepen mensen onbaatzuchtig zijn. Jezus wekt onze verering op op grond van zijn diepe in God gedrenkte menselijkheid.
Sceptische vragen
Jezus ons voorbeeld. Hier komt dan de eerste sceptische vraag: is hij maar dat? We mogen echter niet te vlug oordelen. De traditie heeft vroeger gezegd dat Jezus de geschiedenis leidde. Dat deed hij toen als God. Maar als een God de geschiedenis leiden, kan hij niet meer. Trouwens, wat is de goddelijke leiding van de geschiedenis? Ook dat is geen leiding met vlag en wimpel. Ook God blijkt schaakmat te worden gezet: waar komt anders al het lijden vandaan, dat niet op de zondigheid van de mens kan worden teruggeleid? In de lijn van zijn en onze God brengt Jezus wel iets teweeg in onze geschiedenis. Het is onooglijk maar reëel. De kwetsbare mens van God, Jezus van Nazaret, brengt door zijn leer en het voorbeeld van zijn leven, in de geschiedenis wel degelijk iets teweeg. Dat doet hij vooreerst door de kerk, die zich op hem beroept: er gebeurt heel wat goeds door de kerk. Maar dat doet hij ook meer dan eens tegen deze kerk in: waar zij te veel een machtsinstituut wordt.
Jezus werd zuurdesem in de geschiedenis door zijn visie op God en op de mens. In de geschiedenis van de godsdiensten is Jezus' visie op God als de vader, die zijn zon laat opgaan over goeden en kwaden en die met de mensen meelijdt, een bron van innerlijke kracht. Wat de mens betreft, stelde hij de zwakke en kleine mens boven de sabbat. Hij leerde ons niet te vlug te oordelen en zeker niet te veroordelen. Hij leerde ons geduld te hebben, om niet te vlug het onkruid tussen de tarwe uit te wieden. Hij verlangt, dat we niet tot zeven maal toe, maar tot zeventig maal zeven maal zouden vergeven. Hij kwam niet om te worden gediend, maar om te dienen. Het geknakte riet wil hij niet breken en de smeulende vlaspit niet doven. Jezus leerde dit alles niet alleen, maar beleefde het ook. Waar zo iets geschiedt, wordt iets ten goede veranderd. Dat zijn dan geen slogans, maar reële veranderingen. Dat is de reële grootheid van Jezus.
Nu nog een tweede sceptische vraag. Deden Mozes en David, Mohammed en Boeddha niet gelijkaardige dingen? Ja, dat deden ze. Maar het moet nog telkens in concreto worden uitgemaakt, hoe het goede, dat in alle godsdiensten verschijnt, samengevoegd een sterker geheel kan worden. We moeten ons bewust blijven dat er in het huis van God vele kamers zijn. God is niet het eigendom van de christenen, trouwens van geen enkele godsdienst of wereldbeschouwing. En wat eigen is aan de andere godsdiensten, moeten we hen laten. We mogen het niet zien als voorafschaduwingen of gevolgen van het christendom. Dan blijven wij te veel het criterium.
Scherpen we als christenen dit bewustzijn aan, dan zullen we met een brede glimlach kunnen opstappen naar het Vaderhuis naast de Hindoe en alle andere Godsgelovigen en zeggen: "Wij hebben een volwaardige heilsweg; op ons pad kunnen we op een authentieke manier de Transcendente ervaren en de aanwezigheid die roept beantwoorden", zoals Winand Callewaert schreef in De wijzen gaven Het vele namen, Leuven, 1998, p. 147. Dan wordt onze Jezusspiritualiteit een spiritualiteit, die groot is door haar bescheidenheid.
Reageren
op bovenstaand artikel kan door onderstaand formulier in te vullen en op de knop
verzenden te klikken.
Indien gewenst, wordt uw reactie anoniem op de website geplaatst (als u het
vakje "Graag anoniem" aankruist). We vragen wel je bekend te maken aan
de TGL-redactie door het vak "Naam" in te vullen.