Verrijzenis van Jezus
26/4/2000
Paul Kevers
[email protected]
De nieuwtestamentische geschriften zijn eensluidend in hun getuigenis dat de leerlingen Jezus na zijn dood 'gezien' hebben. Maar in de concrete beschrijvingen van die 'verschijningen' verschillen zij onderling zo grondig (wie? waar? wanneer? wat?), dat het daarom alleen al uitgesloten moet worden deze verhalen te beschouwen als objectieve feitenverslagen. Het zijn, zoals zo vaak in de bijbel, geloofsverhalen, waarin men in beeldende taal ('tweede taal', zegt Huub Oosterhuis) onder woorden tracht te brengen 'wat eigenlijk niet gezegd kan worden'.
Het lijkt me heel betekenisvol dat de verrijzenis zelf van Jezus nergens in het Nieuwe Testament beschreven wordt. De verrijzenis van Jezus is een gebeuren dat zich aan tijd-ruimtelijke, zintuigelijke waarneming onttrekt. Het betekent zeker niet dat het lijk van Jezus na drie dagen weer tot (biologisch) leven is gekomen en uit het graf naar buiten is gewandeld. Het betekent wel dat het met Jezus niet 'gedaan' was op het moment van zijn kruisdood. God heeft hem 'over de dood heen gehaald'; Jezus 'leeft bij God'. Van dit geloof getuigen alle nieuwtestamentische geschriften.
Waarop is dit geloof gebaseerd? Op ervaringen, daar ben ik zeker van. Ervaringen, die de leerlingen in geloof hebben doen zeggen: "Jezus leeft, hij laat zich nog steeds aan ons kennen, hij 'geeft zich aan ons te zien'" (oofthè in het Grieks). Op welke manier? Daar kunnen we alleen maar naar gissen. Theologen als Wil Veldhuis en Edward Schillebeeckx hebben geprobeerd dat op een voor hedendaagse mensen verstaanbare wijze onder woorden te brengen.
Wil Veldhuis (Over Jezus gesproken, 1974, p. 30-50) noemt zes ervaringen, die ten grondslag kunnen hebben gelegen aan de verschijningsverhalen.
Beslissend hierbij is, dat de leerlingen dit alles niet ervaren als eigen verrichtingen en prestaties. Zij werden 'beetgepakt en boven zichzelf uitgetild' in een proces dat Jezusgericht en aan Jezus ontsproten was. Jezus, die dood en begraven is, is actief met hen bezig. Ongezien ontplooit hij een activiteit, die zijn activiteiten vóór zijn dood mijlenver overtreft. Na zijn dood brengt Jezus door hen en in hun geschiedenis tot stand, wat hij vóór zijn dood nog niet kon.
Edward Schillebeeckx noemt nog een andere paaservaring van de leerlingen: de ervaring van de vergiffenisgenade. De twaalf hebben Jezus op het kritieke moment van zijn arrestatie in de steek gelaten. Na zijn dood moeten zij daar een enorm schuldbesef aan hebben overgehouden. Maar, in herinnering aan Jezus die tijdens zijn leven zonden vergaf, bijzonder in de context van de tafelgemeenschap met Jezus, komen zij tot het besef dat Jezus ook hén vergeeft - en dus leeft. "Een dode schenkt geen vergiffenis" (Het verhaal van een levende, p. 320).
De schrijvers van het Nieuwe Testament hebben dit geloof en de ervaringen die eraan ten grondslag lagen onder woorden trachten te brengen in een taal en met beelden uit hun tijd en hun cultuur. Het is absoluut noodzakelijk dat wij die taal en die beelden 'vertalen' naar vandaag. Dat er daarbij ruimte ontstaat voor een zekere diversiteit van interpretaties, zoals Jan Martinet schrijft (in reactie 9-2: "Enige bedenkingen"), vind ik eerder een rijkdom dan een bedreiging. Geloven berust trouwens altijd op interpretatie. Geloven is niet het 'aannemen van (vaststaande) feiten' maar het interpreteren van ervaringen waarin men 'iets meer' ziet.
-- Paul Kevers --