Reactie van een oudere

4/5/2000
Frans Watté
[email protected]

Geef uw mening op deze reactie

Ik ben in mijn 80e levensjaar. Mijn opvoeding was streng katholiek, gekenmerkt door het traditionele geloof dat thans grotendeels als achterhaald beschouwd is en gekenmerkt wordt als "hocus-pocus en sinterklaasgeloof", blijkbaar een op sensatie gerichte dagbladtitel die enigzins als minachtend en neerhalend overkomt voor een geloof dat toch voor ontelbaren bron was van levensmoed, liefde en offervaardigheid.
Zelf ben ik steeds dankbaar gebleven voor wat mijn leermeesters, o.a. wijlen bisschop Daem van Antwerpen als mijn leraar in het laatste humaniorajaar, en monseigneur Cardijn als bezieler van de K.A.J-beweging waarin ik daarna stond, voor mij betekenden. Ik heb als zovelen van mijn generatie een grondige evolutie doorgemaakt in gedachten en zienswijzen, echter zonder frustraties en zonder verwijten; mijn belangstelling en sympathie gaan overigens uit naar de jongeren die thans pogen te spreken in de taal van deze tijd, het geloven trachten te herdenken en zelfs de kerk wensen te hervormen, degenen waartoe pastor Ignace D'hert behoort. Tegen mijn gewoonte in waag ik daarom deze reactie, mij beperkend tot enkele gedachten die niet te beschouwen zijn als anti-kerkelijk.
(hoewel mijn eigen kerkelijkheid...).

In de boventitel van het dagbladartikel (De St. 24 .4) leest men: "Wil het geloof nog relevant zijn en betekenis hebben dan moet het spreken in de taal van deze tijd. Het hele godsbeeld moet herdacht en hertaald worden". Daar komt het inderdaad op aan. Dit mag echter niet nogmaals geschieden op een wereldvreemde-dogmatische manier, maar moet gericht zijn op echte verlichting van de geesten en op verlossing van dwanggedachten en steriele voorstellingen die niet passend zijn voor een zinnig geloof in de waarheid. Een vernieuwing die slechts beoogt de betwiste inhoud van geloofspunten in een andere vorm te bewaren, zal steriel zijn wegens gebrek aan ernstige onderbouw en mogelijks ook wantrouwen wekken in kerkelijke tussenkomsten, welke als bedoeling zouden hebben te redden wat nog te redden valt.

Ignace D’hert stelt de primordiale vraag: wie of wat is bedoeld met "god"? Is dit een persoonlijke maker en meester van het heelal of een universele-kosmische wezenheid waaraan men de naam "god" (deus) en in andere culturen een andere naam gegeven heeft?
Ik meen dat het essentieel is de interpretatie van het goddelijke (deitas) aan de weliswaar diep ingewortelde mythische verhalen te onttrekken, en dat de vertolking van dit universeel fundament in verband moet gebracht worden met de actuele natuurwetenschap die ons nieuwe inzichten aanbracht betreffende de kosmische schepping en toestanden. Is er werkelijk zoveel moed toe nodig vanwege de kerkelijke leermeesters om, zonder vrees hun aanzien en gezag te verliezen, dogma’s en andere voorbijgestreefde uitspraken alsmede de beweerde onfeilbaarheid dienaangaande op te bergen (wat zij wellicht vroeg of laat toch eens zullen doen) om te komen tot een waardevolle zuivering van de leer.

Welke weg moet gevolgd worden?
Door de filosofie, sinds de Grieken tot heden, werd gepeild naar en werden beschrijvingen gemaakt van de vastgestelde gedragsaspecten en de vermoede drijfveren van het menselijke handelen; betreffende de allereerste oorsprong en de ultieme bestemming van het bestaan bleef de wijsbegeerte eerder in het vage.
De theologie steunt in haar bespiegelingen feitelijk op gissingen en -op hun echtheid oncontroleerbare– openbaringen. De boven-natuur als het grootste mysterie, voorwerp van de metafysica, is enkel te vatten door de mystiek en hogere emotionele intelligentie, is overigens niet vatbaar voor rationele beschrijving en is enkel aanwijsbaar door symbolen in woord en beeld.

Het bezorgen van een aanvaardbare kennis van de ultieme natuur-werkelijkheid die de bovennatuur lijkt te benaderen, blijkt mogelijk door de quantum- en relativiteitstheorieën welke wijzen op: de alles omvattende energie in voortdurende werking (een god-aspect); de éénheid en interactie van alles in de ruimte-tijd van het heelal en de harmonie in de micro- en macrokosmossen die een absolute gelijkheid vertonen wat haar elementaire samenstelling betreft; de manifestaties van de natuurkrachten en hun materialisaties (schepping); de verweving van de wording der dingen en hun voorlopige vernietigingen (ontbindingen van de materie, de dood) om transformaties en herwording toe te laten; een universeel en intrinsiek bewustzijn dat de levenloze en levende dingen bezielt en grond is van evolutie tot steeds hogere (transcendente) niveaus van het "zijn" (is dit hoogste en agerend Bewustzijn niet het "Woord" van het Johannes-evangelie dat in het begin bestond en goddelijk genoemd wordt, en god-zelf is, waardoor alles geworden is?).

Ik hoorde eens de suggestie dat de schoolleer-gangen Godsdienst en Natuurkunde tot één cursus zouden moeten samengevoegd worden.

Geef uw mening op deze reactie


Bekijk vorige reactie op reactie 12
Vorige reactie

Terug naar topic 12
Terug naar topic 12


Volgende reactie