We zijn maar mensen!
15/4/2000
Jan Fleurbaey
[email protected]
In de vier inbrengen kom ik geen ‘theologie’ tegen, hoe waardevol ze ook zijn. Zélf ook minder begaafd inzake theologie, poog ik niettemin een bocht aan het gesprek te geven. De pleidooien voor palliatieve zorg openen een behoorlijk nieuwe kijk op het aftakelings- en stervensproces, dunkt mij: een relationeel gebeuren. Maar ook voorstanders van euthansaie overtuigen mij ervan (het getuigenis van J.M. over zijn oom, ziekenhuis-pastor, bevestigt dit) dat de ‘gewilde’ dood eveneens als een relationeel hoogtepunt kan beleefd worden.
Mijn nadenken begint bij de vaststelling dat de aandacht voor palliatieve zorg te ‘danken’ is aan het oprukken van de euthanasie! Het christelijk geloof heeft in het verleden naar mijn aanvoelen, maar één nieuw-testamentisch punt beklemtoond, nl. de woorden van Jezus
‘...niet mijn wil, maar Uw wil geschiede...’. Vanuit die ingesteldheid moest een mens het lijden ondergaan. Dit werd ondersteund door het oud-testamentisch besef dat de mens ingevolge zijn zondeval zou leven en werken
‘...in het zweet zijns aanschijns...’. We leerden doorleefde psalmen bidden waarin de mens zich steun zoekt in de relatie met zijn God, een ultieme relatie die voor een écht gelovige mens door alles heen waardevol is en blijft. Maar fundamenteel was het lijden er om ‘gedragen’ te worden, niet om ‘gemilderd’ te worden. Een houding die wellicht mede in de lijn lag van de medische machteloosheid, de korte levensduur, enz.
Maar Jezus sprak in het aanschijn van lijden en dood ook woorden uit, waarin Hij zeer dicht bij mij staat: ‘Vader, laat deze kelk aan mij voorbijgaan’, en ‘Vader, vader, waarom hebt Gij mij verlaten!’. In dié momenten liep Hij naar zijn leerlingen, keek Hij naar wie onderaan het kruis stonden,... zocht Hij mensen op. Hadden we in het verleden deze evangeliestukjes concreter doordacht, we hadden de palliatieve zorg wellicht tot stand gebracht zonder de dreiging met de euthanasie vanuit de vrijzinnige hoek.
De theologie heeft het m.i. zeer moeilijk met de mens die de scheppingsopdracht waar probeert te maken door de natuur te willen ‘beheersen’. Mag een mens de ziekte bestrijden, de dood weren, aan genetische manipulatie doen,...? Toen ik jong was werd het scheppingsverhaal mij bijgebracht als een uitdaging om alle creativiteit op te brengen die maar denkbaar was...; nù echter, nu we vijftig jaar later maar al té goed weten hoeveel onbeheersbaars we voort kunnen brengen in onze drang om te beheersen, nu zoeken we in datzelfde scheppingsverhaal naar de ‘grenzen aan de groei’. Theologie moet blijkbaar zéér gevoelig zijn voor haar eigen gebondenheid aan het denken van de tijd; ook theologie kan maar een stuk van de waarheid belichten.
En dan treft mij een onvergeeflijke gespletenheid, althans in de moraaltheologie. Gaat het over de micro-moraal, dan kent het kerkelijk denken alleen maar zwart/wit, alleen maar één enkele waarheid, dé waarheid. Voor wat de euthanasie betreft is dat het gebod ‘Gij zult niet doden’: over uitzonderingen daarop is geen discussie denkbaar. Maar gaat het over de macro-moraal, dan komen ineens allerlei situatie-factoren in aanmerking. Voor wat het doden betreft, krijgen we dan de Augustiniaanse leer van de ‘rechtvaardige oorlog’, of dat Indianen die er nochtans uitzagen als mensen eigenlijk wezens zonder ziel waren en dus rustig mochten gedood worden, of dat ketters moesten verbrand worden om met hun lichaam ook hun verderfelijke gedachten tot rook te doen vergaan, enz.
Waarom aan een individu, een familie, het recht ontzeggen om de doodstrijd in te korten als het lijden ondraaglijk wordt en er geen enkel uitzicht meer is op mildering: waarom mag een mens de situatie hier niét inroepen als grond tot verschoning?
Er is m.i. een theologisch antwoord op deze vraag mogelijk, maar dat klinkt uiterst genuanceerd. Jahweh bewees de Joden dat Hij ons té waardevol vindt om ons te grabbel te gooien aan de menselijke conditie; in Jezus bewees Hij ons dat lijden, miskenning, dood, niet het laatste woord hebben. Mens, als je dat weet, als je een heel leven lang vanuit dit geloof en die hoop hebt weten te leven, bidt dan samen met je dierbaren om in het helse terminale lijden dat je misschien treft, een beetje gedragen te mogen worden door die Goddelijke liefde voor het Léven. En je zult dan wel zien hoe ver je raakt, élk naar zijn krachten en genade, de een wat minder ver, de ander wat verder, hier en daar een enkeling tot het eindpunt; de geneeskunde staat gereed om je waardig te helpen als het je écht niet meer lukt –en– de Vader staat gereed om vol barmhartigheid te oordelen over je intenties getoetst aan je situatie.